Serge Van Duijnhoven
Author of Fotografen in tijden van oorlog
About the Author
Image credit: The author in his street in Brussels
Works by Serge Van Duijnhoven
Associated Works
Tagged
Common Knowledge
There is no Common Knowledge data for this author yet. You can help.
Members
Reviews
Het geluk ligt steevast aan de overkant
ROB SCHOUTEN in TROUW − 01/09/95
recensie over Serge van Duijnhoven: De overkant en het geluk. Prometheus, Amsterdam; 202 blz. - ¿ 29,90.
Anders dan hun profeten, de Maximalen bestaat hun aanwezigheid niet zozeer uit revolutionaire kreten en pamfletten alswel uit dadendrang en literatuur. Ze schrijven of ze het al jaren doen en alsof de duivel ze op de hielen zit. Ieder jaar een boek, liefst twee.
Natuurlijk is het even wennen voor de gevestigde show more garde, die hen met soms ietwat paternalistische kritieken aan banden probeert te leggen: de gunstigste, trouwens ook de afgunstigste recensies krijgen ze dan ook uit eigen kring, waar hun voornaamste onderwerp, de jongerencultuur van de jaren negentig, vanzelfsprekend het best herkend wordt. Literair gesproken hebben de meesten trouwens niet zo veel gemeen, Gipharts werk bijvoorbeeld doet me vooral denken aan het neorealisme van de jaren zeventig, terwijl iemand als Erkelens zich eerder aan grote goden als Trakl en Joyce optrekt. Wat ze voornamelijk bindt is dat ze tot dezelfde generatie behoren, ze zijn het kroost van het in de jaren zestig ontzuilde geslacht. Bij hun geboorte stond de televisie aan.
Veel plezier schijnen ze aan hun afkomst niet te beleven. Studenten van me, die tot dezelfde generatie behoren, verklaarden onlangs tegen mij dat ze hun ouders verweten dat ze alleen de Disneycultuur hadden meegekregen om zich tegen af te zetten.
Of er intussen ook werkelijk van een soort literair verzet tegen de vorige generatie sprake is, waag ik te betwijfelen. Het enige wat ik zie is dat men zich op diverse manieren aan de praktijk van het precieze, verantwoorde, filosofisch-diepzinnige proza probeert te onttrekken en onbezwaard het eigen leven, de eigen omgeving op het programma zet.
Neem nu Serge van Duijnhoven. Een dichtbundel en twee prozawerken binnen twee jaar, plus een eigen periodiek. Schrijven kan hij; in zijn prozadebuut 'Dichters dansen niet', dat het ietwat illusieloze leven van hedendaagse twintigers onder de loep neemt, geeft hij een aardig doorkijkje in de Amsterdamse cultuur. Maar wat drijft hem nou eigenlijk meer dan het kundig schilderen van portretten uit eigen kring?
Misschien is het een vraag die je niet moet stellen, gaat het bij Duijnhoven en bentgenoten meer om de drang tot schrijven dan om de eventuele strekking. Ik bespeur iets irrationeels in die collectieve drift om het eigen wereldje hoe dan ook in kaart te brengen, iets dat me vooral doet denken aan het werk van de 'Beat generation', Jack Kerouac.
In de verhalenbundel 'De overkant en het geluk' speelt het Amerikaanse 'on the road'-gevoel niet toevallig een belangrijke rol. Drie van de vier geschiedenissen voltrekken zich in ietwat troosteloze contreien van de Verenigde Staten. Alle hoofdpersonen dragen een duister verleden met zich mee maar worden pas geportretteerd als ze aan het eind van hun bestaan zijn gekomen. Hun intrigerend geheim blijft zodoende bestaan: “Het verleden zat in ons. in ons lichaam, onze genen. Het was er met geen stok nog uit te krijgen en was gedoemd zich eindeloos te herhalen. Was dat soms de 'eeuwige wederkeer' waarover gesproken werd? De genen in ons lichaam die ons, tegen wil en dank, bleven confronteren met het karakter van onze ouders?”
Er steekt iets sombers en fatalistisch in Duijnhovens verhalen. Door het oog van de verteller vernauwen alle personages zich tot half mislukte slachtoffers van het bestaan die hun geheimen niet prijsgeven: de Brabantse grijsaard met het misdadig verleden, het Newyorkse junk-meisje dat zelfmoord pleegt, de opstandige priester die in een Amerikaans gat sterft, de oude schrijver Freeman, auteur van een even omvangrijk als onbekend oeuvre die, als Van Duijnhoven hem komt interviewen, verlamd en sprakeloos in een rolstoel blijkt te zitten.
Typerend in dat laatste verhaal, bijna een novelle qua omvang, is dat we over het wezen van Freemans werk weinig aan de weet komen. Het lijkt Van Duijnhoven vooral te gaan om de symboolwaarde van zo'n man, een 'loner' die zich van de buitenwereld niet veel heeft aangetrokken. Het verslag van het bezoek aan de onverstaanbare grijsaard wordt gecontrapunteerd door de geschiedenis van een verloren jeugdliefde; Van Duijnhoven trekt neukend en ruziënd door Amerika met zijn vriendin, een ongehuwd moedertje en haar zoontje. Over beide, zowel de stervende schrijver met zijn onaffe oeuvre als de almaar gedeprimeerder rakende vriendin, hangt dat merkwaardige waas van doelloosheid.
Onmiskenbaar beschrijft Van Duijnhoven iets als de menselijke desillusie, maar een nieuw licht werpt hij er niet op, het blijft bij treffende atmosferische beschrijvingen: “Het viel me in Shamrock pas goed op hoe ruw Maren haar zoontje behandelde. Ze deed haar plicht als een chagrijnige au pair, met minachting en knorrige afstandelijkheid. Toen de smekende huilbuien van een duidelijk door hitte gekwelde Tommy haar 's middags in Texas te erg werden, lengde ze op advies van haar oom de fles babymelk aan met een flinke scheut whisky. Dit recept werkte en Maren bleef er gedurende de rest van de reis gebruik van maken. Tommy werd er voornamelijk sloom van en bracht de dagen versuft door als een koalabeertje dat zich stoned had gekauwd aan eucalyptusbladeren.”
Merkwaardig genoeg doet zijn werk me behalve aan de 'on the road'-literatuur ook in de verte denken aan dat van schrijvers als Graham Greene en Ernest Hemingway, nogal uit de mode geraakte grootheden. Van Duijnhoven wil net als zij eerst en vooral vertellen. Even opmerkelijk is dat de figuur van de verteller er zelf bekaaid vanaf komt; als een passief museumbezoeker zwalkt hij tussen zijn personages, schijnbaar willoos overgeleverd aan de afmattende realiteit, die weldra zal stollen tot een verleden waaruit hij meer moed put: “Ik hield van tweede kansen, van wraak op het verleden, het voorbijgaan van de tijd. Wat was het dat ik dan terug probeerde te halen? Wat was het dat ik hier achter had gelaten?”
Over zulke onbeantwoordde en onbeantwoordbare vragen gaat 'De overkant en het geluk', waarin het geluk steevast aan de overkant lijkt te liggen. show less
ROB SCHOUTEN in TROUW − 01/09/95
recensie over Serge van Duijnhoven: De overkant en het geluk. Prometheus, Amsterdam; 202 blz. - ¿ 29,90.
Anders dan hun profeten, de Maximalen bestaat hun aanwezigheid niet zozeer uit revolutionaire kreten en pamfletten alswel uit dadendrang en literatuur. Ze schrijven of ze het al jaren doen en alsof de duivel ze op de hielen zit. Ieder jaar een boek, liefst twee.
Natuurlijk is het even wennen voor de gevestigde show more garde, die hen met soms ietwat paternalistische kritieken aan banden probeert te leggen: de gunstigste, trouwens ook de afgunstigste recensies krijgen ze dan ook uit eigen kring, waar hun voornaamste onderwerp, de jongerencultuur van de jaren negentig, vanzelfsprekend het best herkend wordt. Literair gesproken hebben de meesten trouwens niet zo veel gemeen, Gipharts werk bijvoorbeeld doet me vooral denken aan het neorealisme van de jaren zeventig, terwijl iemand als Erkelens zich eerder aan grote goden als Trakl en Joyce optrekt. Wat ze voornamelijk bindt is dat ze tot dezelfde generatie behoren, ze zijn het kroost van het in de jaren zestig ontzuilde geslacht. Bij hun geboorte stond de televisie aan.
Veel plezier schijnen ze aan hun afkomst niet te beleven. Studenten van me, die tot dezelfde generatie behoren, verklaarden onlangs tegen mij dat ze hun ouders verweten dat ze alleen de Disneycultuur hadden meegekregen om zich tegen af te zetten.
Of er intussen ook werkelijk van een soort literair verzet tegen de vorige generatie sprake is, waag ik te betwijfelen. Het enige wat ik zie is dat men zich op diverse manieren aan de praktijk van het precieze, verantwoorde, filosofisch-diepzinnige proza probeert te onttrekken en onbezwaard het eigen leven, de eigen omgeving op het programma zet.
Neem nu Serge van Duijnhoven. Een dichtbundel en twee prozawerken binnen twee jaar, plus een eigen periodiek. Schrijven kan hij; in zijn prozadebuut 'Dichters dansen niet', dat het ietwat illusieloze leven van hedendaagse twintigers onder de loep neemt, geeft hij een aardig doorkijkje in de Amsterdamse cultuur. Maar wat drijft hem nou eigenlijk meer dan het kundig schilderen van portretten uit eigen kring?
Misschien is het een vraag die je niet moet stellen, gaat het bij Duijnhoven en bentgenoten meer om de drang tot schrijven dan om de eventuele strekking. Ik bespeur iets irrationeels in die collectieve drift om het eigen wereldje hoe dan ook in kaart te brengen, iets dat me vooral doet denken aan het werk van de 'Beat generation', Jack Kerouac.
In de verhalenbundel 'De overkant en het geluk' speelt het Amerikaanse 'on the road'-gevoel niet toevallig een belangrijke rol. Drie van de vier geschiedenissen voltrekken zich in ietwat troosteloze contreien van de Verenigde Staten. Alle hoofdpersonen dragen een duister verleden met zich mee maar worden pas geportretteerd als ze aan het eind van hun bestaan zijn gekomen. Hun intrigerend geheim blijft zodoende bestaan: “Het verleden zat in ons. in ons lichaam, onze genen. Het was er met geen stok nog uit te krijgen en was gedoemd zich eindeloos te herhalen. Was dat soms de 'eeuwige wederkeer' waarover gesproken werd? De genen in ons lichaam die ons, tegen wil en dank, bleven confronteren met het karakter van onze ouders?”
Er steekt iets sombers en fatalistisch in Duijnhovens verhalen. Door het oog van de verteller vernauwen alle personages zich tot half mislukte slachtoffers van het bestaan die hun geheimen niet prijsgeven: de Brabantse grijsaard met het misdadig verleden, het Newyorkse junk-meisje dat zelfmoord pleegt, de opstandige priester die in een Amerikaans gat sterft, de oude schrijver Freeman, auteur van een even omvangrijk als onbekend oeuvre die, als Van Duijnhoven hem komt interviewen, verlamd en sprakeloos in een rolstoel blijkt te zitten.
Typerend in dat laatste verhaal, bijna een novelle qua omvang, is dat we over het wezen van Freemans werk weinig aan de weet komen. Het lijkt Van Duijnhoven vooral te gaan om de symboolwaarde van zo'n man, een 'loner' die zich van de buitenwereld niet veel heeft aangetrokken. Het verslag van het bezoek aan de onverstaanbare grijsaard wordt gecontrapunteerd door de geschiedenis van een verloren jeugdliefde; Van Duijnhoven trekt neukend en ruziënd door Amerika met zijn vriendin, een ongehuwd moedertje en haar zoontje. Over beide, zowel de stervende schrijver met zijn onaffe oeuvre als de almaar gedeprimeerder rakende vriendin, hangt dat merkwaardige waas van doelloosheid.
Onmiskenbaar beschrijft Van Duijnhoven iets als de menselijke desillusie, maar een nieuw licht werpt hij er niet op, het blijft bij treffende atmosferische beschrijvingen: “Het viel me in Shamrock pas goed op hoe ruw Maren haar zoontje behandelde. Ze deed haar plicht als een chagrijnige au pair, met minachting en knorrige afstandelijkheid. Toen de smekende huilbuien van een duidelijk door hitte gekwelde Tommy haar 's middags in Texas te erg werden, lengde ze op advies van haar oom de fles babymelk aan met een flinke scheut whisky. Dit recept werkte en Maren bleef er gedurende de rest van de reis gebruik van maken. Tommy werd er voornamelijk sloom van en bracht de dagen versuft door als een koalabeertje dat zich stoned had gekauwd aan eucalyptusbladeren.”
Merkwaardig genoeg doet zijn werk me behalve aan de 'on the road'-literatuur ook in de verte denken aan dat van schrijvers als Graham Greene en Ernest Hemingway, nogal uit de mode geraakte grootheden. Van Duijnhoven wil net als zij eerst en vooral vertellen. Even opmerkelijk is dat de figuur van de verteller er zelf bekaaid vanaf komt; als een passief museumbezoeker zwalkt hij tussen zijn personages, schijnbaar willoos overgeleverd aan de afmattende realiteit, die weldra zal stollen tot een verleden waaruit hij meer moed put: “Ik hield van tweede kansen, van wraak op het verleden, het voorbijgaan van de tijd. Wat was het dat ik dan terug probeerde te halen? Wat was het dat ik hier achter had gelaten?”
Over zulke onbeantwoordde en onbeantwoordbare vragen gaat 'De overkant en het geluk', waarin het geluk steevast aan de overkant lijkt te liggen. show less
Ere wie ere toekomt: Serge van Duijnhoven (foto) over Serge Gainsbourg.
Hommage aan Serge
door Michael Bellon, Brussel Deze Week, 12 maart 2011
.
Wist u dat mensen (onbewust) van hun eigen naam houden? Wie ooit colleges psychologie heeft gevolgd bij dr. Jozef Nuttin, kent ongetwijfeld diens anekdote over de keer dat hij zich op weg naar zee afvroeg waarom hij sommige letters op nummerplaten leuker vond dan andere. Hij bedacht dat het aan contactconditionering kon liggen: je ontwikkelt onbewust show more een affectieve band met zaken waarmee je vaker geconfronteerd wordt. Aan zee legde Nuttin zijn vrouw een hele reeks letterparen voor. Bleek dat ze in de paren waarin een letter van haar naam voorkwam, blijk gaf van een significante voorkeur voor precies die letters.Contactconditionering stemt tot nadenken. Je kunt het relateren aan een fenomeen als etnocentrisme, maar ook aan het feit dat Serge van Duijnhoven uitpakt met een multidisciplinaire hommage aan zijn Franse naamgenoot, en misschien ook wel zielsverwant, Serge Gainsbourg. De lange inleiding bij dit stuk moet verhullen dat wij, die niet Serge heten, geen Gainsbourg-kenners zijn. Maar misschien is het boekje Bitterzoet, een bundel met gedichten waarmee Van Duijnhoven ook een aantal poëzieconcerten verzorgt, dan een goed opstapje.De Nederlandse Brusselaar opent met een biografisch essay over Gainsbourg, die zijn laatste Gitane Mais rookte op 2 maart 1991, nu dus twintig jaar geleden. Hij stierf als het afgeleefde kind dat hij sinds zijn geboorte was gebleven, nog altijd overtuigd van het adagio dat ‘lelijkheid blijft duren, en schoonheid niet’, en met de bewijzen op zak dat vrouwen weleens in de war raken van de combinatie van lelijkheid, provocatie, talent, bekendheid en een lage dunk van liefde en haar objecten.Het biografietje is een aaneenschakeling van smakelijke anekdotes. Van het feit dat Lucien ‘Lulu’ Ginzburg (Serge was niet zijn echte naam) een mislukte abortus was, over het feit dat hij voor France Gall eerst het Eurovisie Songfestivallied ‘Poupée de cire, poupée de son’ schreef (wisten we niet) en daarna het schaamteloze ‘Les sucettes à l’anis’, tot het feit dat hij zijn zoontje Lulu noemde – naar zichzelf, dus.
Een echte stelling poneert Van Duijnhoven niet, behalve dat Gainsbourg de weg van de meeste weerstand heeft gevolgd. In een wat langere beschrijving van het conceptalbum Histoire de Melody Nelson, die ons eerlijk gezegd wel zin gaf om YouTube eens te checken, geeft Serge een voorbeeld van Serges kwaliteit als dichter. Ook voor treffende bewoordingen kun je bij Van Duijnhoven altijd terecht. De ‘spiedende ogen van de geperverteerde fetisjist en de wapperende flaporen van een onbehouwen olifant’: dat kan inderdaad niemand anders dan Gainsbourg zijn.
Maar dat is allemaal maar bijzaak. De ware reden dat de inleiding van dit stuk zo lang is, is dat we ons een beetje mispakt hebben aan de kwaliteit en de kwantiteit van de gedichten. De argwaan waarmee hommages en dodenherdenkingen benaderd dienen te worden, bleek in dit geval volledig onterecht. De veertig oorspronkelijke gedichten waarmee Van Duijnhoven uitpakt, zijn bijna allemaal zeer goed. Zo goed dat we eigenlijk niet weten hoe de bundel accuraat te bespreken zonder hem in zijn volledigheid te citeren. Zelfs als we alleen de titels van onze favorieten zouden citeren (‘Bij een slapend lichaam’, ‘Calèche du sexe’, ‘Tuttodisco’, ‘Abgesang’), wordt het rijtje te lang. Sommige gedichten zijn zorgvuldig, andere opruiend, sommige zijn expliciet, andere gereserveerd, sommige zijn gulzig en geil, andere wanhopig en afstotelijk, in sommige spreekt vooral de ene Serge, in andere vooral de andere. Maar eigenlijk is dat biografische essay vooraan nog wat veel lof voor Gainsbourg.
Je had deze bundel gewoon Serge moeten noemen, Van Duijnhoven, dan kon de lezer zelf beslissen wie hier de hommage verdient.
.
Serge van Duijnhoven: Bitterzoet – Een lyrische hommage aan Serge Gainsbourg
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2011
ISBN: 978 90 468 0970 9
108 p. 18,50 euro
© Brussel Deze Week, Michael Bellon (zaterdag 12 maart 2011)
.
bron: http://www.brusselnieuws.be/artikel/praat-achteraf-hommage-aan-serge show less
Hommage aan Serge
door Michael Bellon, Brussel Deze Week, 12 maart 2011
.
Wist u dat mensen (onbewust) van hun eigen naam houden? Wie ooit colleges psychologie heeft gevolgd bij dr. Jozef Nuttin, kent ongetwijfeld diens anekdote over de keer dat hij zich op weg naar zee afvroeg waarom hij sommige letters op nummerplaten leuker vond dan andere. Hij bedacht dat het aan contactconditionering kon liggen: je ontwikkelt onbewust show more een affectieve band met zaken waarmee je vaker geconfronteerd wordt. Aan zee legde Nuttin zijn vrouw een hele reeks letterparen voor. Bleek dat ze in de paren waarin een letter van haar naam voorkwam, blijk gaf van een significante voorkeur voor precies die letters.Contactconditionering stemt tot nadenken. Je kunt het relateren aan een fenomeen als etnocentrisme, maar ook aan het feit dat Serge van Duijnhoven uitpakt met een multidisciplinaire hommage aan zijn Franse naamgenoot, en misschien ook wel zielsverwant, Serge Gainsbourg. De lange inleiding bij dit stuk moet verhullen dat wij, die niet Serge heten, geen Gainsbourg-kenners zijn. Maar misschien is het boekje Bitterzoet, een bundel met gedichten waarmee Van Duijnhoven ook een aantal poëzieconcerten verzorgt, dan een goed opstapje.De Nederlandse Brusselaar opent met een biografisch essay over Gainsbourg, die zijn laatste Gitane Mais rookte op 2 maart 1991, nu dus twintig jaar geleden. Hij stierf als het afgeleefde kind dat hij sinds zijn geboorte was gebleven, nog altijd overtuigd van het adagio dat ‘lelijkheid blijft duren, en schoonheid niet’, en met de bewijzen op zak dat vrouwen weleens in de war raken van de combinatie van lelijkheid, provocatie, talent, bekendheid en een lage dunk van liefde en haar objecten.Het biografietje is een aaneenschakeling van smakelijke anekdotes. Van het feit dat Lucien ‘Lulu’ Ginzburg (Serge was niet zijn echte naam) een mislukte abortus was, over het feit dat hij voor France Gall eerst het Eurovisie Songfestivallied ‘Poupée de cire, poupée de son’ schreef (wisten we niet) en daarna het schaamteloze ‘Les sucettes à l’anis’, tot het feit dat hij zijn zoontje Lulu noemde – naar zichzelf, dus.
Een echte stelling poneert Van Duijnhoven niet, behalve dat Gainsbourg de weg van de meeste weerstand heeft gevolgd. In een wat langere beschrijving van het conceptalbum Histoire de Melody Nelson, die ons eerlijk gezegd wel zin gaf om YouTube eens te checken, geeft Serge een voorbeeld van Serges kwaliteit als dichter. Ook voor treffende bewoordingen kun je bij Van Duijnhoven altijd terecht. De ‘spiedende ogen van de geperverteerde fetisjist en de wapperende flaporen van een onbehouwen olifant’: dat kan inderdaad niemand anders dan Gainsbourg zijn.
Maar dat is allemaal maar bijzaak. De ware reden dat de inleiding van dit stuk zo lang is, is dat we ons een beetje mispakt hebben aan de kwaliteit en de kwantiteit van de gedichten. De argwaan waarmee hommages en dodenherdenkingen benaderd dienen te worden, bleek in dit geval volledig onterecht. De veertig oorspronkelijke gedichten waarmee Van Duijnhoven uitpakt, zijn bijna allemaal zeer goed. Zo goed dat we eigenlijk niet weten hoe de bundel accuraat te bespreken zonder hem in zijn volledigheid te citeren. Zelfs als we alleen de titels van onze favorieten zouden citeren (‘Bij een slapend lichaam’, ‘Calèche du sexe’, ‘Tuttodisco’, ‘Abgesang’), wordt het rijtje te lang. Sommige gedichten zijn zorgvuldig, andere opruiend, sommige zijn expliciet, andere gereserveerd, sommige zijn gulzig en geil, andere wanhopig en afstotelijk, in sommige spreekt vooral de ene Serge, in andere vooral de andere. Maar eigenlijk is dat biografische essay vooraan nog wat veel lof voor Gainsbourg.
Je had deze bundel gewoon Serge moeten noemen, Van Duijnhoven, dan kon de lezer zelf beslissen wie hier de hommage verdient.
.
Serge van Duijnhoven: Bitterzoet – Een lyrische hommage aan Serge Gainsbourg
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2011
ISBN: 978 90 468 0970 9
108 p. 18,50 euro
© Brussel Deze Week, Michael Bellon (zaterdag 12 maart 2011)
.
bron: http://www.brusselnieuws.be/artikel/praat-achteraf-hommage-aan-serge show less
titel [Balkan] Wij noemen het rozen
auteur Serge van Duijnhoven
ISBN 9057591235
jaar 1999
pagina’s 226
uitgeverij Podium
…
[BALKAN] WIJ NOEMEN HET ROZEN is een indringend geschreven boek over “het duistere hart van Europa”. Weinigen uit de Nederlandse journalistiek en literatuur hebben zich in dit geplaagde gebied zo verdiept als Serge van Duijnhoven. Hij kroop er achter de linies en “de muren van verdriet”, onderzocht de oorsprong van de woeste schemerzone aan de rand van de Europese show more beschaving, verbleef in het belegerde Sarajevo, toog naar een Kroatisch eiland voor een schrijversfestival en nog veel meer. Gedreven verhaalt hij over zijn ontmoetingen met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macedoniërs, mensen die stand houden en zich verweren, overeind krabbelen en volharden-in oorlog en vrede. Aldus ontstaat een scherp en schrijnend beeld dat ook los van de actualiteit beklijft.
Zonder verward te raken in al te momentane analyses van de politieke situatie, loodst de dansende dichter de lezer door het verwoeste heart of darkness van Europa en registreert daarbij de stemmen van de bevolking. Die probeert langzaam te herstellen van ‘de afdaling naar de bronnen van het redeloze, de instincten, de roes’ die de oorlog is geweest. Anders dan in de vorig jaar verschenen dichtbundel-met-bijhorende-cd ‘Obiit in Orbit – aan het andere einde van de nacht’ – mogen de overgordijnen in ‘Balkan’ af en toe eens op een kier. De duisternis die daar steevast op volgt, komt daardoor eens zo hard aan.
Serge van Duinhoven’s relaas over de Balkan is moeilijk te beschrijven in termen van bestaande genres. Het is een tijdsdocument, geschreven door een journalist, dichter, en meelevend individu, die probeert zijn ervaring tijdens zijn reizen door de Balkan (Macedonië, Kroatië, Bosnië) objectief vast te leggen. De rol van de westerse media, de discussies hier, in Amsterdam, en het echte leven daar, maar ook de corruptie, de misbruik van macht, de ontgoocheling, alle tegenstrijdigheden zijn uitgebeeld in dit uiteindelijk toch zeer verhelderend boek over een ten diepste verwarde, belingerente en nog altijd in mythen gehulde landstreek “ergens ver weg in Europa”. Van Duijnhoven fungeert als gids die ons tussen zijn boeiende verhalen door, de weg wijst naar het diepe, donkere en onvermoede hart ervan.
Met de rozen uit de titel bedoelen de inwoners van Sarajevo de vormen, de gaten in de straat die de scherven van een uiteenspringende mortiergranaat achterlaten. “We call them roses, but they don’t smell like it”, vertelt een meisje hem met typische Bosnische zwarte humor. Het is een beetje dezelfde humor die in alle verhalen naar voren komt: “Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid.” Aldus één van de reisverhalen, ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’. In dit hoofdstuk staat de auteur stil bij de oorlog en de manier waarop die bij ons wordt geconcipieerd. “Lopend door de stad heb ik me regelmatig gevoeld als een hoerenloper – spiedend naar de bevolking die in al haar misère ontbloot achter de kapotgeschoten ramen zat te wachten” (p.131)
Die “schemerachtige aantrekkelijkheid” in de reisreportages van Van Duijnhoven is prachtig opgeschreven en doet daardoor zeer literair aan. In de verhalen worden de clichés en vooroordelen die over de Balkan leven bevestigd noch ontkracht. Dat is alleen mogelijk als je, letterlijk van binnenuit, als een gretig waarnemer graaft naar de ware aard van een onder het juk van oorlog gebukt gaand Joegoslavische volk, dat sinds de jaren ’90 van de 20ste eeuw niet meer onder één noemer kan worden samengebald.
Prijzen, nominaties: in Vlaanderen werd het boek in het jaar 2000 genomineerd voor de longlist van de Gouden Uil Literatuurprijs.
Balkan] Wij noemen het rozen, Auteur: Serge van Duijnhoven, Uitgeverij: Podium, Jaar van publicatie: 1999, Formaat (hoogte): 20 cm, Omvang: 225 pagina’s, Bindwijze: Ingenaaid
ISBN: 90-5759-123-5 EAN: 9789057591235
Persstemmen:
‘Dit boek overdondert; het sleurt je mee op een manier die alleen aan de beste conflictverslaggeving is voorbehouden. En het mooie is: het boek gaat niet over kogels, maar over mensen.’ - Wim T. Schippers, AT5 Boekenprogramma Max Pam, jan. 1999
‘Het is ijzersterk proza van een man die “deelnemer en observator in één” is geworden. Sfeer en invoelen bepalen de toon van het boek.’
- Willem Bouwman in Nederlands Dagblad, dec.1999
Serge van Duijnhoven zorgt in ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ voor vuurwerk, zoals in het knappe ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’ - een mediakritiek op de georchestreerde beeldenstroom, die voor de Westerse kijker tot onvervalst oorlogsentertainment wordt versneden. De hoogvlieger in de bundel is echter ‘Alles zwart’, een reportage over Van Duijnhovens bezoek aan een internationaal poëziefestival in Macedonië, waar de autochtone deelnemers de gruwel met behulp van woorden proberen te verzachten. Ook al is op die manier maar weinig zalf te strijken: it’s a dirty job and someone’s gotta do it.’
- (kt) Humo ‘Boekenbal’ (H3098), 18/1/2000
Balkanquote:
“Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid. Xander, de Nederlandse journalist die ik in Sarajevo ontmoette, reed ‘s avonds langs de frontlinie in de hoop dat hij wat kogelgaten kon opdoen in zijn oude Renault. Voor hem was de oorlog eigenlijk net als een bezoek aan de hoerenbuurt, real fucky fucky.”
uit: ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’, in: Balkan. Wij noemen het rozen. Podium, 1999. De auteur verwijst met Kolonel kurtz uiteraard naar de veelbesproken protagonist uit Joseph Conrad’s Heart of Darkness (en de adaptatie ervan, Apocalypse now). Conrad’s Kolonel Kurtz is een idealist, maar gecorumpeerd door macht en ivoor. Van Duijnhoven kon geen beter figuur gebruiken om de vergelijking met oorlogsjournalistiek te maken. De “schemerachtige aantrekkelijkheid” van zijn Sarajevo is dezelfde die Conrad’s Kurtz, in de nachtmerrie van een door België gekolonialiseerd Congo, doet losslaan van elk moreel gevoel. Dezelfde broeierige jungle uit Apocalypse Now : een plaats waar de morele natuur van de mens lijkt op te houden met bestaan. “The horror, the horror” zijn Kurtz laatste woorden in Heart of Darkness. Ook van Duijnhoven zal de dood in de ogen kijken. show less
auteur Serge van Duijnhoven
ISBN 9057591235
jaar 1999
pagina’s 226
uitgeverij Podium
…
[BALKAN] WIJ NOEMEN HET ROZEN is een indringend geschreven boek over “het duistere hart van Europa”. Weinigen uit de Nederlandse journalistiek en literatuur hebben zich in dit geplaagde gebied zo verdiept als Serge van Duijnhoven. Hij kroop er achter de linies en “de muren van verdriet”, onderzocht de oorsprong van de woeste schemerzone aan de rand van de Europese show more beschaving, verbleef in het belegerde Sarajevo, toog naar een Kroatisch eiland voor een schrijversfestival en nog veel meer. Gedreven verhaalt hij over zijn ontmoetingen met Bosniërs, Kroaten, Serviërs, Bulgaren, Albanezen en Macedoniërs, mensen die stand houden en zich verweren, overeind krabbelen en volharden-in oorlog en vrede. Aldus ontstaat een scherp en schrijnend beeld dat ook los van de actualiteit beklijft.
Zonder verward te raken in al te momentane analyses van de politieke situatie, loodst de dansende dichter de lezer door het verwoeste heart of darkness van Europa en registreert daarbij de stemmen van de bevolking. Die probeert langzaam te herstellen van ‘de afdaling naar de bronnen van het redeloze, de instincten, de roes’ die de oorlog is geweest. Anders dan in de vorig jaar verschenen dichtbundel-met-bijhorende-cd ‘Obiit in Orbit – aan het andere einde van de nacht’ – mogen de overgordijnen in ‘Balkan’ af en toe eens op een kier. De duisternis die daar steevast op volgt, komt daardoor eens zo hard aan.
Serge van Duinhoven’s relaas over de Balkan is moeilijk te beschrijven in termen van bestaande genres. Het is een tijdsdocument, geschreven door een journalist, dichter, en meelevend individu, die probeert zijn ervaring tijdens zijn reizen door de Balkan (Macedonië, Kroatië, Bosnië) objectief vast te leggen. De rol van de westerse media, de discussies hier, in Amsterdam, en het echte leven daar, maar ook de corruptie, de misbruik van macht, de ontgoocheling, alle tegenstrijdigheden zijn uitgebeeld in dit uiteindelijk toch zeer verhelderend boek over een ten diepste verwarde, belingerente en nog altijd in mythen gehulde landstreek “ergens ver weg in Europa”. Van Duijnhoven fungeert als gids die ons tussen zijn boeiende verhalen door, de weg wijst naar het diepe, donkere en onvermoede hart ervan.
Met de rozen uit de titel bedoelen de inwoners van Sarajevo de vormen, de gaten in de straat die de scherven van een uiteenspringende mortiergranaat achterlaten. “We call them roses, but they don’t smell like it”, vertelt een meisje hem met typische Bosnische zwarte humor. Het is een beetje dezelfde humor die in alle verhalen naar voren komt: “Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid.” Aldus één van de reisverhalen, ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’. In dit hoofdstuk staat de auteur stil bij de oorlog en de manier waarop die bij ons wordt geconcipieerd. “Lopend door de stad heb ik me regelmatig gevoeld als een hoerenloper – spiedend naar de bevolking die in al haar misère ontbloot achter de kapotgeschoten ramen zat te wachten” (p.131)
Die “schemerachtige aantrekkelijkheid” in de reisreportages van Van Duijnhoven is prachtig opgeschreven en doet daardoor zeer literair aan. In de verhalen worden de clichés en vooroordelen die over de Balkan leven bevestigd noch ontkracht. Dat is alleen mogelijk als je, letterlijk van binnenuit, als een gretig waarnemer graaft naar de ware aard van een onder het juk van oorlog gebukt gaand Joegoslavische volk, dat sinds de jaren ’90 van de 20ste eeuw niet meer onder één noemer kan worden samengebald.
Prijzen, nominaties: in Vlaanderen werd het boek in het jaar 2000 genomineerd voor de longlist van de Gouden Uil Literatuurprijs.
Balkan] Wij noemen het rozen, Auteur: Serge van Duijnhoven, Uitgeverij: Podium, Jaar van publicatie: 1999, Formaat (hoogte): 20 cm, Omvang: 225 pagina’s, Bindwijze: Ingenaaid
ISBN: 90-5759-123-5 EAN: 9789057591235
Persstemmen:
‘Dit boek overdondert; het sleurt je mee op een manier die alleen aan de beste conflictverslaggeving is voorbehouden. En het mooie is: het boek gaat niet over kogels, maar over mensen.’ - Wim T. Schippers, AT5 Boekenprogramma Max Pam, jan. 1999
‘Het is ijzersterk proza van een man die “deelnemer en observator in één” is geworden. Sfeer en invoelen bepalen de toon van het boek.’
- Willem Bouwman in Nederlands Dagblad, dec.1999
Serge van Duijnhoven zorgt in ‘Balkan. Wij noemen het rozen’ voor vuurwerk, zoals in het knappe ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’ - een mediakritiek op de georchestreerde beeldenstroom, die voor de Westerse kijker tot onvervalst oorlogsentertainment wordt versneden. De hoogvlieger in de bundel is echter ‘Alles zwart’, een reportage over Van Duijnhovens bezoek aan een internationaal poëziefestival in Macedonië, waar de autochtone deelnemers de gruwel met behulp van woorden proberen te verzachten. Ook al is op die manier maar weinig zalf te strijken: it’s a dirty job and someone’s gotta do it.’
- (kt) Humo ‘Boekenbal’ (H3098), 18/1/2000
Balkanquote:
“Oorlogen zijn de rosse buurten van deze aarde. Ze wemelen, behalve van het viriele krijgsvolk, van de pottenkijkers: ruige of minder ruige lieden die zich op de hoogte komen stellen van het vlees in de kuip. Bovendien bezitten ze voor buitenstaanders, in al hun smerigheid, een schemerachtige aantrekkelijkheid. Xander, de Nederlandse journalist die ik in Sarajevo ontmoette, reed ‘s avonds langs de frontlinie in de hoop dat hij wat kogelgaten kon opdoen in zijn oude Renault. Voor hem was de oorlog eigenlijk net als een bezoek aan de hoerenbuurt, real fucky fucky.”
uit: ‘Kolonel Kurtz in Sarajevo’, in: Balkan. Wij noemen het rozen. Podium, 1999. De auteur verwijst met Kolonel kurtz uiteraard naar de veelbesproken protagonist uit Joseph Conrad’s Heart of Darkness (en de adaptatie ervan, Apocalypse now). Conrad’s Kolonel Kurtz is een idealist, maar gecorumpeerd door macht en ivoor. Van Duijnhoven kon geen beter figuur gebruiken om de vergelijking met oorlogsjournalistiek te maken. De “schemerachtige aantrekkelijkheid” van zijn Sarajevo is dezelfde die Conrad’s Kurtz, in de nachtmerrie van een door België gekolonialiseerd Congo, doet losslaan van elk moreel gevoel. Dezelfde broeierige jungle uit Apocalypse Now : een plaats waar de morele natuur van de mens lijkt op te houden met bestaan. “The horror, the horror” zijn Kurtz laatste woorden in Heart of Darkness. Ook van Duijnhoven zal de dood in de ogen kijken. show less
Monografie Phil Bloom1945/2011, opgetekend door Serge van Duijnhoven; een rijk geïllustreerde, full-color uitgave met aandacht voor werk én persoon.
Phil Bloom is geboren onder de rook van Rotterdam. Na een start aan de starre en streng-klassieke Haagse Koninklijke Academie vervolgde ze haar studie aan de Vrije Academie, ook te Den Haag. Later studeert ze in Pratt Institute in New York. Bij het grote publiek heeft Phil Bloom, tot op de dag van vandaag, vooral bekendheid door haar show more bijdrage aan de serie Hoepla van de VPRO-televisie (1967). Voor haar zelf was dit echter niet meer dan een intermezzo. Een vervolgopleiding aan de Amsterdamse Gerrit Rietveld Academie legde de kiemen voor Phil Blooms artistieke roots: vanaf dat moment combineerde ze de voor haar zo kenmerkende stijl van een populaire beeldtaal (Mickey Mouse, Bambi, Olifant Ganeshe, Kuifje etc.) met het ambachtelijke schilderen van het ‘nat in nat’, het alla-prima- schilderen. Haar werk met robots en herten, met klassieke elementen en de beeldtaal ‘van de straat’, beweegt zich tussen een gedroomde wereld, geschiedenis en de realiteit van vandaag.
Fragment uit het boek:
DE DROOM VAN PHIL
Er is een droom, die ik al droomde toen ik een meisje van zes, zeven was. En die nog steeds terugkeert in mijn nachtelijke avonturen. Het is een droom waarin ik me op de rug van een paard heb gehesen. Een robuust en groot en donker paard. Op dat paard rijd ik in draf van mijn ouderlijk huis in Berkel en Rodenrijs in volle vaart over de klinkers van de hoofdweg. Ik zet mijn enkels in de flanken van het vurige beest, en spoor het aan om nog meer haast te maken dan het al maakt. We vliegen door het landschap in ziedende vaart, en stevenen af op de kerk. De katholieke kerk, waar mijn ouders op zondag de hostie in ontvangst namen. De poort van de kerk staat open. En in volle galop draaf ik, gezeten op dat paard, dwars door de kerk heen. We klateren over het gangpad, en stevenen recht op het retabel af waar het sacrament ten overstaan van de kerkgemeenschap doorgaans ten uitvoer wordt gebracht. Met paard en al vlieg ik dwars door de achtermuren van de kerk. Dan houdt de droom, die me nu al zestig jaar lang bezoekt, even plotseling weer op als hij is opgedoemd vanuit de mist van mijn onderbewuste. (...) show less
Phil Bloom is geboren onder de rook van Rotterdam. Na een start aan de starre en streng-klassieke Haagse Koninklijke Academie vervolgde ze haar studie aan de Vrije Academie, ook te Den Haag. Later studeert ze in Pratt Institute in New York. Bij het grote publiek heeft Phil Bloom, tot op de dag van vandaag, vooral bekendheid door haar show more bijdrage aan de serie Hoepla van de VPRO-televisie (1967). Voor haar zelf was dit echter niet meer dan een intermezzo. Een vervolgopleiding aan de Amsterdamse Gerrit Rietveld Academie legde de kiemen voor Phil Blooms artistieke roots: vanaf dat moment combineerde ze de voor haar zo kenmerkende stijl van een populaire beeldtaal (Mickey Mouse, Bambi, Olifant Ganeshe, Kuifje etc.) met het ambachtelijke schilderen van het ‘nat in nat’, het alla-prima- schilderen. Haar werk met robots en herten, met klassieke elementen en de beeldtaal ‘van de straat’, beweegt zich tussen een gedroomde wereld, geschiedenis en de realiteit van vandaag.
Fragment uit het boek:
DE DROOM VAN PHIL
Er is een droom, die ik al droomde toen ik een meisje van zes, zeven was. En die nog steeds terugkeert in mijn nachtelijke avonturen. Het is een droom waarin ik me op de rug van een paard heb gehesen. Een robuust en groot en donker paard. Op dat paard rijd ik in draf van mijn ouderlijk huis in Berkel en Rodenrijs in volle vaart over de klinkers van de hoofdweg. Ik zet mijn enkels in de flanken van het vurige beest, en spoor het aan om nog meer haast te maken dan het al maakt. We vliegen door het landschap in ziedende vaart, en stevenen af op de kerk. De katholieke kerk, waar mijn ouders op zondag de hostie in ontvangst namen. De poort van de kerk staat open. En in volle galop draaf ik, gezeten op dat paard, dwars door de kerk heen. We klateren over het gangpad, en stevenen recht op het retabel af waar het sacrament ten overstaan van de kerkgemeenschap doorgaans ten uitvoer wordt gebracht. Met paard en al vlieg ik dwars door de achtermuren van de kerk. Dan houdt de droom, die me nu al zestig jaar lang bezoekt, even plotseling weer op als hij is opgedoemd vanuit de mist van mijn onderbewuste. (...) show less
You May Also Like
Associated Authors
Statistics
- Works
- 14
- Also by
- 1
- Members
- 59
- Popularity
- #280,812
- Rating
- 4.9
- Reviews
- 9
- ISBNs
- 14
- Favorited
- 1




