Ik kan niet zeggen dat ik de werken van Joost van den Vondel (1587-1679) vaak ter hand neem, maar dat neemt niet weg dat ik wel zeer geïnteresseerd ben in het leven en werk van onze meest beroemde dichter. Daarom mag literatuurhistoricus Piet Calis mij Het verhaal van zijn leven uit de doeken doen.
Dat leven duurde voor die tijd zeer lang, namelijk 91 jaar dus er is veel te vertellen. De familie Vondel komt uit Antwerpen en is van katholieke origine. Nu zijn het niet de meest volgzame katholieken en grootmoeder belandt zelfs in het cachot. Daarom wijkt de familie uit naar Keulen en sluit zich aan bij de doopsgezinden. O ja, Vondel betekent ‘bruggetje’, dat wilt u natuurlijk weten.
Als de wederdopers uit Keulen worden verbannen komt het gezin in Amsterdam terecht, in de Warmoesstraat. Joost heeft al vroeg interesse in poëzie maar ook in toneel en hij probeert zich in zijn eerste werk, Het Pascha over de Exodus van de Joden uit Egypte, al van de middeleeuwse traditie los te maken. Calis duidt hier prima de kiemen van Vondels latere meesterschap in zijn eersteling.
Dat is ook de strekking van het boek. Er is niet heel veel bekend over het privéleven van Vondel. Hij zet weinig bloemetjes buiten dus we moeten het doen met wat er is en natuurlijk zijn werken. Calis bespreekt dus veel van zijn werk, vat ze samen en heeft aandacht voor de ontwikkeling in Vondels werk.
Vondel trouwt met Maaike de Wolff en probeert wat te verdienen met buitenlandse handel. Ook is hij actief in show more de zijdehandel van zijn vader, die een winkel heeft. Verder schrijft hij vooral. Ook ontmoet hij dichters als P.C. Hooft en Laurens Reael en overlegt hij met hen over meer uniforme regels voor spelling, syntaxis en grammatica van de moedertaal.
Vondel wordt gelezen en heeft invloed. Zijn aanklacht Palamedes over de executie van Johan Van Oldenbarnevelt doet het beeld van ten opzichte van Oldenbarnevelt kantelen. Vondel leest Jan en alleman de les; politici worden op de korrel genomen en predikanten moeten het ontgelden. En passant rekent hij ook af met de leer van de predestinatie van Calvijn. Niks voorbeschikking, de mens kan door eigen verdiensten de hemel winnen.
Dat geeft al een beetje aan hoe de wind gaat waaien en Vondel besluit terug te keren in de schoot van de Katholieke kerk. Dat wordt hem niet in dank afgenomen en er zijn serieuze zorgen over zijn veiligheid. Er wordt in sommige hekeldichten zelfs gespeculeerd over een afrekening met hem.
Tegelijkertijd werkt hij stug door en introduceert zijn meesterwerk, de Gijsbrecht van Aemstel. Dat gaat over de belegering van Amsterdam in 1303 en Vondel haalt hiervoor inspiratie uit de strijd om Troje. Het gaat in première in de nieuwe schouwburg in Amsterdam.
Het is interessant om te lezen over de ontwikkeling in het werk van Vondel. Hij leert Grieks en de Griekse invloeden zijn terug te vinden in zijn werk. Calis;
Het aantal personages is kleiner geworden, het thema scherper omlijnd en voor het eerst is er vrijwel steeds…eenheid van tijd, plaats en handeling.
Ook heeft Calis aandacht voor waar het anders kan (het is lastig om van manco’s te spreken bij Vondel), zoals in het stuk Maria Stuart;
Maria Stuart heeft daarmee wel de uiterlijke kenmerken van een tragedie, maar mist de essentie ervan. Het is eerder een aangrijpend treurdicht in soms schitterende verzen, opgedragen aan een bewonderd vorstin, dan een stuk waarin een innerlijke ontwikkeling verbeeld wordt.
Vondel is de spreekbuis van zijn tijd en geeft commentaar op de actualiteit, zoals de net gesloten Vrede van Munster en de aanslag op Amsterdam waarmee stadhouder Willem II het gewest Holland in het gareel wil krijgen. Hij dicht over het nieuwe stadhuis en over de eerste Engelse oorlog.
Tegelijk is er privé van alles aan de hand. Zijn vrouw overlijdt, hij verhuist naar de Prinsengracht en de verhouding met zoon Joost is niet best. Die wordt zelfs op een schip naar Indië gezet, waar hij aan boord overlijdt. Het verdriet van Vondel senior zal later nog vaak doorklinken in zijn werk.
Tegelijk is zijn productie fenomenaal. Omdat zoonlief de zijdehandel failliet heeft laten gaan wordt Vondel boekhouder bij de Bank van Lening. Tegelijk schrijft hij het ene werk na het andere en je vraagt je af waar hij de tijd vandaan haalt.
Zijn stuk Lucifer is nog zo’n werk dat twee keer succesvol wordt opgevoerd, maar voor de nodige commotie zorgt. Een treurspel dat in de hemel gesitueerd wordt, daar lopen de predikanten tegen te hoop. Hij schrijft nog een verassend werk over China en zijn laatste tragedie gaat over Noach. Een veelbelovend stuk maar de grootste tragedie is waarschijnlijk dat het pas in 1937 voor het eerst wordt opgevoerd.
Is Vondel nog wel te lezen, zo vraagt u zich af? Schrijver Frans Kellendonk vindt van wel:
‘Er zit veel meer seks in zijn werk dan je, afgaand op zijn stoffige faam, zou vermoeden, maar elke romantische rompslomp ontbreekt eraan…Dat hij niettemin heel goed wist wat buitenechtelijke hitsigheid is, blijkt wel uit Joseph in Egypten. Daar heeft hij Jempsar, de vrouw van Potiphar, een liefdeslyriek in de mond gelegd die even broeierig en overrijp is als die van Shakespeare’s Cleopatra.’
Vondel wordt maar liefst 91 jaar en overleeft vrijwel iedereen voor hij, zonder echt ziek te zijn, wegglijdt in de dood.
Calis staat uitgebreid stil bij het belang van Vondel en de ontwikkeling in zijn werk. Vondel heeft natuurlijk in zijn toneelstukken en gedichten veel problemen aan de kaak gesteld die een samenleving, ook nu nog, beroeren. Denk dan aan het proces van integratie van vreemde bevolkingsgroepen. Vondel zelf is een voorbeeld van geslaagde integratie en daarmee een prima rolmodel.
Hij ontwikkelt zich ook in zijn werk. Wordt hij aanvankelijk beïnvloed door Romeinse schrijvers als Seneca, later blijken Grieken als Aristoteles een belangrijke inspiratie te zijn. Wordt het lot van zijn personages in vroege werken nog door God bepaald, later nemen zij veel meer hun lot in eigen hand. Dat heeft te maken met Vondels opvatting van de vrije wil van de mens, waarmee hij zich plaatst in de lijn van Erasmus.
Waarin Vondel zich onderscheidt van anderen is zijn sterke sensibiliteit. Hij neemt alles in zich op en vertaalt dit in zijn werk door middel van een uiterst gelaagde taal. Het is opmerkelijk dat deze toch vrij zwijgzame man zich uitspreekt in de meest uitbundige taal van de zeventiende eeuw.
Tenslotte, ik heb door dit boek aardig wat teksten van Vondel erbij gepakt (u kunt ze overigens allemaal online vinden). Ik moet soms even wennen aan de taal van die tijd, maar er zitten prachtige teksten tussen en dit boek van Calis helpt u een eind om uw weg te vinden in het werk van Vondel.
Laat ik tot slot de meester zelf nog aan het woord. Ondanks al zijn grote werken, zijn spot- en hekeldichten en verslagen van zijn tijd, vind ik het vers dat hij schreef toen zijn vrouw Maaike overleed, één van zijn mooiste roerselen. Een stukje uit de Lijkklacht aan het Vrouwe-koor, over het verlies van mijn ega, waarin Maaike hem vertelt waar zij begraven wil worden, namelijk in het koor van de kerk;
Bestel mijn sterflijk deel ter aarde,
In ’t Koor der zegenrijke Maagd,
Daar zulk een schaar den naam af draagt,
En die mijn naam ook gaf zijn waarde.
‘k Verhuis, van ’t aardse juk ontslagen
Omhoog, in ’t hemelse gebouw.
Bezorg de panden van ons trouw,
Twee kinders, die ik heb gedragen.
En ten slotte, intiemer nu, neemt Vondel zelf het woord:
Zo sprekend week zij uit dit leven.
Marie, al laat gij mij alleen,
Uw vriendschap, uw gedienstigheên
Staan eeuwig in mijn hart geschreven.
Hoe veer dees voeten mochten dwalen,
‘k Zal derwaart mijn bedrukt gezicht
Nog slaan, daar voor het rijzend licht
Uw bleke star ging onderdalen. show less
Dat leven duurde voor die tijd zeer lang, namelijk 91 jaar dus er is veel te vertellen. De familie Vondel komt uit Antwerpen en is van katholieke origine. Nu zijn het niet de meest volgzame katholieken en grootmoeder belandt zelfs in het cachot. Daarom wijkt de familie uit naar Keulen en sluit zich aan bij de doopsgezinden. O ja, Vondel betekent ‘bruggetje’, dat wilt u natuurlijk weten.
Als de wederdopers uit Keulen worden verbannen komt het gezin in Amsterdam terecht, in de Warmoesstraat. Joost heeft al vroeg interesse in poëzie maar ook in toneel en hij probeert zich in zijn eerste werk, Het Pascha over de Exodus van de Joden uit Egypte, al van de middeleeuwse traditie los te maken. Calis duidt hier prima de kiemen van Vondels latere meesterschap in zijn eersteling.
Dat is ook de strekking van het boek. Er is niet heel veel bekend over het privéleven van Vondel. Hij zet weinig bloemetjes buiten dus we moeten het doen met wat er is en natuurlijk zijn werken. Calis bespreekt dus veel van zijn werk, vat ze samen en heeft aandacht voor de ontwikkeling in Vondels werk.
Vondel trouwt met Maaike de Wolff en probeert wat te verdienen met buitenlandse handel. Ook is hij actief in show more de zijdehandel van zijn vader, die een winkel heeft. Verder schrijft hij vooral. Ook ontmoet hij dichters als P.C. Hooft en Laurens Reael en overlegt hij met hen over meer uniforme regels voor spelling, syntaxis en grammatica van de moedertaal.
Vondel wordt gelezen en heeft invloed. Zijn aanklacht Palamedes over de executie van Johan Van Oldenbarnevelt doet het beeld van ten opzichte van Oldenbarnevelt kantelen. Vondel leest Jan en alleman de les; politici worden op de korrel genomen en predikanten moeten het ontgelden. En passant rekent hij ook af met de leer van de predestinatie van Calvijn. Niks voorbeschikking, de mens kan door eigen verdiensten de hemel winnen.
Dat geeft al een beetje aan hoe de wind gaat waaien en Vondel besluit terug te keren in de schoot van de Katholieke kerk. Dat wordt hem niet in dank afgenomen en er zijn serieuze zorgen over zijn veiligheid. Er wordt in sommige hekeldichten zelfs gespeculeerd over een afrekening met hem.
Tegelijkertijd werkt hij stug door en introduceert zijn meesterwerk, de Gijsbrecht van Aemstel. Dat gaat over de belegering van Amsterdam in 1303 en Vondel haalt hiervoor inspiratie uit de strijd om Troje. Het gaat in première in de nieuwe schouwburg in Amsterdam.
Het is interessant om te lezen over de ontwikkeling in het werk van Vondel. Hij leert Grieks en de Griekse invloeden zijn terug te vinden in zijn werk. Calis;
Het aantal personages is kleiner geworden, het thema scherper omlijnd en voor het eerst is er vrijwel steeds…eenheid van tijd, plaats en handeling.
Ook heeft Calis aandacht voor waar het anders kan (het is lastig om van manco’s te spreken bij Vondel), zoals in het stuk Maria Stuart;
Maria Stuart heeft daarmee wel de uiterlijke kenmerken van een tragedie, maar mist de essentie ervan. Het is eerder een aangrijpend treurdicht in soms schitterende verzen, opgedragen aan een bewonderd vorstin, dan een stuk waarin een innerlijke ontwikkeling verbeeld wordt.
Vondel is de spreekbuis van zijn tijd en geeft commentaar op de actualiteit, zoals de net gesloten Vrede van Munster en de aanslag op Amsterdam waarmee stadhouder Willem II het gewest Holland in het gareel wil krijgen. Hij dicht over het nieuwe stadhuis en over de eerste Engelse oorlog.
Tegelijk is er privé van alles aan de hand. Zijn vrouw overlijdt, hij verhuist naar de Prinsengracht en de verhouding met zoon Joost is niet best. Die wordt zelfs op een schip naar Indië gezet, waar hij aan boord overlijdt. Het verdriet van Vondel senior zal later nog vaak doorklinken in zijn werk.
Tegelijk is zijn productie fenomenaal. Omdat zoonlief de zijdehandel failliet heeft laten gaan wordt Vondel boekhouder bij de Bank van Lening. Tegelijk schrijft hij het ene werk na het andere en je vraagt je af waar hij de tijd vandaan haalt.
Zijn stuk Lucifer is nog zo’n werk dat twee keer succesvol wordt opgevoerd, maar voor de nodige commotie zorgt. Een treurspel dat in de hemel gesitueerd wordt, daar lopen de predikanten tegen te hoop. Hij schrijft nog een verassend werk over China en zijn laatste tragedie gaat over Noach. Een veelbelovend stuk maar de grootste tragedie is waarschijnlijk dat het pas in 1937 voor het eerst wordt opgevoerd.
Is Vondel nog wel te lezen, zo vraagt u zich af? Schrijver Frans Kellendonk vindt van wel:
‘Er zit veel meer seks in zijn werk dan je, afgaand op zijn stoffige faam, zou vermoeden, maar elke romantische rompslomp ontbreekt eraan…Dat hij niettemin heel goed wist wat buitenechtelijke hitsigheid is, blijkt wel uit Joseph in Egypten. Daar heeft hij Jempsar, de vrouw van Potiphar, een liefdeslyriek in de mond gelegd die even broeierig en overrijp is als die van Shakespeare’s Cleopatra.’
Vondel wordt maar liefst 91 jaar en overleeft vrijwel iedereen voor hij, zonder echt ziek te zijn, wegglijdt in de dood.
Calis staat uitgebreid stil bij het belang van Vondel en de ontwikkeling in zijn werk. Vondel heeft natuurlijk in zijn toneelstukken en gedichten veel problemen aan de kaak gesteld die een samenleving, ook nu nog, beroeren. Denk dan aan het proces van integratie van vreemde bevolkingsgroepen. Vondel zelf is een voorbeeld van geslaagde integratie en daarmee een prima rolmodel.
Hij ontwikkelt zich ook in zijn werk. Wordt hij aanvankelijk beïnvloed door Romeinse schrijvers als Seneca, later blijken Grieken als Aristoteles een belangrijke inspiratie te zijn. Wordt het lot van zijn personages in vroege werken nog door God bepaald, later nemen zij veel meer hun lot in eigen hand. Dat heeft te maken met Vondels opvatting van de vrije wil van de mens, waarmee hij zich plaatst in de lijn van Erasmus.
Waarin Vondel zich onderscheidt van anderen is zijn sterke sensibiliteit. Hij neemt alles in zich op en vertaalt dit in zijn werk door middel van een uiterst gelaagde taal. Het is opmerkelijk dat deze toch vrij zwijgzame man zich uitspreekt in de meest uitbundige taal van de zeventiende eeuw.
Tenslotte, ik heb door dit boek aardig wat teksten van Vondel erbij gepakt (u kunt ze overigens allemaal online vinden). Ik moet soms even wennen aan de taal van die tijd, maar er zitten prachtige teksten tussen en dit boek van Calis helpt u een eind om uw weg te vinden in het werk van Vondel.
Laat ik tot slot de meester zelf nog aan het woord. Ondanks al zijn grote werken, zijn spot- en hekeldichten en verslagen van zijn tijd, vind ik het vers dat hij schreef toen zijn vrouw Maaike overleed, één van zijn mooiste roerselen. Een stukje uit de Lijkklacht aan het Vrouwe-koor, over het verlies van mijn ega, waarin Maaike hem vertelt waar zij begraven wil worden, namelijk in het koor van de kerk;
Bestel mijn sterflijk deel ter aarde,
In ’t Koor der zegenrijke Maagd,
Daar zulk een schaar den naam af draagt,
En die mijn naam ook gaf zijn waarde.
‘k Verhuis, van ’t aardse juk ontslagen
Omhoog, in ’t hemelse gebouw.
Bezorg de panden van ons trouw,
Twee kinders, die ik heb gedragen.
En ten slotte, intiemer nu, neemt Vondel zelf het woord:
Zo sprekend week zij uit dit leven.
Marie, al laat gij mij alleen,
Uw vriendschap, uw gedienstigheên
Staan eeuwig in mijn hart geschreven.
Hoe veer dees voeten mochten dwalen,
‘k Zal derwaart mijn bedrukt gezicht
Nog slaan, daar voor het rijzend licht
Uw bleke star ging onderdalen. show less
Ik weet niet meer precies wat mij deed besluiten om Een biografie van Busken Huet te kopen, geschreven door Huet-kenner Olf Praamstra. Het is een dik boek van zo’n 840 pagina’s en staat mooi in de kast naast een vergelijkbare uitgave over Multatuli, maar wellicht was ik destijds gewoon benieuwd waarom Huet (naar verluidt) zo belangrijk was voor de Nederlandse literatuur.
Maar goed, het staat niet voor de kat zijn viool in mijn boekenkast dus ik zet mij aan het lezen en dat beviel mij prima. Praamstra heeft een uiterst leesbare biografie geschreven over deze literatuurcriticus, want wellicht kent u de man helemaal niet, gelardeerd met het nodige fotomateriaal.
Eem literatuurcriticus dus, maar zo begon Conrad Busken Huet (1826-1886) niet. Hij komt uit een predikantenfamilie en volgt zelf ook een opleiding tot predikant van de Waalse kerk. Hij is voorganger in Haarlem, maar maakt dan ook zijn debuut in de Nederlandse literatuur met de Brieven over den Bijbel. Hij gelooft in de moderne Bijbelwetenschap en staat kritisch tegenover het waarheidsgehalte in de Bijbel. Kortom, hij morrelt aan het Heilige Boek. Dat bevalt een hoop mensen niet en uiteindelijk loopt hij vast in zijn loopbaan als predikant.
Bij het schrijven krijgt hij hulp van zijn vrouw Anne, die hem onvoorwaardelijk steunt. Dat doet zij ook later als Huet gaat werken als journalist en als criticus voor De Gids. Zijn manier van kritieken schrijven is nieuw. Hij bespreekt niet alleen een boek, maar verdiept zich show more grondig in de schrijver ervan. Hij leest ook zoveel mogelijk andere werken en begint dan pas met zijn verhaal. In de regel is hij niet zachtzinnig. Hij zaagt iemand eerst bij de knieën af, fulmineert over alle zwakheden in de publicatie, maar beargumenteert vervolgens één voor één de punten waar hij zo boos over is.
Het fascinerende is dat Huet niet boos is om het boos zijn. Hij heeft een reden voor zijn werkwijze. Door zijn harde en negatieve kritiek wil hij de weg vrijmaken voor een hervorming van de Nederlandse literatuur. Om te beginnen is Willem Bilderdijk het haasje, maar vervolgens moet de grootheid Jacob Cats er ook aan geloven;
In het leven van elk regtgeaard Nederlander der 19de eeuw behoort een oogenblik aan te breken dat hij ophoudt ten aanzien van Cats slechts onverschilligheid te koesteren; een dag en een uur dat hij ‘al de werken’ van dien rijmelaar en kwezel van zich afstoot met geheel den fieren weerzin dien zulk een erbarmelijk karakter, eene zoo ergerlijke middelmatigheid, een zoo gemeene en gemeenmakende geest aan den weldenkende moet inboezemen.
Huet zorgt er eigenhandig voor dat het enthousiasme voor Bilderdijk en Cats danig afneemt en hij krijgt zo de bijnaam ‘de beul van Haarlem.’
Het deert hem weinig, hij gaat onverdroten verder en schrijft een kritiek met de titel Een avond aan het Hof, waarin hij doodleuk koningin Sophie sprekend opvoert en kritiek laat leveren op wat dichterlijke almanakken. Dat is tegen het zere been van iedereen en Huet loopt weer eens volledig vast in zijn carrière.
Een oplossing lijkt een vertrek naar Nederlands-Indië, met zijn vrouw Anne en zoon Gideon. Hij wordt daar redacteur van de Java-bode. Hij wordt binnengehaald als liberaal, maar ontpopt zich als een volslagen conservatief en wordt gezien als spreekbuis van de regering. Natuurlijk publiceert hij daar ook over en het neemt bedenkelijke vormen aan, zeker als hij oppert dat Nederland en België weer samengevoegd dienen te worden. Niet alleen dat, hij is geen fan van Thorbecke en zijn grondwet en ziet desnoods Willem III een staatsgreep plegen om als sterke man de leiding op zich te nemen. U raadt het, Huet maakt zich ook als redacteur van de Java-bode binnen de kortste keren onmogelijk.
Zoon Gideon dient een goede scholing te hebben, in Nederland ziet Huet zichzelf niet meer wonen en het gezin verhuist naar Parijs. Daar blijft hij kritieken schrijven maar gaat hij ook cultuurhistorische boeken schrijven, met als hoogtepunt zijn boek over Nederland, Het Land van Rembrand (jawel, zonder ‘t’). Vooral aan dat laatste boek werkt hij zo hard, dat zijn gezondheid er onder lijdt.
Huet ondervindt ook ineens dat er anderen zijn met een scherpe pen. Nieuwe schrijvers melden zich, zoals Willem Paap en Willem Kloos en zeker de laatste heeft weinig ontzag voor Huet;
Kloos vergeleek – ook in een persoonlijk schrijven – Huets kritiek met het gedrag van een landlooper, die tegen ’t Parthenon zijn noodruft doet!’
Uiteindelijk sterft Huet tijden het werken aan een stuk, achter zijn bureau, aan een slagaderlijke breuk op 59-jarige leeftijd.
Wat is nu de betekenis van Huet? Allereerst heeft hij een nieuwe vorm van literatuurkritiek geïntroduceerd. Niet altijd even fijn- en zachtzinnig, maar wel grondig. Zijn grote belezenheid geeftf hem de autoriteit om dat te doen.
Verder is hij een veelzijdig publicist, op het gebied van theologie, politiek en cultuurgeschiedenis. Het mooie is dat, ondanks de kritiek van latere schrijvers als Willem Kloos, zij hem wel zien als hun wegbereider. Huet mist zelf het belang van De Tachtigers als stroming, hij staat wel aan hun literaire wieg.
Als politiek denker faalt hij. Hij slaat wegen in waarop niemand hem wil volgen. Als romancier wil het ook niet echt lukken. Zijn roman Lidewyde is geen succes, hoewel het weer gezien kan worden als voorloper van het naturalisme, waarin Émile Zola later groot zal worden en waar Huet een bewonderaar van is.
Huet is gevoelig voor kritiek en eerbewijzen. Die laatste krijgt hij niet of nauwelijks. Geen prijzen, geen eredoctoraten. Het is wrang om te constateren dat na zijn dood de loftuitingen niet van de lucht zijn, ook van personen waar hij kort tevoren nog mee in de clinch lag;
Na zijn plotselinge overlijden lijken zijn tegenstanders hem al zijn fouten vergeven te hebben…ook nu ontkennen ze niet dat zijn kritiek hardvochtig en soms zelfs meedogenloos was, maar ze hebben er – achteraf – alle begrip voor. Huet was een idealist die door middel van zijn harde oordelen werkte aan een betere toekomst voor zijn vaderland.
Laten we hem die credits dan meegeven. Praamstra heeft zijn best gedaan om de goede en minder goede kanten van Busken Huet evenwichtig voor het voetlicht te brengen en ik ben een hoop wijzer geworden over een mij nog onbekend tijdvak in de Nederlandse literatuur (ik ga hem zeker nog tegenkomen in de serie over de Nederlandse literatuur die ik aan het lezen ben). show less
Maar goed, het staat niet voor de kat zijn viool in mijn boekenkast dus ik zet mij aan het lezen en dat beviel mij prima. Praamstra heeft een uiterst leesbare biografie geschreven over deze literatuurcriticus, want wellicht kent u de man helemaal niet, gelardeerd met het nodige fotomateriaal.
Eem literatuurcriticus dus, maar zo begon Conrad Busken Huet (1826-1886) niet. Hij komt uit een predikantenfamilie en volgt zelf ook een opleiding tot predikant van de Waalse kerk. Hij is voorganger in Haarlem, maar maakt dan ook zijn debuut in de Nederlandse literatuur met de Brieven over den Bijbel. Hij gelooft in de moderne Bijbelwetenschap en staat kritisch tegenover het waarheidsgehalte in de Bijbel. Kortom, hij morrelt aan het Heilige Boek. Dat bevalt een hoop mensen niet en uiteindelijk loopt hij vast in zijn loopbaan als predikant.
Bij het schrijven krijgt hij hulp van zijn vrouw Anne, die hem onvoorwaardelijk steunt. Dat doet zij ook later als Huet gaat werken als journalist en als criticus voor De Gids. Zijn manier van kritieken schrijven is nieuw. Hij bespreekt niet alleen een boek, maar verdiept zich show more grondig in de schrijver ervan. Hij leest ook zoveel mogelijk andere werken en begint dan pas met zijn verhaal. In de regel is hij niet zachtzinnig. Hij zaagt iemand eerst bij de knieën af, fulmineert over alle zwakheden in de publicatie, maar beargumenteert vervolgens één voor één de punten waar hij zo boos over is.
Het fascinerende is dat Huet niet boos is om het boos zijn. Hij heeft een reden voor zijn werkwijze. Door zijn harde en negatieve kritiek wil hij de weg vrijmaken voor een hervorming van de Nederlandse literatuur. Om te beginnen is Willem Bilderdijk het haasje, maar vervolgens moet de grootheid Jacob Cats er ook aan geloven;
In het leven van elk regtgeaard Nederlander der 19de eeuw behoort een oogenblik aan te breken dat hij ophoudt ten aanzien van Cats slechts onverschilligheid te koesteren; een dag en een uur dat hij ‘al de werken’ van dien rijmelaar en kwezel van zich afstoot met geheel den fieren weerzin dien zulk een erbarmelijk karakter, eene zoo ergerlijke middelmatigheid, een zoo gemeene en gemeenmakende geest aan den weldenkende moet inboezemen.
Huet zorgt er eigenhandig voor dat het enthousiasme voor Bilderdijk en Cats danig afneemt en hij krijgt zo de bijnaam ‘de beul van Haarlem.’
Het deert hem weinig, hij gaat onverdroten verder en schrijft een kritiek met de titel Een avond aan het Hof, waarin hij doodleuk koningin Sophie sprekend opvoert en kritiek laat leveren op wat dichterlijke almanakken. Dat is tegen het zere been van iedereen en Huet loopt weer eens volledig vast in zijn carrière.
Een oplossing lijkt een vertrek naar Nederlands-Indië, met zijn vrouw Anne en zoon Gideon. Hij wordt daar redacteur van de Java-bode. Hij wordt binnengehaald als liberaal, maar ontpopt zich als een volslagen conservatief en wordt gezien als spreekbuis van de regering. Natuurlijk publiceert hij daar ook over en het neemt bedenkelijke vormen aan, zeker als hij oppert dat Nederland en België weer samengevoegd dienen te worden. Niet alleen dat, hij is geen fan van Thorbecke en zijn grondwet en ziet desnoods Willem III een staatsgreep plegen om als sterke man de leiding op zich te nemen. U raadt het, Huet maakt zich ook als redacteur van de Java-bode binnen de kortste keren onmogelijk.
Zoon Gideon dient een goede scholing te hebben, in Nederland ziet Huet zichzelf niet meer wonen en het gezin verhuist naar Parijs. Daar blijft hij kritieken schrijven maar gaat hij ook cultuurhistorische boeken schrijven, met als hoogtepunt zijn boek over Nederland, Het Land van Rembrand (jawel, zonder ‘t’). Vooral aan dat laatste boek werkt hij zo hard, dat zijn gezondheid er onder lijdt.
Huet ondervindt ook ineens dat er anderen zijn met een scherpe pen. Nieuwe schrijvers melden zich, zoals Willem Paap en Willem Kloos en zeker de laatste heeft weinig ontzag voor Huet;
Kloos vergeleek – ook in een persoonlijk schrijven – Huets kritiek met het gedrag van een landlooper, die tegen ’t Parthenon zijn noodruft doet!’
Uiteindelijk sterft Huet tijden het werken aan een stuk, achter zijn bureau, aan een slagaderlijke breuk op 59-jarige leeftijd.
Wat is nu de betekenis van Huet? Allereerst heeft hij een nieuwe vorm van literatuurkritiek geïntroduceerd. Niet altijd even fijn- en zachtzinnig, maar wel grondig. Zijn grote belezenheid geeftf hem de autoriteit om dat te doen.
Verder is hij een veelzijdig publicist, op het gebied van theologie, politiek en cultuurgeschiedenis. Het mooie is dat, ondanks de kritiek van latere schrijvers als Willem Kloos, zij hem wel zien als hun wegbereider. Huet mist zelf het belang van De Tachtigers als stroming, hij staat wel aan hun literaire wieg.
Als politiek denker faalt hij. Hij slaat wegen in waarop niemand hem wil volgen. Als romancier wil het ook niet echt lukken. Zijn roman Lidewyde is geen succes, hoewel het weer gezien kan worden als voorloper van het naturalisme, waarin Émile Zola later groot zal worden en waar Huet een bewonderaar van is.
Huet is gevoelig voor kritiek en eerbewijzen. Die laatste krijgt hij niet of nauwelijks. Geen prijzen, geen eredoctoraten. Het is wrang om te constateren dat na zijn dood de loftuitingen niet van de lucht zijn, ook van personen waar hij kort tevoren nog mee in de clinch lag;
Na zijn plotselinge overlijden lijken zijn tegenstanders hem al zijn fouten vergeven te hebben…ook nu ontkennen ze niet dat zijn kritiek hardvochtig en soms zelfs meedogenloos was, maar ze hebben er – achteraf – alle begrip voor. Huet was een idealist die door middel van zijn harde oordelen werkte aan een betere toekomst voor zijn vaderland.
Laten we hem die credits dan meegeven. Praamstra heeft zijn best gedaan om de goede en minder goede kanten van Busken Huet evenwichtig voor het voetlicht te brengen en ik ben een hoop wijzer geworden over een mij nog onbekend tijdvak in de Nederlandse literatuur (ik ga hem zeker nog tegenkomen in de serie over de Nederlandse literatuur die ik aan het lezen ben). show less
Jun 27, 2026Dutch
Na wat boeken over Indonesië te hebben gelezen is de stap naar Een politieke biografie van Joseph Luns niet een heel grote. Deze bewindsman heeft zich immers in zijn rol van Minister van Buitenlandse Zaken intensief met Nieuw-Guinea beziggehouden. Albert Kersten schreef deze biografie en kreeg daarvoor toegang tot het omvangrijke persoonlijke archief van Luns.
Het is een kloek boek met ruim 620 pagina’s leeswerk en omdat het een politieke biografie is komt u weinig over de privépersoon Luns te weten. Of dat een groot gemis is weet ik niet, het leeuwendeel van zijn tijd besteedt de man aan zijn werk.
Joseph Luns wordt na zijn studententijd toegelaten tot de diplomatieke dienst en brengt de Tweede Wereldoorlog door als attaché in Bern, Lissabon en Londen. Daarna brengt hij enige tijd in New York door als Nederlands gezant bij de Verenigde Naties.
In 1952 wordt hij door Willem Drees benaderd voor een ministerspost van Buitenlandse Zaken, alleen moet hij die delen met Johan Willem Beyen. Een unicum in de Nederlandse politiek maar u voelt het al aan uw water, het wordt geen bijster groot succes. Na dit experiment voert Luns alleen de scepter op Buitenlandse Zaken en hij zal deze functie 19 jaar lang bekleden, een ander unicum.
In die functie krijgt hij te maken met tal van dossiers. Het Nieuw-Guineadossier bijvoorbeeld, waar hij zich ontpopt tot een voorstander van zelfbeschikking van de Papoea’s. Dat komt er niet van door de Amerikaanse druk (u kunt er hier meer over show more lezen). Er volgt een Russische inval in Hongarije en een Suez-crisis. Hij heeft te maken met de nasleep van de oorlog en regelt grensperikelen met Duitsland.
Maar er moet een Europa opgebouwd worden en waar hij zijn handen vol aan heeft is de dreigende Franse hegemonie op het continent. De EEG is een prima idee en Luns maakt zich sterk voor een Britse toetreding tot dat gremium, maar daar denkt president De Gaulle heel anders over. Aan de andere kant heeft Luns het vaak aan de stok met de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer die hij een iets te grote machtspoliticus vindt. Het is boeiend om getuige te zijn van al die ontmoetingen. Luns is professioneel genoeg om tegen die machtsblokken in te gaan als het moet, maar ook de samenwerking op te zoeken als het kan.
Luns weet hoe de hazen lopen en als hij in Rusland is maakt hij daar gebruik van;
Omdat hij ervan overtuigd was dat hij in het hotel werd afgeluisterd…zei hij gekscherend tegen zijn vrouw dat het hem was opgevallen hoe hartelijk de bevolking zich tegenover de leiders gedroeg. Na een korte pauze zei hij te verwachten bij het afscheid kaviaar als geschenk te krijgen. Hij kreeg vier blikken. Voor hem persoonlijk was daarmee het bezoek geslaagd.
Na zijn ministerschap gaat hij als secretaris-generaal van de NAVO aan de slag. Die functie bekleedt hij bijna 13 jaar lang en ook dat is weer een unicum. Daar krijgt hij het conflict tussen Turkije en Griekenland over Cyprus voor zijn kiezen en bemiddelt hij in een heuse Kabeljauwoorlog tussen Groot-Brittannië en IJsland. Het is opvallend om te lezen dat Luns zich sterk maakt voor een krachtige defensie in Europa en zich zorgen maakt over de krimpende defensiebudgetten per land. Landen komen hun verplichtingen jegens de NAVO slecht na, iets dat zich in deze tijd aan het wreken is. In zijn tijd als minister probeerde hij al nucleaire kennis naar Nederland te halen om een atoomonderzeeër te laten bouwen, maar dat liep even anders, getuige het heldere antwoord van de Amerikaanse admiraal Rickover;
‘So you are the man who since years has been weeping and crying for not having received an atomic submarine from us. I have therefore taken a lot of handkerchiefs with me in order to wipe your tears, because our assistance you will not get.’
Luns laat er zich niet door uit het veld slaan en blijft ijveren, zeker als secretaris-generaal, voor een nucleaire aanwezigheid in Europa, maar dan onder de paraplu van de Verenigde Staten.
Na dertien jaar en het voorzichtig zagen aan zijn stoelpoten draagt Luns de hamer over aan Lord Peter Carrington. Hij blijft lezingen geven zolang het gaat, doet televisieoptredens en adviseert gevraagd en ongevraagd, tot hij op 17 juli 2002 in Brussel overlijdt.
In deze biografie komt naar voren dat Joseph Luns een politicus van formaat is. Hij is goed in het opbouwen van een relatienetwerk en kan dat onderhouden. Hij is duidelijk, kan goed converseren in Engels en Frans (zijn Duits liet wat te wensen over) én hij zit nooit verlegen om een goed verhaal of een grap. Het heeft er vaak toe bijgedragen om het ijs te breken.
In het kader van zijn humor is zijn uitspraak naar Marga Klompé redelijk beroemd, die hem midden in de nacht ongerust belt over de Suez-crisis en wat de regering doet. Luns antwoordde laconiek en nuchter: ‘De regering slaapt.’
Luns is een conservatief en een nationalist. Hij is ook overtuigd van het belang van een sterk Europa, maar verliest nooit het belang van Nederland uit het oog. Hij is niet overtuigd van de slagkracht van de Verenigde Naties, maar gebruikt dat orgaan wel als het de Nederlandse belangen kan dienen. Nederland had zich wat dat betreft geen betere promotor kunnen wensen.
Aan de andere kant is een tikje ijdelheid Luns niet vreemd. Hij hecht sterk aan protocol en is gevoelig voor eerbewijzen. Hij gaat ronduit krampachtig om met het feit dat is aangetoond dat hij lid is geweest van de NSB. Hij komt met een vaag excuus dat zijn broer hem daarvoor heeft opgegeven (en blijkbaar dan drie jaar de contributie heeft betaald en alle blaadjes bij hem weggehouden). Terwijl hij het lidmaatschap gewoon had toe kunnen geven. Hij heeft er nooit actief aan deelgenomen en toen hij lid was, was de NSB nog niet de organisatie die het later werd, maar beijverde zich wel voor een sterk Nederland met een prima defensie en dat ligt in lijn met wat Luns altijd heeft beoogd.
Kortom, dit lijkt mij een vrij volledige politieke biografie die ik boeiend vind om te lezen. Kersten heeft oog voor de sterke kanten maar ook voor de blinde vlekken van Luns, maar onder de streep is het een politicus van formaat die het belang van Nederland altijd voorop heeft gesteld. De redactie had een tikje scherper gekund, want een paar anekdotes worden dubbel verteld. show less
Het is een kloek boek met ruim 620 pagina’s leeswerk en omdat het een politieke biografie is komt u weinig over de privépersoon Luns te weten. Of dat een groot gemis is weet ik niet, het leeuwendeel van zijn tijd besteedt de man aan zijn werk.
Joseph Luns wordt na zijn studententijd toegelaten tot de diplomatieke dienst en brengt de Tweede Wereldoorlog door als attaché in Bern, Lissabon en Londen. Daarna brengt hij enige tijd in New York door als Nederlands gezant bij de Verenigde Naties.
In 1952 wordt hij door Willem Drees benaderd voor een ministerspost van Buitenlandse Zaken, alleen moet hij die delen met Johan Willem Beyen. Een unicum in de Nederlandse politiek maar u voelt het al aan uw water, het wordt geen bijster groot succes. Na dit experiment voert Luns alleen de scepter op Buitenlandse Zaken en hij zal deze functie 19 jaar lang bekleden, een ander unicum.
In die functie krijgt hij te maken met tal van dossiers. Het Nieuw-Guineadossier bijvoorbeeld, waar hij zich ontpopt tot een voorstander van zelfbeschikking van de Papoea’s. Dat komt er niet van door de Amerikaanse druk (u kunt er hier meer over show more lezen). Er volgt een Russische inval in Hongarije en een Suez-crisis. Hij heeft te maken met de nasleep van de oorlog en regelt grensperikelen met Duitsland.
Maar er moet een Europa opgebouwd worden en waar hij zijn handen vol aan heeft is de dreigende Franse hegemonie op het continent. De EEG is een prima idee en Luns maakt zich sterk voor een Britse toetreding tot dat gremium, maar daar denkt president De Gaulle heel anders over. Aan de andere kant heeft Luns het vaak aan de stok met de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer die hij een iets te grote machtspoliticus vindt. Het is boeiend om getuige te zijn van al die ontmoetingen. Luns is professioneel genoeg om tegen die machtsblokken in te gaan als het moet, maar ook de samenwerking op te zoeken als het kan.
Luns weet hoe de hazen lopen en als hij in Rusland is maakt hij daar gebruik van;
Omdat hij ervan overtuigd was dat hij in het hotel werd afgeluisterd…zei hij gekscherend tegen zijn vrouw dat het hem was opgevallen hoe hartelijk de bevolking zich tegenover de leiders gedroeg. Na een korte pauze zei hij te verwachten bij het afscheid kaviaar als geschenk te krijgen. Hij kreeg vier blikken. Voor hem persoonlijk was daarmee het bezoek geslaagd.
Na zijn ministerschap gaat hij als secretaris-generaal van de NAVO aan de slag. Die functie bekleedt hij bijna 13 jaar lang en ook dat is weer een unicum. Daar krijgt hij het conflict tussen Turkije en Griekenland over Cyprus voor zijn kiezen en bemiddelt hij in een heuse Kabeljauwoorlog tussen Groot-Brittannië en IJsland. Het is opvallend om te lezen dat Luns zich sterk maakt voor een krachtige defensie in Europa en zich zorgen maakt over de krimpende defensiebudgetten per land. Landen komen hun verplichtingen jegens de NAVO slecht na, iets dat zich in deze tijd aan het wreken is. In zijn tijd als minister probeerde hij al nucleaire kennis naar Nederland te halen om een atoomonderzeeër te laten bouwen, maar dat liep even anders, getuige het heldere antwoord van de Amerikaanse admiraal Rickover;
‘So you are the man who since years has been weeping and crying for not having received an atomic submarine from us. I have therefore taken a lot of handkerchiefs with me in order to wipe your tears, because our assistance you will not get.’
Luns laat er zich niet door uit het veld slaan en blijft ijveren, zeker als secretaris-generaal, voor een nucleaire aanwezigheid in Europa, maar dan onder de paraplu van de Verenigde Staten.
Na dertien jaar en het voorzichtig zagen aan zijn stoelpoten draagt Luns de hamer over aan Lord Peter Carrington. Hij blijft lezingen geven zolang het gaat, doet televisieoptredens en adviseert gevraagd en ongevraagd, tot hij op 17 juli 2002 in Brussel overlijdt.
In deze biografie komt naar voren dat Joseph Luns een politicus van formaat is. Hij is goed in het opbouwen van een relatienetwerk en kan dat onderhouden. Hij is duidelijk, kan goed converseren in Engels en Frans (zijn Duits liet wat te wensen over) én hij zit nooit verlegen om een goed verhaal of een grap. Het heeft er vaak toe bijgedragen om het ijs te breken.
In het kader van zijn humor is zijn uitspraak naar Marga Klompé redelijk beroemd, die hem midden in de nacht ongerust belt over de Suez-crisis en wat de regering doet. Luns antwoordde laconiek en nuchter: ‘De regering slaapt.’
Luns is een conservatief en een nationalist. Hij is ook overtuigd van het belang van een sterk Europa, maar verliest nooit het belang van Nederland uit het oog. Hij is niet overtuigd van de slagkracht van de Verenigde Naties, maar gebruikt dat orgaan wel als het de Nederlandse belangen kan dienen. Nederland had zich wat dat betreft geen betere promotor kunnen wensen.
Aan de andere kant is een tikje ijdelheid Luns niet vreemd. Hij hecht sterk aan protocol en is gevoelig voor eerbewijzen. Hij gaat ronduit krampachtig om met het feit dat is aangetoond dat hij lid is geweest van de NSB. Hij komt met een vaag excuus dat zijn broer hem daarvoor heeft opgegeven (en blijkbaar dan drie jaar de contributie heeft betaald en alle blaadjes bij hem weggehouden). Terwijl hij het lidmaatschap gewoon had toe kunnen geven. Hij heeft er nooit actief aan deelgenomen en toen hij lid was, was de NSB nog niet de organisatie die het later werd, maar beijverde zich wel voor een sterk Nederland met een prima defensie en dat ligt in lijn met wat Luns altijd heeft beoogd.
Kortom, dit lijkt mij een vrij volledige politieke biografie die ik boeiend vind om te lezen. Kersten heeft oog voor de sterke kanten maar ook voor de blinde vlekken van Luns, maar onder de streep is het een politicus van formaat die het belang van Nederland altijd voorop heeft gesteld. De redactie had een tikje scherper gekund, want een paar anekdotes worden dubbel verteld. show less
Het lezen van de biografie van president Soekarno van Indonesië én het verhaal van de koloniale oorlogen in dat land geven al een aardig beeld van de geschiedenis van Indonesië. Om dat nog wat completer te maken wilde ik de biografie van president Soeharto, geschreven door Robert Elson, ook lezen.
Het is het verhaal van een man die niet direct voor het vak van president in de wieg leek gelegd. In zijn autobiografie doet hij zich voorkomen als een eenvoudige plattelandsjongen maar dat klopt niet helemaal. Hij is waarschijnlijk het onwettige kind van een dorpsbewoner van enig aanzien. Hij geniet onderwijs maar is geen hoogvlieger op school.
Wat wel voor hem openligt is het leger. Zijn militaire vorming krijgt hij bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger (KNIL) en de PETA, het door de Japanners gevormde vrijwilligersleger tijdens de Japanse bezetting. Tijdens de Nederlandse politionele acties zit Soeharto in het guerrilla-verzet.
Het is opvallend dat hij een bliksemcarrière maakt in het leger, iets dat met zijn relatief bescheiden opleiding een stuk moeilijker was geweest in het bedrijfsleven of als ambtenaar.
Zijn grote doorbraak komt na de couppoging van 1965. Hierbij worden een aantal hoge generaals vermoord en Soeharto stapt in het gat dat zo ontstaat, hij neemt de touwtjes stevig in handen. Er zijn volop speculaties waarom Soeharto niet tot de slachtoffers behoort en Elson werkt een aantal theorieën uit in zijn boek.
Het feit is dat Soeharto de kans grijpt om een show more grote anticommunistische zuiveringsactie te starten. De communistische partij PKI moet vernietigd worden en in het proces komen honderdduizenden mensen om. De huidige president Soekarno blijft voorlopig op zijn plek en Soeharto is zeer berekenend en wacht zijn kansen af.
Uiteindelijk is er geen houden aan en wordt Soeharto president. Hij neemt de Pancasila van Soekarno als uitgangspunt, de vijf zuilen die de staatsfilosofie van Indonesië vormen. Dat klinkt mooi, maar daar hoort een mate van vrijheid bij die door Soeharto zelf gedicteerd wordt;
‘De vrijheid van de mensen is geen absolute vrijheid, maar een vrijheid beperkt door maatschappelijke belangen.’
Daar komt bij dat zijn zakelijke belangen volgens hem de maatschappelijke belangen ook dienen. Corruptie wordt tot ongekende hoogte opgestuwd en zijn zes kinderen mogen zakelijk gezien hun goddelijke gang gaan. Zij handelen immers allen in belang van het land.
Het aantal politieke fracties wordt teruggebracht van dertien naar vier en zijn Golkar-partij wordt opgericht. Soeharto geeft daarvoor zijn ‘logische’ uitleg;
‘Als die ene weg er al is, wat moeten we dan met zoveel auto’s, liefst negen stuks? Waarom moet er zo ontzettend hard gereden worden waardoor botsingen niet uit kunnen blijven?…Zoveel voertuigen is helemaal niet nodig. Maar het is ook niet nodig om er maar één te hebben. Twee of drie, dat zou mooi zijn.’
Het is Soeharto ten voeten uit. Hij is geen alleenheerser maar houdt alles beheersbaar. Het is de man met de eeuwige glimlach die geen tegenspraak duldt.
Elson beschrijft in ruim 440 pagina’s hoe Soeharto tot aan zijn zevende termijn president kan blijven. Het is een man van relatief weinig scholing en erg regionaal georiënteerd (hij maakt op zijn veertigste zijn eerste buitenlandse reis) maar weet toch een zodanige machtsbasis op te bouwen dat hij ruim dertig jaar aan de macht blijft. Daar zijn een aantal redenen voor.
Geluk is er één van. Vaardigheden ook en een heel belangrijke. Soeharto omringt zich met de juiste experts en vergaart alle kennis op die hij nodig heeft, zoals over economie;
Hij ging geduldig zitten en zoog ijverig alles op wat ze hem vertelden over wisselkoersen, inflatie, betalingsbalansen, overschotten en tekorten en agrarische en industriële ontwikkeling. Een van hen vertelde me dat Soeharto in de eerste jaren alleen maar luisterde; met een Parker-balpen maakte hij aantekeningen op een dikke blocnote, terwijl zij maar doorpraatten.
Een andere vaardigheid is dat hij mensen aan zich kan verplichten. Verder is hij meedogenloos. Hij heeft talloze studentenopstanden bloedig neergeslagen net als de opstand op Oost-Timor. Tenslotte heeft hij een corporatistische staat gemaakt van Indonesië. Een staat waarin politieke partijen worden ontbonden en worden vervangen door politieke organisaties die het, al volledig uitgewerkte en beschreven, nationale belang moeten bevorderen. Tenslotte heeft Soeharto een indrukwekkend politiek en strategisch talent.
Daarmee heeft hij het nodige bereikt en ook daar gaat Elson uitgebreid op in. Zijn grootste erfenis is de buitengewone economische groei. Er zijn investeringen in infrastructuur, onderwijs en in industriële en agrarische ontwikkeling.
Toch slaat de economische groei op termijn om in een crisis. Voeg daarbij de ongebreidelde corruptie en het neerslaan van de protesten van hervormingsgezinden en dat alles maakt dat uiteindelijk ook Soeharto plaats moet maken voor zijn vice-president Habibie.
Elson schrijft een toegankelijke biografie waarin hij de opkomst en ondergang van Soeharto helder beschrijft. Hij eindigt zijn hoofdstukken met een soort conclusie waardoor de grote lijn goed vast te houden is. Onvermijdelijk, net als in de Soekarno-biografieën, is een stortvloed aan afkortingen van allerlei organisaties, maar daarvoor is een verklarende woordenlijst achterin het boek aanwezig.
Vertaling; Richard Kwakkel show less
Het is het verhaal van een man die niet direct voor het vak van president in de wieg leek gelegd. In zijn autobiografie doet hij zich voorkomen als een eenvoudige plattelandsjongen maar dat klopt niet helemaal. Hij is waarschijnlijk het onwettige kind van een dorpsbewoner van enig aanzien. Hij geniet onderwijs maar is geen hoogvlieger op school.
Wat wel voor hem openligt is het leger. Zijn militaire vorming krijgt hij bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger (KNIL) en de PETA, het door de Japanners gevormde vrijwilligersleger tijdens de Japanse bezetting. Tijdens de Nederlandse politionele acties zit Soeharto in het guerrilla-verzet.
Het is opvallend dat hij een bliksemcarrière maakt in het leger, iets dat met zijn relatief bescheiden opleiding een stuk moeilijker was geweest in het bedrijfsleven of als ambtenaar.
Zijn grote doorbraak komt na de couppoging van 1965. Hierbij worden een aantal hoge generaals vermoord en Soeharto stapt in het gat dat zo ontstaat, hij neemt de touwtjes stevig in handen. Er zijn volop speculaties waarom Soeharto niet tot de slachtoffers behoort en Elson werkt een aantal theorieën uit in zijn boek.
Het feit is dat Soeharto de kans grijpt om een show more grote anticommunistische zuiveringsactie te starten. De communistische partij PKI moet vernietigd worden en in het proces komen honderdduizenden mensen om. De huidige president Soekarno blijft voorlopig op zijn plek en Soeharto is zeer berekenend en wacht zijn kansen af.
Uiteindelijk is er geen houden aan en wordt Soeharto president. Hij neemt de Pancasila van Soekarno als uitgangspunt, de vijf zuilen die de staatsfilosofie van Indonesië vormen. Dat klinkt mooi, maar daar hoort een mate van vrijheid bij die door Soeharto zelf gedicteerd wordt;
‘De vrijheid van de mensen is geen absolute vrijheid, maar een vrijheid beperkt door maatschappelijke belangen.’
Daar komt bij dat zijn zakelijke belangen volgens hem de maatschappelijke belangen ook dienen. Corruptie wordt tot ongekende hoogte opgestuwd en zijn zes kinderen mogen zakelijk gezien hun goddelijke gang gaan. Zij handelen immers allen in belang van het land.
Het aantal politieke fracties wordt teruggebracht van dertien naar vier en zijn Golkar-partij wordt opgericht. Soeharto geeft daarvoor zijn ‘logische’ uitleg;
‘Als die ene weg er al is, wat moeten we dan met zoveel auto’s, liefst negen stuks? Waarom moet er zo ontzettend hard gereden worden waardoor botsingen niet uit kunnen blijven?…Zoveel voertuigen is helemaal niet nodig. Maar het is ook niet nodig om er maar één te hebben. Twee of drie, dat zou mooi zijn.’
Het is Soeharto ten voeten uit. Hij is geen alleenheerser maar houdt alles beheersbaar. Het is de man met de eeuwige glimlach die geen tegenspraak duldt.
Elson beschrijft in ruim 440 pagina’s hoe Soeharto tot aan zijn zevende termijn president kan blijven. Het is een man van relatief weinig scholing en erg regionaal georiënteerd (hij maakt op zijn veertigste zijn eerste buitenlandse reis) maar weet toch een zodanige machtsbasis op te bouwen dat hij ruim dertig jaar aan de macht blijft. Daar zijn een aantal redenen voor.
Geluk is er één van. Vaardigheden ook en een heel belangrijke. Soeharto omringt zich met de juiste experts en vergaart alle kennis op die hij nodig heeft, zoals over economie;
Hij ging geduldig zitten en zoog ijverig alles op wat ze hem vertelden over wisselkoersen, inflatie, betalingsbalansen, overschotten en tekorten en agrarische en industriële ontwikkeling. Een van hen vertelde me dat Soeharto in de eerste jaren alleen maar luisterde; met een Parker-balpen maakte hij aantekeningen op een dikke blocnote, terwijl zij maar doorpraatten.
Een andere vaardigheid is dat hij mensen aan zich kan verplichten. Verder is hij meedogenloos. Hij heeft talloze studentenopstanden bloedig neergeslagen net als de opstand op Oost-Timor. Tenslotte heeft hij een corporatistische staat gemaakt van Indonesië. Een staat waarin politieke partijen worden ontbonden en worden vervangen door politieke organisaties die het, al volledig uitgewerkte en beschreven, nationale belang moeten bevorderen. Tenslotte heeft Soeharto een indrukwekkend politiek en strategisch talent.
Daarmee heeft hij het nodige bereikt en ook daar gaat Elson uitgebreid op in. Zijn grootste erfenis is de buitengewone economische groei. Er zijn investeringen in infrastructuur, onderwijs en in industriële en agrarische ontwikkeling.
Toch slaat de economische groei op termijn om in een crisis. Voeg daarbij de ongebreidelde corruptie en het neerslaan van de protesten van hervormingsgezinden en dat alles maakt dat uiteindelijk ook Soeharto plaats moet maken voor zijn vice-president Habibie.
Elson schrijft een toegankelijke biografie waarin hij de opkomst en ondergang van Soeharto helder beschrijft. Hij eindigt zijn hoofdstukken met een soort conclusie waardoor de grote lijn goed vast te houden is. Onvermijdelijk, net als in de Soekarno-biografieën, is een stortvloed aan afkortingen van allerlei organisaties, maar daarvoor is een verklarende woordenlijst achterin het boek aanwezig.
Vertaling; Richard Kwakkel show less
Jun 3, 2026Dutch
1
Het lezen van een boek over de Javaanse prins Dipanagara deed journalist Piet Hagen zich afvragen hoeveel militaire confrontaties er in de loop der eeuwen zijn geweest tussen de koloniale mogendheden en hun Indonesische tegenstanders. Waarom en hoe werden die oorlogen gevoerd en hoeveel slachtoffers waren er?
Hij toog aan het werk, begon een lijst die gestaag groeide en het resultaat is een dik boek van ruim 900 pagina’s. De logische titel is Koloniale oorlogen in Indonesië.
Zet u zich schrap, want wat volgt is een onafzienbare opsomming van grote en kleine conflicten. Na een inleiding van de handelsstromen en assimilatie van bevolkingsgroepen tot aan 1500, begint de ellende aan het begin van de zestiende eeuw. Hagen verbloemt daarbij niets en maakt aan het einde van het boek de balans op. Hij neemt daarbij als uitgangspunt de woorden van een 17de-eeuwse vorst in Makassar:
“Wie gaf u het recht forten te bouwen in een land dat u niet toebehoort?”
Tot aan de komst van de eerste Europeanen kent Indonesië (dat nog lang niet zo heet) een lange geschiedenis van handel met een open karakter. Als de Portugezen in 1511 aankomen in Malakka is de eerste koloniale confrontatie een feit. De Spanjaarden laten niet lang op zich wachten en wat volgt is een felle concurrentiestrijd om de handel in specerijen.
Nederland is met de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de volgende grote speler. Admiraal Van der Haeghen heeft duidelijke instructies meegekregen om alle Spanjaarden en show more Portugezen ‘alle offensie aan te doen’ en hun schepen ‘te verdelgen, vernielen, in de brand of in de grond te schieten.’ U weet wellicht dat Jan Pieterszoon Coen later ook weinig scrupules kent. Zijn devies is ‘Geen handel zonder oorlog en geen oorlog zonder handel.’ De bevolking van de Banda-eilanden zal hiervan de gevolgen ondervinden, zij worden door Coen vermoord om het nootmuskaatmonopolie veilig te stellen.
Waar deze massamoord een bekend dieptepunt is, is dat zeker niet het enige. De kruidnagelteelt op Ambon heeft binnen dertig jaar meer levens gekost dan de volkerenmoord op Banda. Het wordt allemaal pijnlijk duidelijk in dit boek.
Hoewel de VOC ongekende winsten behaalt is het einde nabij als de Engelsen de wereldzeeën gaan beheersen. In de boedelscheiding wordt het Maleisisch schiereiland, inclusief Singapore, aan Engeland toegewezen en mag Nederland de Indonesische Archipel bestieren.
Dat is niet makkelijk voor zo’n relatief klein land. Er is een staand leger nodig en daarvoor wordt het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) opgericht. Prompt breekt de Java-oorlog uit tussen de inheemse vorstendommen Yogyakarta en Surakarta en Nederland. Hierin speelt prins Dipanagara een rol, u weet wel, de reden voor dit boek.
Het is ondoenlijk om alle confrontaties te benoemen, maar er zijn maar liefst vijf expedities naar Bali nodig om iets van gezag te verkrijgen. Ik laat voor het gemak de eerdere Javaanse successieoorlogen, de Padri-oorlog op West-Sumatra, de Banjarmasinoorlog op Kalimantan en de Aceh-oorlog op Sumatra maar even buiten beschouwing. Hagen licht ze allemaal uitvoering toe. Schrijnend zijn de ooggetuigenverslagen die Hagen in het boek opneemt, zoals van de latere minister-president Hendrik Colijn, die deelneemt aan de gevechten op Lombok als luitenant;
‘Ik heb negen vrouwen en drie kinderen die genade vroegen op één hoop moeten zetten en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.’
Dichter bij onze belevingswereld liggen de verhalen uit de Tweede Wereldoorlog en de Politionele Acties daarna. Ik las al de uitstekende studie van Rémy Limpach daarover, Hagen doet er ook uitgebreid verslag over.
Hagen geeft met dit boek een zeer compleet beeld van alle conflicten door de eeuwen heen. Daarmee heeft dit boek wel het karakter van een naslagwerk en ik vraag mij af hoeveel mensen dit van kaft tot kaft willen lezen. Zeker in het eerste deel van dit boek ontkomt Hagen niet aan een lange opsomming van conflicten met plaatselijke machthebbers om de handel veilig te stellen. Soms is het even doorbijten dus.
Hagen schetst wel een breder beeld dan de conflicten alleen. Hij heeft oog voor de handel, de rol van het bedrijfsleven en de regeringen en het Nederlandse koningshuis. Hij kijkt naar belangenverstrengelingen en hoofdrolspelers met dubbelfuncties.
Voor mij persoonlijk is het interessante materie omdat ik veel gereisd heb in die regio en veel plaatsen, ook kleinere plaatsen, mij bekend voorkomen omdat ik er geweest ben. Vaste lezers weten dat ik ook in West-Papoea ben geweest en uiteraard wordt ook aan die regio aandacht besteed. Hagen besluit met een chronologisch overzicht en korte beschrijving van zo’n 500 confrontaties tussen koloniale troepen enerzijds en Indonesische legers, strijdgroepen en religieuze of politieke bewegingen anderzijds. Die, en daarnaast nog vele andere conflicten, krijgen in het boek hun verdiende aandacht. show less
Hij toog aan het werk, begon een lijst die gestaag groeide en het resultaat is een dik boek van ruim 900 pagina’s. De logische titel is Koloniale oorlogen in Indonesië.
Zet u zich schrap, want wat volgt is een onafzienbare opsomming van grote en kleine conflicten. Na een inleiding van de handelsstromen en assimilatie van bevolkingsgroepen tot aan 1500, begint de ellende aan het begin van de zestiende eeuw. Hagen verbloemt daarbij niets en maakt aan het einde van het boek de balans op. Hij neemt daarbij als uitgangspunt de woorden van een 17de-eeuwse vorst in Makassar:
“Wie gaf u het recht forten te bouwen in een land dat u niet toebehoort?”
Tot aan de komst van de eerste Europeanen kent Indonesië (dat nog lang niet zo heet) een lange geschiedenis van handel met een open karakter. Als de Portugezen in 1511 aankomen in Malakka is de eerste koloniale confrontatie een feit. De Spanjaarden laten niet lang op zich wachten en wat volgt is een felle concurrentiestrijd om de handel in specerijen.
Nederland is met de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) de volgende grote speler. Admiraal Van der Haeghen heeft duidelijke instructies meegekregen om alle Spanjaarden en show more Portugezen ‘alle offensie aan te doen’ en hun schepen ‘te verdelgen, vernielen, in de brand of in de grond te schieten.’ U weet wellicht dat Jan Pieterszoon Coen later ook weinig scrupules kent. Zijn devies is ‘Geen handel zonder oorlog en geen oorlog zonder handel.’ De bevolking van de Banda-eilanden zal hiervan de gevolgen ondervinden, zij worden door Coen vermoord om het nootmuskaatmonopolie veilig te stellen.
Waar deze massamoord een bekend dieptepunt is, is dat zeker niet het enige. De kruidnagelteelt op Ambon heeft binnen dertig jaar meer levens gekost dan de volkerenmoord op Banda. Het wordt allemaal pijnlijk duidelijk in dit boek.
Hoewel de VOC ongekende winsten behaalt is het einde nabij als de Engelsen de wereldzeeën gaan beheersen. In de boedelscheiding wordt het Maleisisch schiereiland, inclusief Singapore, aan Engeland toegewezen en mag Nederland de Indonesische Archipel bestieren.
Dat is niet makkelijk voor zo’n relatief klein land. Er is een staand leger nodig en daarvoor wordt het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) opgericht. Prompt breekt de Java-oorlog uit tussen de inheemse vorstendommen Yogyakarta en Surakarta en Nederland. Hierin speelt prins Dipanagara een rol, u weet wel, de reden voor dit boek.
Het is ondoenlijk om alle confrontaties te benoemen, maar er zijn maar liefst vijf expedities naar Bali nodig om iets van gezag te verkrijgen. Ik laat voor het gemak de eerdere Javaanse successieoorlogen, de Padri-oorlog op West-Sumatra, de Banjarmasinoorlog op Kalimantan en de Aceh-oorlog op Sumatra maar even buiten beschouwing. Hagen licht ze allemaal uitvoering toe. Schrijnend zijn de ooggetuigenverslagen die Hagen in het boek opneemt, zoals van de latere minister-president Hendrik Colijn, die deelneemt aan de gevechten op Lombok als luitenant;
‘Ik heb negen vrouwen en drie kinderen die genade vroegen op één hoop moeten zetten en zo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.’
Dichter bij onze belevingswereld liggen de verhalen uit de Tweede Wereldoorlog en de Politionele Acties daarna. Ik las al de uitstekende studie van Rémy Limpach daarover, Hagen doet er ook uitgebreid verslag over.
Hagen geeft met dit boek een zeer compleet beeld van alle conflicten door de eeuwen heen. Daarmee heeft dit boek wel het karakter van een naslagwerk en ik vraag mij af hoeveel mensen dit van kaft tot kaft willen lezen. Zeker in het eerste deel van dit boek ontkomt Hagen niet aan een lange opsomming van conflicten met plaatselijke machthebbers om de handel veilig te stellen. Soms is het even doorbijten dus.
Hagen schetst wel een breder beeld dan de conflicten alleen. Hij heeft oog voor de handel, de rol van het bedrijfsleven en de regeringen en het Nederlandse koningshuis. Hij kijkt naar belangenverstrengelingen en hoofdrolspelers met dubbelfuncties.
Voor mij persoonlijk is het interessante materie omdat ik veel gereisd heb in die regio en veel plaatsen, ook kleinere plaatsen, mij bekend voorkomen omdat ik er geweest ben. Vaste lezers weten dat ik ook in West-Papoea ben geweest en uiteraard wordt ook aan die regio aandacht besteed. Hagen besluit met een chronologisch overzicht en korte beschrijving van zo’n 500 confrontaties tussen koloniale troepen enerzijds en Indonesische legers, strijdgroepen en religieuze of politieke bewegingen anderzijds. Die, en daarnaast nog vele andere conflicten, krijgen in het boek hun verdiende aandacht. show less
May 25, 2026Dutch
Als u het boek De Kruisvaarders van Dan Jones hebt gelezen, dan is De Tempeliers een prima aanvulling daarop. Het is het verhaal van de opkomst en ondergang van de tempelridders.
Eerst maar even duiden, want wat zijn tempeliers precies? Het zijn de leden van de Orde van de Tempel. Religieuze soldaten, mannen van het geloof en het zwaard, pelgrims, krijgers, armoedzaaiers en bankiers. Een bont gezelschap dus.
Tempeliers zijn een product van de kruistochten, daarom is het boek een mooie aanvulling op het boek daarover van Jones. Kruistochten dienen een nobel doel, zo dacht men, maar waren niet ongevaarlijk en, zo schrijft Jones;
Maar er was een grens aan het aantal lichamen dat redelijkerwijs langs de kant van de weg kon blijven liggen met een doorgesneden keel of door dieren verscheurd vlees.
Kortom, de orde wordt in 1119 opgericht ter bescherming van christelijke pelgrims in het Heilige Land.
Een van de grondleggers is de prediker Bernard van Clairvaux. Hij is betrokken bij de opstelling van de regels waaraan een tempelier zich dient te houden. In het kort; armoede, gehoorzaamheid en contemplatie. In de praktijk zijn er veel meer regels maar dat licht Jones allemaal zelf wel toe. Hoe een man van God toch met het zwaard mag moorden ligt in het subtiele verschil tussen homicide (het doden van een mens) en malicide (het doden van het kwaad zelf). U begrijpt dat de tempeliers zich uitsluitend met het laatste bezighouden.
Een ridderorde is mooi, maar kost ook geld. De eerste leider show more die grootmeester wordt genoemd is Hugo van Payns. Hij gaat fondsenwerven én gaat op zoek naar de pauselijke zegen voor zijn orde en beiden komen goed van de grond. Zo wordt het fundament gelegd voor de gloriejaren van de orde.
De orde wordt een factor van belang en voeren in wezen de tweede kruistocht aan. Daarvoor moet het goede voorbeeld gegeven worden en als tempelbroeder ga je vóór het gevecht in. Het is een schande om een formatie te doorbreken of te vluchten. Broeders die dat wel doen, raken hun paard kwijt en moeten te voet terugmarcheren. Die bereidheid om tot de laatste man door te vechten maken de orde tot een factor van betekenis.
Enige doublures met zijn boek over de kruistochten zijn onvermijdelijk maar dat geeft niet. Ook hier steekt Saladin, de Koerdische generaal en veroveraar van Jeruzalem de kop op. Jones focust op de tempelridders en hun strijd tegen Saladin. De ene grootmeester is de andere niet en grootmeester Gerard van Ridefort lijkt het een goed idee om met een paar honderd man een paar duizend man van Saladin te lijf te gaan. Die dappere maar onbesuisde actie pakt desastreus uit en leidt tot een grote nederlaag.
Toch zijn er ook grote successen en in 1219 nemen de tempeliers deel aan alweer de vijfde kruistocht. Ze staan op het hoogtepunt van hun macht. Jones;
Het was exact een eeuw geleden dat Hugo van Payns de Orde van de Arme Ridders van de Tempel van Salomo in Jeruzalem had gesticht. Maar de orde van armoedige herders op de pelgrimswegen, levend van voedsel en de kleding die ze van hun medepelgrims ontvingen, was in die honderd jaar veranderd in een grenzeloze, zichzelf bedruipende paramilitaire organisatie, gefinancierd uit het beheer van hun uitgestrekte landerijen en bezittingen.
Jones geeft aan dat de orde niet alleen uit ridders bestaat. Met name in Europa zijn het ook handelaren, rentmeesters, bankiers en talloze anderen die zorgen voor het beheer en de inkomsten van de bezittingen van de orde.
Succes leidt niet zelden tot afgunst en er staan twee vijanden op van de tempeliers. De Mammelukken en koning Filips IV. De Mammelukken hebben een regionaal belang en verslaan zelfs de Mongolen die huishouden in het Midden-Oosten. Ze zullen ook de kruisvaarders en daarmee de tempeliers uit de regio verdrijven.
Filips IV is een ander verhaal. Hij wil het gezag van het Franse koningshuis versterken en is afgunstig op de onafhankelijkheid en rijkdom van de tempeliers. Een afvallige tempelier, Esquin van Floyran, biedt Filips een mogelijkheid met zijn verhalen over onoorbaar gedrag en immorele praktijken van de tempeliers, met name gedurende de inwijdingsrituelen waarmee men in de orde wordt opgenomen.
Daarmee is de beer los en Filips laat talloze tempeliers arresteren, martelen en bekentenissen afnemen. De grootmeester Jacques van Molay wordt opgepakt en ook hij ontkomt niet aan de verhoren. Hij verklaart volgens de inquisiteur;
De genoemde ontvanger liet zich een bronzen kruis met daarop de beeltenis van de Gekruisigde brengen en zei en beval hem om Christus, wiens beeltenis daar was, te loochenen. Hij deed het tegen zijn wil. Daarna beval de genoemde ontvanger hem om erop te spugen, maar hij spuugde op de grond.
Het zou nog erger voor Molay worden. Hij bekent, krijgt absolutie maar trekt zijn bekentenissen later weer in. Dat wordt gezien als een terugval in ketterij en hij zal eindigen op de brandstapel. Daarmee eindigt ook het bestaan van de eens zo machtige Orde van de Tempel.
Jones spreekt in een epiloog nog over de vele complotten die er zijn over het voortbestaan van de orde, al of niet gevoed door boeken als De Slinger van Foucault van Umberto Eco of De Da Vinci Code van Dan Brown. Best vermakelijk maar hij verwijst het allemaal naar het rijk der fabelen. Het geeft wel aan dat de tempeliers ons blijven inspireren, amuseren en boeien en wellicht, zo betoogt, Jones, is dat hun ware erfenis.
Vertaling; Roelof Posthuma show less
Eerst maar even duiden, want wat zijn tempeliers precies? Het zijn de leden van de Orde van de Tempel. Religieuze soldaten, mannen van het geloof en het zwaard, pelgrims, krijgers, armoedzaaiers en bankiers. Een bont gezelschap dus.
Tempeliers zijn een product van de kruistochten, daarom is het boek een mooie aanvulling op het boek daarover van Jones. Kruistochten dienen een nobel doel, zo dacht men, maar waren niet ongevaarlijk en, zo schrijft Jones;
Maar er was een grens aan het aantal lichamen dat redelijkerwijs langs de kant van de weg kon blijven liggen met een doorgesneden keel of door dieren verscheurd vlees.
Kortom, de orde wordt in 1119 opgericht ter bescherming van christelijke pelgrims in het Heilige Land.
Een van de grondleggers is de prediker Bernard van Clairvaux. Hij is betrokken bij de opstelling van de regels waaraan een tempelier zich dient te houden. In het kort; armoede, gehoorzaamheid en contemplatie. In de praktijk zijn er veel meer regels maar dat licht Jones allemaal zelf wel toe. Hoe een man van God toch met het zwaard mag moorden ligt in het subtiele verschil tussen homicide (het doden van een mens) en malicide (het doden van het kwaad zelf). U begrijpt dat de tempeliers zich uitsluitend met het laatste bezighouden.
Een ridderorde is mooi, maar kost ook geld. De eerste leider show more die grootmeester wordt genoemd is Hugo van Payns. Hij gaat fondsenwerven én gaat op zoek naar de pauselijke zegen voor zijn orde en beiden komen goed van de grond. Zo wordt het fundament gelegd voor de gloriejaren van de orde.
De orde wordt een factor van belang en voeren in wezen de tweede kruistocht aan. Daarvoor moet het goede voorbeeld gegeven worden en als tempelbroeder ga je vóór het gevecht in. Het is een schande om een formatie te doorbreken of te vluchten. Broeders die dat wel doen, raken hun paard kwijt en moeten te voet terugmarcheren. Die bereidheid om tot de laatste man door te vechten maken de orde tot een factor van betekenis.
Enige doublures met zijn boek over de kruistochten zijn onvermijdelijk maar dat geeft niet. Ook hier steekt Saladin, de Koerdische generaal en veroveraar van Jeruzalem de kop op. Jones focust op de tempelridders en hun strijd tegen Saladin. De ene grootmeester is de andere niet en grootmeester Gerard van Ridefort lijkt het een goed idee om met een paar honderd man een paar duizend man van Saladin te lijf te gaan. Die dappere maar onbesuisde actie pakt desastreus uit en leidt tot een grote nederlaag.
Toch zijn er ook grote successen en in 1219 nemen de tempeliers deel aan alweer de vijfde kruistocht. Ze staan op het hoogtepunt van hun macht. Jones;
Het was exact een eeuw geleden dat Hugo van Payns de Orde van de Arme Ridders van de Tempel van Salomo in Jeruzalem had gesticht. Maar de orde van armoedige herders op de pelgrimswegen, levend van voedsel en de kleding die ze van hun medepelgrims ontvingen, was in die honderd jaar veranderd in een grenzeloze, zichzelf bedruipende paramilitaire organisatie, gefinancierd uit het beheer van hun uitgestrekte landerijen en bezittingen.
Jones geeft aan dat de orde niet alleen uit ridders bestaat. Met name in Europa zijn het ook handelaren, rentmeesters, bankiers en talloze anderen die zorgen voor het beheer en de inkomsten van de bezittingen van de orde.
Succes leidt niet zelden tot afgunst en er staan twee vijanden op van de tempeliers. De Mammelukken en koning Filips IV. De Mammelukken hebben een regionaal belang en verslaan zelfs de Mongolen die huishouden in het Midden-Oosten. Ze zullen ook de kruisvaarders en daarmee de tempeliers uit de regio verdrijven.
Filips IV is een ander verhaal. Hij wil het gezag van het Franse koningshuis versterken en is afgunstig op de onafhankelijkheid en rijkdom van de tempeliers. Een afvallige tempelier, Esquin van Floyran, biedt Filips een mogelijkheid met zijn verhalen over onoorbaar gedrag en immorele praktijken van de tempeliers, met name gedurende de inwijdingsrituelen waarmee men in de orde wordt opgenomen.
Daarmee is de beer los en Filips laat talloze tempeliers arresteren, martelen en bekentenissen afnemen. De grootmeester Jacques van Molay wordt opgepakt en ook hij ontkomt niet aan de verhoren. Hij verklaart volgens de inquisiteur;
De genoemde ontvanger liet zich een bronzen kruis met daarop de beeltenis van de Gekruisigde brengen en zei en beval hem om Christus, wiens beeltenis daar was, te loochenen. Hij deed het tegen zijn wil. Daarna beval de genoemde ontvanger hem om erop te spugen, maar hij spuugde op de grond.
Het zou nog erger voor Molay worden. Hij bekent, krijgt absolutie maar trekt zijn bekentenissen later weer in. Dat wordt gezien als een terugval in ketterij en hij zal eindigen op de brandstapel. Daarmee eindigt ook het bestaan van de eens zo machtige Orde van de Tempel.
Jones spreekt in een epiloog nog over de vele complotten die er zijn over het voortbestaan van de orde, al of niet gevoed door boeken als De Slinger van Foucault van Umberto Eco of De Da Vinci Code van Dan Brown. Best vermakelijk maar hij verwijst het allemaal naar het rijk der fabelen. Het geeft wel aan dat de tempeliers ons blijven inspireren, amuseren en boeien en wellicht, zo betoogt, Jones, is dat hun ware erfenis.
Vertaling; Roelof Posthuma show less
Behind Closed Doors en Talking with the Legends of Country Music van Alanna Nash zegt genoeg over de inhoud. Nash interviewt zevenentwintig grootheden uit de countrymuziek. Het is geen recent boek want het kwam uit in 1988. Dat heeft voor- en nadelen. Sommige artiesten hebben nog een heel leven na dit repertoire, anderen overlijden kort na het interview en heeft ze dus nog kunnen interviewen.
Het kan natuurlijk niet anders dat Nash volgens haar eigen genealogie waarschijnlijk afstamt van generaal Francis Nash, stichter van Fort Nashborough dat later de countryhoofdstad Nashville zal worden.
Waarom dit boek? Nash zegt daar zelf het volgende over;
Since country performers customarily create their music out of their own lives and experiences – and since country singers have traditionally come from working-class roots, allowing the auto mechanic of today to become the honky-tonk hero of tomorrow – it seemed obvious early on that these artists had a great deal to say about their art: how they come to write particular songs, what their triumphs and tragedies have been, and if they are happy in a life that seems so grand and unimaginable to almost everyone.
Nash interviewt beroemdheden als Dolly Parton, Emmylou Harris, Tammy Wynette, Merle Haggard, Willie Nelson en Loretta Lynn, maar ook artiesten die hier minder op de radar staan als Reba McIntire, Tom T. Hall, Ricky Scaggs, Mel Tillis en Minnie Pearl. Die laatste is overigens niet zozeer een zangeres als wel de beroemde show more comédienne van de Grand Ole Opry, het belangrijkste countrypodium ter wereld. Pearl is een instituut op zichzelf, ze is opgenomen in de Country Music Hall of Fame, kreeg een National Medal of Arts én heeft een eigen museum.
Nash is een onderhoudende interviewer die niet schuwt om de controverses aan te halen. Zo vraagt ze Tammy Wynette naar haar vermeende ontvoering en George Jones (die ook getrouwd was met Tammy Wynette) over zijn alcoholgebruik. Dat levert smeuïg materiaal op, maar gelukkig gaat het ook vaak over de muziek. Nash vraagt vaak hoe bepaalde nummers tot stand komen en het is mooi dat ze een paar van de pioniers van de country- en bluegrassmuziek nog heeft gesproken.
Zo is daar Roy Acuff, de ‘King of Country Music’. Een voorbeeld voor iedere countryartiest en één van de eersten die er een goede boterham uithaalde. Zelfs de grote Hank Williams leerde van hem. Nash spreekt ook met de patriarch van de bluegrass, Bill Monroe. Omdat iedereen in de familie al een instrument had uitgekozen, bleef voor hem de mandoline over. Prima, dacht Monroe, maar dan word ik wel de beste mandolinespeler ter wereld en door hem is dat instrument niet meer weg te denken uit de bluegrassmuziek. Leuk feitje, Monroe stamt zowel af van een Amerikaanse president als van Nederlandse voorouders.
Nash interviewt ook Charlie Pride, de Afro-Amerikaanse zanger die groot is geworden in de countrymuziek. Ze spreekt Marty Robbins, de zanger van veel gunfighterballads en die ooggetuige was van het vliegtuigongeluk waarbij countryzanger Jim Reeves omkwam. Het gesprek met zangeres Reba McIntire is informatief, maar wrang als je bedenkt dat niet lang daarna haar hele band en manager omkwamen bij (alweer) een vliegtuigongeluk. Ze schreef daarna het prachtige album For My Broken Heart.
Er valt genoeg te ontdekken in dit boek. Ik kende Mell Tillis niet, zijn hits wel. Hij schreef Ruby, Don’t Take Your Love to Town en Detroit City. Nash vraagt naar het ontstaan van Detroit City;
Q How did you get the inspiration for that song?
A Well, I was goin’ around singin’ the old song “The Sloop John B.,” and it has “I wanna go home / I wanna go home / Oh, I’m so
broke up / I wanna go home.” And I was singin’ that one day, and I had the idea…When I was in the Air Force, I had met guys
all over the world who said, “Boy, when I get out, I’m gonna head for Detroit”.
Dat gaat nog even door en Nash vraagt uitgebreid door bij alle artiesten over de muziek, de optredens en over hun plaats in de muziek. Zo vraagt ze Conway Twitty (met vijftig country hits op nummer 1);
Q If tomorrow nobody wanted to hear a Conway Twitty record anymore, could you be happy?
A Yeah, and I could understand that, you know.
Een kort voorbeeld, maar er wordt uitgebreid gesproken over de muziek en de plaats van de artiest daarin.
Ik heb ook ontdekkingen gedaan. De aangename harmonieën van de groep Alabama bijvoorbeeld en de prachtige stem van zangeres Lacy J. Dalton. U kunt met een gerust hart ieder album van haar opzetten. Ik heb instinctief wat tegen de pose van zanger David Allen Coe (opzichtige Rhinestone-outfits, voormalig gevangene, kletskous over dat hij in de dodencel heeft gezeten) maar zijn muziek; helemaal niks mis mee.
Al met al een erg informatief boek. De gesprekken zijn van even geleden. Steve Earle heeft net zijn debuutalbum Guitar Town uitgebracht, is nog jong en fris en moet nog een heel leven aan ups and downs meemaken. Moeder en dochter Judd hebben nog successen en weten nog niet dat moeder Judd uiteindelijk depressief een einde aan haar leven maakt. Willie Nelson is nog in de kracht van zijn leven en treedt anno nu nog steeds op met zijn 93 jaar. Misschien is het hoog tijd dat Alanna Nash weer een rondje langs de velden maakt. show less
Het kan natuurlijk niet anders dat Nash volgens haar eigen genealogie waarschijnlijk afstamt van generaal Francis Nash, stichter van Fort Nashborough dat later de countryhoofdstad Nashville zal worden.
Waarom dit boek? Nash zegt daar zelf het volgende over;
Since country performers customarily create their music out of their own lives and experiences – and since country singers have traditionally come from working-class roots, allowing the auto mechanic of today to become the honky-tonk hero of tomorrow – it seemed obvious early on that these artists had a great deal to say about their art: how they come to write particular songs, what their triumphs and tragedies have been, and if they are happy in a life that seems so grand and unimaginable to almost everyone.
Nash interviewt beroemdheden als Dolly Parton, Emmylou Harris, Tammy Wynette, Merle Haggard, Willie Nelson en Loretta Lynn, maar ook artiesten die hier minder op de radar staan als Reba McIntire, Tom T. Hall, Ricky Scaggs, Mel Tillis en Minnie Pearl. Die laatste is overigens niet zozeer een zangeres als wel de beroemde show more comédienne van de Grand Ole Opry, het belangrijkste countrypodium ter wereld. Pearl is een instituut op zichzelf, ze is opgenomen in de Country Music Hall of Fame, kreeg een National Medal of Arts én heeft een eigen museum.
Nash is een onderhoudende interviewer die niet schuwt om de controverses aan te halen. Zo vraagt ze Tammy Wynette naar haar vermeende ontvoering en George Jones (die ook getrouwd was met Tammy Wynette) over zijn alcoholgebruik. Dat levert smeuïg materiaal op, maar gelukkig gaat het ook vaak over de muziek. Nash vraagt vaak hoe bepaalde nummers tot stand komen en het is mooi dat ze een paar van de pioniers van de country- en bluegrassmuziek nog heeft gesproken.
Zo is daar Roy Acuff, de ‘King of Country Music’. Een voorbeeld voor iedere countryartiest en één van de eersten die er een goede boterham uithaalde. Zelfs de grote Hank Williams leerde van hem. Nash spreekt ook met de patriarch van de bluegrass, Bill Monroe. Omdat iedereen in de familie al een instrument had uitgekozen, bleef voor hem de mandoline over. Prima, dacht Monroe, maar dan word ik wel de beste mandolinespeler ter wereld en door hem is dat instrument niet meer weg te denken uit de bluegrassmuziek. Leuk feitje, Monroe stamt zowel af van een Amerikaanse president als van Nederlandse voorouders.
Nash interviewt ook Charlie Pride, de Afro-Amerikaanse zanger die groot is geworden in de countrymuziek. Ze spreekt Marty Robbins, de zanger van veel gunfighterballads en die ooggetuige was van het vliegtuigongeluk waarbij countryzanger Jim Reeves omkwam. Het gesprek met zangeres Reba McIntire is informatief, maar wrang als je bedenkt dat niet lang daarna haar hele band en manager omkwamen bij (alweer) een vliegtuigongeluk. Ze schreef daarna het prachtige album For My Broken Heart.
Er valt genoeg te ontdekken in dit boek. Ik kende Mell Tillis niet, zijn hits wel. Hij schreef Ruby, Don’t Take Your Love to Town en Detroit City. Nash vraagt naar het ontstaan van Detroit City;
Q How did you get the inspiration for that song?
A Well, I was goin’ around singin’ the old song “The Sloop John B.,” and it has “I wanna go home / I wanna go home / Oh, I’m so
broke up / I wanna go home.” And I was singin’ that one day, and I had the idea…When I was in the Air Force, I had met guys
all over the world who said, “Boy, when I get out, I’m gonna head for Detroit”.
Dat gaat nog even door en Nash vraagt uitgebreid door bij alle artiesten over de muziek, de optredens en over hun plaats in de muziek. Zo vraagt ze Conway Twitty (met vijftig country hits op nummer 1);
Q If tomorrow nobody wanted to hear a Conway Twitty record anymore, could you be happy?
A Yeah, and I could understand that, you know.
Een kort voorbeeld, maar er wordt uitgebreid gesproken over de muziek en de plaats van de artiest daarin.
Ik heb ook ontdekkingen gedaan. De aangename harmonieën van de groep Alabama bijvoorbeeld en de prachtige stem van zangeres Lacy J. Dalton. U kunt met een gerust hart ieder album van haar opzetten. Ik heb instinctief wat tegen de pose van zanger David Allen Coe (opzichtige Rhinestone-outfits, voormalig gevangene, kletskous over dat hij in de dodencel heeft gezeten) maar zijn muziek; helemaal niks mis mee.
Al met al een erg informatief boek. De gesprekken zijn van even geleden. Steve Earle heeft net zijn debuutalbum Guitar Town uitgebracht, is nog jong en fris en moet nog een heel leven aan ups and downs meemaken. Moeder en dochter Judd hebben nog successen en weten nog niet dat moeder Judd uiteindelijk depressief een einde aan haar leven maakt. Willie Nelson is nog in de kracht van zijn leven en treedt anno nu nog steeds op met zijn 93 jaar. Misschien is het hoog tijd dat Alanna Nash weer een rondje langs de velden maakt. show less
May 5, 2026Dutch
Hardcore Troubadour is de biografie van singer-songwriter Steve Earle (1955), geschreven door Lauren St. John. Het heeft als ondertitel The Life & Near Death of Steve Earle en daarmee is niets te veel gezegd. Ik kom erop terug.
Als hij opgroeit in San Antonio in Texas is Steve meer bezig met muziek dan met school. Het is een vroegwijs ventje dat er al vroeg uitgesproken politieke meningen op nahoudt. Als hij naar Nashville vertrekt komt hij in aanraking met artiesten als Townes van Zandt en Guy Clark. Hij heeft dezelfde ambitie en wordt eerst betaald songwriter, voor zijn grote doorbraak volgt met het album Guitar Town.
Dat album is belangrijk omdat er songs op staan in de traditionele countrytraditie, maar ook rocksongs. Daarmee zal Earle de ‘vader’ van de altcountry worden, een subgenre van de countrymuziek. Het album gaat ook in tegen Nashville als countryhoofdstad, met traditionele waarden als een godvrezende gemeenschap die familiewaarden hoog in het vaandel heeft staan. De auteur;
Guitar Town put a middle finger up to the establishment and its rebellion had weight because it wasn’t rebellion for the sake of it. It was about real people and real values and it used real music to send home a message that was concealed beneath a layer of catchy tunes and Duane Eddy guitar licks but was ultimately too powerful to be denied.
Het album is een succes, maar Earle heeft problemen. Hij is al aan zijn derde huwelijk toe. Hij is zwaar verslaafd aan drank en drugs en heeft een show more fascinatie voor wapens. Al die zaken brengen hem constant in de problemen. Hij raakt talloze keren betrokken bij levensgevaarlijke incidenten. Hij wordt beschoten en raakt gewond, komt in aanraking met justitie en bedriegt aan de lopende band zijn nieuwe partners. Hij moet constant uit de problemen gered worden en als dat gebeurt is er weinig dankbaarheid. Als zijn manager Will Botwin dreigt op te stappen toont hij weinig zelfreflectie;
“You know, from that point on I don’t think I ever trusted Will again because I just felt like people were bailing out on me when I was in trouble. Several people had bailed out on me and for him to do it too…I can understand it on one hand but I kinda thought that’s what managers were supposed to do, was deal with all that shit.”
Earle’s verslavingen nemen grootse vormen aan tot het zover komt dat hij te ziek is om op te treden. Hij verpandt gitaren en motoren om maar aan geld voor drugs te komen. Heroïne, cocaïne, crack en drank gaan er in grote hoeveelheden doorheen. Als zijn vrouw hem in een crackhuis vindt en dreigt hem te verlaten als hij niet meekomt, roept hij dat ze maar moet gaan. De bodem is bereikt en iedereen wacht op het fatale bericht van een ongeluk of overdosis.
Als Earle een tijd in de gevangenis moet doorbrengen gaat hij toch een afkickprogramma volgen. Dat houdt hij vol en uiteindelijk weet hij weer een album op te nemen dat nog succes heeft ook. Langzaamaan vindt hij de weg terug. Hij gaat weer optreden, onder meer met Townes van Zandt en Guy Clark en schrijft over zijn ervaringen. De drie hebben soortgelijke verhalen;
If the lyrics revealed their ragged biographies, the music showed how far they had all come and how true they had stayed to their visions. As Guy said, “If you wan’ good pearls, they’re gonna cost ya.”
Steve Earle maakt weer muziek en er volgen nog veel meer albums, zijn laatste dateert van 2022. Naar verluidt is hij nog steeds clean en schrijft hij over zijn ervaringen in het verleden.
Earle heeft ook uitgesproken politieke opvattingen. Hij is een verklaard tegenstander van landmijnen en van de doodstraf. Hij heeft ook gecorrespondeerd met terdoodveroordeelden. Hij heeft daardoor op verzoek van een van hen ook een executie bijgewoond en schreef er prachtige nummers over zoals Ellis Unit One.
Het gaat in dit boek gelukkig vaak over zijn muziek en het belang ervan. Niet alle albums worden besproken want het is in 2003 uitgekomen en sindsdien is er nog genoeg werk van hem uitgekomen; zo blijft er nog genoeg te ontdekken. Hoe het staat met zijn persoonlijke leven? Hij heeft zeven huwelijken achter de rug, waarvan twee met dezelfde vrouw. Hij heeft een zoon, Justin Townes Earle, en die is in dit boek nog volop met muziek bezig maar heeft ook zijn problemen. Hij zal in 2020 aan een overdosis overlijden. Steve Earle zelf gaat door. Op het moment van schrijven treedt hij later dit jaar in Nederland op. Hij kwam van heel ver, maar weet uiteindelijk een prachtige catalogus met mooie muziek op te bouwen. show less
Als hij opgroeit in San Antonio in Texas is Steve meer bezig met muziek dan met school. Het is een vroegwijs ventje dat er al vroeg uitgesproken politieke meningen op nahoudt. Als hij naar Nashville vertrekt komt hij in aanraking met artiesten als Townes van Zandt en Guy Clark. Hij heeft dezelfde ambitie en wordt eerst betaald songwriter, voor zijn grote doorbraak volgt met het album Guitar Town.
Dat album is belangrijk omdat er songs op staan in de traditionele countrytraditie, maar ook rocksongs. Daarmee zal Earle de ‘vader’ van de altcountry worden, een subgenre van de countrymuziek. Het album gaat ook in tegen Nashville als countryhoofdstad, met traditionele waarden als een godvrezende gemeenschap die familiewaarden hoog in het vaandel heeft staan. De auteur;
Guitar Town put a middle finger up to the establishment and its rebellion had weight because it wasn’t rebellion for the sake of it. It was about real people and real values and it used real music to send home a message that was concealed beneath a layer of catchy tunes and Duane Eddy guitar licks but was ultimately too powerful to be denied.
Het album is een succes, maar Earle heeft problemen. Hij is al aan zijn derde huwelijk toe. Hij is zwaar verslaafd aan drank en drugs en heeft een show more fascinatie voor wapens. Al die zaken brengen hem constant in de problemen. Hij raakt talloze keren betrokken bij levensgevaarlijke incidenten. Hij wordt beschoten en raakt gewond, komt in aanraking met justitie en bedriegt aan de lopende band zijn nieuwe partners. Hij moet constant uit de problemen gered worden en als dat gebeurt is er weinig dankbaarheid. Als zijn manager Will Botwin dreigt op te stappen toont hij weinig zelfreflectie;
“You know, from that point on I don’t think I ever trusted Will again because I just felt like people were bailing out on me when I was in trouble. Several people had bailed out on me and for him to do it too…I can understand it on one hand but I kinda thought that’s what managers were supposed to do, was deal with all that shit.”
Earle’s verslavingen nemen grootse vormen aan tot het zover komt dat hij te ziek is om op te treden. Hij verpandt gitaren en motoren om maar aan geld voor drugs te komen. Heroïne, cocaïne, crack en drank gaan er in grote hoeveelheden doorheen. Als zijn vrouw hem in een crackhuis vindt en dreigt hem te verlaten als hij niet meekomt, roept hij dat ze maar moet gaan. De bodem is bereikt en iedereen wacht op het fatale bericht van een ongeluk of overdosis.
Als Earle een tijd in de gevangenis moet doorbrengen gaat hij toch een afkickprogramma volgen. Dat houdt hij vol en uiteindelijk weet hij weer een album op te nemen dat nog succes heeft ook. Langzaamaan vindt hij de weg terug. Hij gaat weer optreden, onder meer met Townes van Zandt en Guy Clark en schrijft over zijn ervaringen. De drie hebben soortgelijke verhalen;
If the lyrics revealed their ragged biographies, the music showed how far they had all come and how true they had stayed to their visions. As Guy said, “If you wan’ good pearls, they’re gonna cost ya.”
Steve Earle maakt weer muziek en er volgen nog veel meer albums, zijn laatste dateert van 2022. Naar verluidt is hij nog steeds clean en schrijft hij over zijn ervaringen in het verleden.
Earle heeft ook uitgesproken politieke opvattingen. Hij is een verklaard tegenstander van landmijnen en van de doodstraf. Hij heeft ook gecorrespondeerd met terdoodveroordeelden. Hij heeft daardoor op verzoek van een van hen ook een executie bijgewoond en schreef er prachtige nummers over zoals Ellis Unit One.
Het gaat in dit boek gelukkig vaak over zijn muziek en het belang ervan. Niet alle albums worden besproken want het is in 2003 uitgekomen en sindsdien is er nog genoeg werk van hem uitgekomen; zo blijft er nog genoeg te ontdekken. Hoe het staat met zijn persoonlijke leven? Hij heeft zeven huwelijken achter de rug, waarvan twee met dezelfde vrouw. Hij heeft een zoon, Justin Townes Earle, en die is in dit boek nog volop met muziek bezig maar heeft ook zijn problemen. Hij zal in 2020 aan een overdosis overlijden. Steve Earle zelf gaat door. Op het moment van schrijven treedt hij later dit jaar in Nederland op. Hij kwam van heel ver, maar weet uiteindelijk een prachtige catalogus met mooie muziek op te bouwen. show less
Het plaatjesboek van Leo Blokhuis volgt hetzelfde recept als zijn boek Grijsgedraaid, dat ik hiervoor besprak. In dit geval worden er in krap 200 pagina’s zestien liedjes besproken. Waar komen ze vandaan en welke weg hebben ze afgelegd, wie hebben het nummer gezongen en er succes of juist geen succes mee gehad?
Het leuke aan dit boek is dat er een aantal ‘traditionals’ in zijn opgenomen. Liedjes die vaak uit de overlevering tot ons zijn gekomen en niet zelden zijn vastgelegd door folklorist en musicoloog Alan Lomax. Een voorbeeld daarvan is House of the Rising Sun wat een hit was voor The Animals. Lomax neemt in 1937 in de bergen van Kentucky een oerversie op van dat nummer, gezongen door de zestien jaar oude Georgia Turner. Vervolgens gaat het in covers de hele wereld over en worden er boeken vol geschreven over waar dat huis staat. En Georgia Turner?
In 1964, het jaar dat The Animals hun wereldhit scoren, is de als componiste aangemerkte Georgia Turner 43 jaar oud. Alan Lomax moet veel moeite doen om haar terug te vinden. Er zijn wat royalty’s te betalen. De vrouw heeft inmiddels tien kinderen, en zij ontvangt in totaal 117 dollar 50 voor haar aandeel in het lied. Volgens Lomax is het gekaapt door anderen. Een straatarme Georgia Turner overlijdt in 1969 op 48-jarige leeftijd aan een longziekte in Kentucky.
Een soortgelijke ‘tradtional’ is het nummer Whiskey in the Jar. Lena Bourne Fish zingt het in 1941 voor een microfoon maar kent het als Gilgarrah Mountain. show more Daarom weten we dat het van Ierse origine is en in Ierland wordt het teruggevonden als Whiskey in the Jar. Folkartiesten Peter, Paul & Mary zingen het, The Dubliners zingen het uiteraard en Thin Lizzy maakt er een al wat steviger versie van. Totdat Metallica er mee aan de haal gaat en er een Grammy Award mee wint voor best hard rock performance. Lena Bourne Fish is al in 1945 overleden, ze heeft nooit kunnen bevroeden wat haar ingezongen liedje heeft betekend.
Blokhuis bespreekt artiesten die geen gemeengoed meer zijn, zoals Arthur Alexander. Wie kent hem nog? Toch hebben The Beatles, The Rolling Stones, Bob Dylan, Janis Joplin, Otis Redding, Jerry Lee Lewis, Pearl Jam en Tina Turner materiaal van hem opgenomen. Een andere ‘vergeten’ grootheid is Jake Holmes. Zijn liedjes liggen qua stijl soms mijlenver uit elkaar. Zo schreef hij Her Song, dat u vast beter kent in de Nederlandse bewerking die gezongen wordt door Frans Halsema met de titel Voor haar. Een prachtig, maar zoet nummer. Diezelfde Holmes schreef ook het door Led Zeppelin grootgemaakte nummer Dazed and Confused. Nogal een verschil. Overigens schreef Holmes ook reclamejingles en bracht ons de klassieker Gillette, The Best A Man Can Get. Die wilde ik u toch niet onthouden.
Zo rent Blokhuis vrolijk door de popgeschiedenis en komt uit bij Wild Thing van The Troggs. Dat is een oernummer natuurlijk en gaat u vooral over het ontstaan in dit boek lezen. The Troggs hebben er een hit mee, maar Blokhuis wijst op de definitieve versie van Jimi Hendrix op het Monterey festival, waar hij na afloop zijn gitaar in brand steekt. Prachtig natuurlijk en op YouTube snel te vinden, maar laat u niet misleiden door wat Blokhuis noemt ‘de totale verbijstering van de close gefilmde meisjes’, want die worden overdag gefilmd terwijl het optreden van Hendrix in het ’s avonds in het donker plaatsvindt.
Ik was al erg te spreken over het nummer The Dark End Of The Street van James Carr en Blokhuis gaat er dieper op in. Het is een liedje over vreemdgaan en daar zijn ook talloze covers van gemaakt. Blokhuis is prettig kritisch want vreemdgaan is niet niks en gaat gepaard met schuld, verdriet, spanning en wat al niet. De juiste emotie is dus geboden. Voor mij is die van Carr de definitieve versie, gevolgd door die van de Flying Burrito Brothers op hun album The Gilded Palace of Sin. Vooruit, de versie van Dolly Parton en Porter Wagoner kan er ook mee door, maar wat Lee Hazlewood en Ann-Margret Olsson ervan maken;
De stem van Hazlewood bromt vanuit de diepte, van hem geloof je dat hij de donkere kant van de straat gezien heeft. In humoristisch contrast komt Ann-Margret na twee regels binnenzeilen alsof ze zojuist van de schommel is gevallen. Jubelend werkt ze zich door het lied, Lee lijkt nog een poging tot geloofwaardigheid te doen, maar Hazlewood blijkt opnieuw een duo te hebben geformeerd dat mengt als water en olie.
Er is nog veel meer de moeite waard. You’ll Never Walk Alone, het volkslied van de voetbalclub Liverpool dat uit de musical Carousel komt en dat door Mahalia Jackson en Aretha Franklin tot grote hoogte wordt verheven. Het nummer Oh! Susanna kende al weinig geheimen voor mij omdat ik dat eerder al eens besprak maar Blokhuis geeft natuurlijk veel meer achtergrondinformatie. Verder dacht u niet echt dat Boney M als eerste met By The Rivers Of Babylon was gekomen toch? Het komt uit psalm 137 en domineeszoon Blokhuis laat zien hoe het toch de weg aflegde naar producer Frank Farian en Boney M.
Het zijn stuk voor stuk afwisselende verhalen, weer afgewisseld met lijstjes als de tien beste poppianisten, beste gitaristen, meest verboden rifjes in de gitaarwinkel, beste intro’s, mooiste begrafenisliedjes (waarvan The Water is Wide door James Taylor de hele dag in mijn hoofd bleef zitten), de grootste vergissingen in de popmuziek enzovoort. Het boek is snel gelezen, maar er is genoeg uit te halen dus wat mij betreft mag Blokhuis lekker doorgaan met zijn muziekboeken. Overigens wordt ook bij dit boek een cd geleverd met een relevant nummer per hoofdstuk. show less
Het leuke aan dit boek is dat er een aantal ‘traditionals’ in zijn opgenomen. Liedjes die vaak uit de overlevering tot ons zijn gekomen en niet zelden zijn vastgelegd door folklorist en musicoloog Alan Lomax. Een voorbeeld daarvan is House of the Rising Sun wat een hit was voor The Animals. Lomax neemt in 1937 in de bergen van Kentucky een oerversie op van dat nummer, gezongen door de zestien jaar oude Georgia Turner. Vervolgens gaat het in covers de hele wereld over en worden er boeken vol geschreven over waar dat huis staat. En Georgia Turner?
In 1964, het jaar dat The Animals hun wereldhit scoren, is de als componiste aangemerkte Georgia Turner 43 jaar oud. Alan Lomax moet veel moeite doen om haar terug te vinden. Er zijn wat royalty’s te betalen. De vrouw heeft inmiddels tien kinderen, en zij ontvangt in totaal 117 dollar 50 voor haar aandeel in het lied. Volgens Lomax is het gekaapt door anderen. Een straatarme Georgia Turner overlijdt in 1969 op 48-jarige leeftijd aan een longziekte in Kentucky.
Een soortgelijke ‘tradtional’ is het nummer Whiskey in the Jar. Lena Bourne Fish zingt het in 1941 voor een microfoon maar kent het als Gilgarrah Mountain. show more Daarom weten we dat het van Ierse origine is en in Ierland wordt het teruggevonden als Whiskey in the Jar. Folkartiesten Peter, Paul & Mary zingen het, The Dubliners zingen het uiteraard en Thin Lizzy maakt er een al wat steviger versie van. Totdat Metallica er mee aan de haal gaat en er een Grammy Award mee wint voor best hard rock performance. Lena Bourne Fish is al in 1945 overleden, ze heeft nooit kunnen bevroeden wat haar ingezongen liedje heeft betekend.
Blokhuis bespreekt artiesten die geen gemeengoed meer zijn, zoals Arthur Alexander. Wie kent hem nog? Toch hebben The Beatles, The Rolling Stones, Bob Dylan, Janis Joplin, Otis Redding, Jerry Lee Lewis, Pearl Jam en Tina Turner materiaal van hem opgenomen. Een andere ‘vergeten’ grootheid is Jake Holmes. Zijn liedjes liggen qua stijl soms mijlenver uit elkaar. Zo schreef hij Her Song, dat u vast beter kent in de Nederlandse bewerking die gezongen wordt door Frans Halsema met de titel Voor haar. Een prachtig, maar zoet nummer. Diezelfde Holmes schreef ook het door Led Zeppelin grootgemaakte nummer Dazed and Confused. Nogal een verschil. Overigens schreef Holmes ook reclamejingles en bracht ons de klassieker Gillette, The Best A Man Can Get. Die wilde ik u toch niet onthouden.
Zo rent Blokhuis vrolijk door de popgeschiedenis en komt uit bij Wild Thing van The Troggs. Dat is een oernummer natuurlijk en gaat u vooral over het ontstaan in dit boek lezen. The Troggs hebben er een hit mee, maar Blokhuis wijst op de definitieve versie van Jimi Hendrix op het Monterey festival, waar hij na afloop zijn gitaar in brand steekt. Prachtig natuurlijk en op YouTube snel te vinden, maar laat u niet misleiden door wat Blokhuis noemt ‘de totale verbijstering van de close gefilmde meisjes’, want die worden overdag gefilmd terwijl het optreden van Hendrix in het ’s avonds in het donker plaatsvindt.
Ik was al erg te spreken over het nummer The Dark End Of The Street van James Carr en Blokhuis gaat er dieper op in. Het is een liedje over vreemdgaan en daar zijn ook talloze covers van gemaakt. Blokhuis is prettig kritisch want vreemdgaan is niet niks en gaat gepaard met schuld, verdriet, spanning en wat al niet. De juiste emotie is dus geboden. Voor mij is die van Carr de definitieve versie, gevolgd door die van de Flying Burrito Brothers op hun album The Gilded Palace of Sin. Vooruit, de versie van Dolly Parton en Porter Wagoner kan er ook mee door, maar wat Lee Hazlewood en Ann-Margret Olsson ervan maken;
De stem van Hazlewood bromt vanuit de diepte, van hem geloof je dat hij de donkere kant van de straat gezien heeft. In humoristisch contrast komt Ann-Margret na twee regels binnenzeilen alsof ze zojuist van de schommel is gevallen. Jubelend werkt ze zich door het lied, Lee lijkt nog een poging tot geloofwaardigheid te doen, maar Hazlewood blijkt opnieuw een duo te hebben geformeerd dat mengt als water en olie.
Er is nog veel meer de moeite waard. You’ll Never Walk Alone, het volkslied van de voetbalclub Liverpool dat uit de musical Carousel komt en dat door Mahalia Jackson en Aretha Franklin tot grote hoogte wordt verheven. Het nummer Oh! Susanna kende al weinig geheimen voor mij omdat ik dat eerder al eens besprak maar Blokhuis geeft natuurlijk veel meer achtergrondinformatie. Verder dacht u niet echt dat Boney M als eerste met By The Rivers Of Babylon was gekomen toch? Het komt uit psalm 137 en domineeszoon Blokhuis laat zien hoe het toch de weg aflegde naar producer Frank Farian en Boney M.
Het zijn stuk voor stuk afwisselende verhalen, weer afgewisseld met lijstjes als de tien beste poppianisten, beste gitaristen, meest verboden rifjes in de gitaarwinkel, beste intro’s, mooiste begrafenisliedjes (waarvan The Water is Wide door James Taylor de hele dag in mijn hoofd bleef zitten), de grootste vergissingen in de popmuziek enzovoort. Het boek is snel gelezen, maar er is genoeg uit te halen dus wat mij betreft mag Blokhuis lekker doorgaan met zijn muziekboeken. Overigens wordt ook bij dit boek een cd geleverd met een relevant nummer per hoofdstuk. show less
Ik las al eens een boek van onze nationale ‘popprofessor’ Leo Blokhuis en dat beviel mij goed. Daarom pikte ik laatst zijn twee eerste boekjes mee, waarin hij de oorsprong van een aantal bekende nummers bespreekt. De eerste van dit tweetal heet Grijsgedraaid.
Je kan niet plompverloren beginnen met bespreken dus er is een voorwoord waarin Blokhuis kort aangeeft hoe hij tot dit boekje (we tellen slechts 165 pagina’s met veel fotowerk) is gekomen;
Ik verzamel liedjes. Ik hou heel veel van liedjes. En het liefst liedjes met een mooi verhaal. Waar komen ze vandaan? Wie schreef ze en waarom? Hoe kwamen ze bij die bekende artiest terecht? En wat hebben ze in zijn of haar oeuvre betekend? Dat zijn de verhalen die de popmuziek voor mij tot leven brengen.
Daarom stelt hij vijftien liedjes aan ons voor. Na afloop, maar dan moet u wel even alle versies die hij bespreekt beluisteren, hebben die liedjes zich in uw luistergeheugen genesteld. De bijgevoegde cd helpt daarbij, want daar staan zijn favorieten natuurlijk op.
Hij trapt af met het nummer Blackbird van The Beatles. Daar was ik al eens ingedoken zoals u hier kunt lezen. Blokhuis waaiert prettig uit dus heeft het hier ook over Ray Charles en Billy Preston (u weet wel, de ‘vijfde’ Beatle) en ik moet even lachen als ik lees;
Ray Charles verklaarde, nadat hij Preston had gezien, nooit meer orgel te spelen.
Dat lijkt mij toch vrij stug, maar dat terzijde.
Erg interessant is het ontstaan van de Jimi Hendrix-hit Hey Joe. Of show more folkzanger Billy Roberts heeft het geschreven, of toch Dino Valenti en dan is er Tim Rose die het nummer opneemt en zichzelf als componist opvoert, omdat hij zegt dat hij het uit verschillende traditionals heeft samengesteld. Het nummer is talloze malen gecoverd en op deze site wordt bijgehouden hoe vaak; we zitten op meer dan 1800 versies.
U kent wellicht Love Hurts van de groep Nazareth. Die schreven het natuurlijk niet, dat deden Boudleaux en Felice Bryant. Zij schreven een pak hits voor The Everly Brothers, waaronder dit nummer. Voordat het bij Nazareth uitkwam waren er nog wat tussenstops, waarvan de uitvoering van Gram Parsons en Emmylou Harris mijn favoriet is.
Zo loodst Blokhuis u langs de nummers en het moet gezegd, hij wijst mij op prachtige versies van bekende nummers. U wilt Need Your Love So Bad horen in de uitvoering van Little Willie John. U wilt ook Nobody Knows You When You’re Down and Out horen door Otis Redding. Zelfs Sam Cooke en Eric Clapton moeten hier even op de reservebank plaatsnemen.
Blokhuis geeft ook duidelijk aan als hij niet te spreken is over een cover. Without You is door de groep Badfinger de wereld in gebracht, door Harry Nilsson bekend geworden en door Mariah Carey groot gemaakt. Maar dat laatste zint Blokhuis niet;
De prachtige melodielijn wordt kapotversierd en in het refrein krijst zij zich melodramatisch naar een treurig hoogtepunt. Mariah Careys ‘Without You’ is het beste voorbeeld van wat er misgaat met de vocalisten in de jaren negentig: zangtechniek wint van emotie, uit de r&b overgenomen versieringen dansen nodeloos ingewikkeld om de oorspronkelijke melodie heen.
Vervolgens komt Blokhuis met een lijstje met de tien ergste covers (overigens ook een lijstje met de tien beste). Die lijstjes staan ook door het hele boek heen. De tien beste roadsongs, powerballads, Franse liedjes, protestsongs, stemmen enzovoort. Volkomen voor discussie vatbaar, wel leuk.
Er staan zowaar liedjes in waar ik minder bekend mee ben. Rocket 88 gaat over het begin van de rock ‘n roll en dat nummer is geschreven door Ike Turner. Nu heb ik Chuck Berry, Little Richard en cum suis in het hoofd zitten als de aartsvaders van de rock ’n roll, maar soulbrother Ike Turner stond niet per se in dat rijtje. Little Richard is er vrij duidelijk over;
‘Als mensen het over rock & roll hebben, dan praten ze over Chuck Berry, over Fats Domino, over Little Richard. Maar ze vergeten altijd de belangrijkste. Dat is niet Chuck Berry. Niet Fats Domino. Niet Little Richard. Wij kwamen allemaal later. Vóór al deze mensen was daar Ike Turner. Hij is de uitvinder.’
Een andere onbekende voor mij is het nummer Lilac Wine. Laat u de oorsprong maar uitleggen door Blokhuis, gaat u vooral luisteren naar de uitvoering van Nina Simone, wat een prachtig nummer is dát. Daarna om af te kicken nog de gevoelige versie van Jeff Buckley, dat op zijn enige album Grace staat en u kunt er weer even tegenaan.
Laat u vervolgens nog even meenemen door het verhaal van de Beach Boys klassieker Sloop John B (luister vooral ook de versie van Johnny Cash) en dan nog even over My Way, dat natuurlijk een Franse oorsprong heeft en waar David Bowie zich ook nog even tegenaan bemoeid heeft, ik schreef er hier al eens over.
Sommige zaken in dit boek waren mij bekend, maar de professor heeft mij toch een aantal mooie tips gegeven. We verklappen niet dat hij veel informatie put uit dit onmisbare boek over de oorsprong van al die nummers (dat hij overigens keurig vermeldt in de bronnen hoor). show less
Je kan niet plompverloren beginnen met bespreken dus er is een voorwoord waarin Blokhuis kort aangeeft hoe hij tot dit boekje (we tellen slechts 165 pagina’s met veel fotowerk) is gekomen;
Ik verzamel liedjes. Ik hou heel veel van liedjes. En het liefst liedjes met een mooi verhaal. Waar komen ze vandaan? Wie schreef ze en waarom? Hoe kwamen ze bij die bekende artiest terecht? En wat hebben ze in zijn of haar oeuvre betekend? Dat zijn de verhalen die de popmuziek voor mij tot leven brengen.
Daarom stelt hij vijftien liedjes aan ons voor. Na afloop, maar dan moet u wel even alle versies die hij bespreekt beluisteren, hebben die liedjes zich in uw luistergeheugen genesteld. De bijgevoegde cd helpt daarbij, want daar staan zijn favorieten natuurlijk op.
Hij trapt af met het nummer Blackbird van The Beatles. Daar was ik al eens ingedoken zoals u hier kunt lezen. Blokhuis waaiert prettig uit dus heeft het hier ook over Ray Charles en Billy Preston (u weet wel, de ‘vijfde’ Beatle) en ik moet even lachen als ik lees;
Ray Charles verklaarde, nadat hij Preston had gezien, nooit meer orgel te spelen.
Dat lijkt mij toch vrij stug, maar dat terzijde.
Erg interessant is het ontstaan van de Jimi Hendrix-hit Hey Joe. Of show more folkzanger Billy Roberts heeft het geschreven, of toch Dino Valenti en dan is er Tim Rose die het nummer opneemt en zichzelf als componist opvoert, omdat hij zegt dat hij het uit verschillende traditionals heeft samengesteld. Het nummer is talloze malen gecoverd en op deze site wordt bijgehouden hoe vaak; we zitten op meer dan 1800 versies.
U kent wellicht Love Hurts van de groep Nazareth. Die schreven het natuurlijk niet, dat deden Boudleaux en Felice Bryant. Zij schreven een pak hits voor The Everly Brothers, waaronder dit nummer. Voordat het bij Nazareth uitkwam waren er nog wat tussenstops, waarvan de uitvoering van Gram Parsons en Emmylou Harris mijn favoriet is.
Zo loodst Blokhuis u langs de nummers en het moet gezegd, hij wijst mij op prachtige versies van bekende nummers. U wilt Need Your Love So Bad horen in de uitvoering van Little Willie John. U wilt ook Nobody Knows You When You’re Down and Out horen door Otis Redding. Zelfs Sam Cooke en Eric Clapton moeten hier even op de reservebank plaatsnemen.
Blokhuis geeft ook duidelijk aan als hij niet te spreken is over een cover. Without You is door de groep Badfinger de wereld in gebracht, door Harry Nilsson bekend geworden en door Mariah Carey groot gemaakt. Maar dat laatste zint Blokhuis niet;
De prachtige melodielijn wordt kapotversierd en in het refrein krijst zij zich melodramatisch naar een treurig hoogtepunt. Mariah Careys ‘Without You’ is het beste voorbeeld van wat er misgaat met de vocalisten in de jaren negentig: zangtechniek wint van emotie, uit de r&b overgenomen versieringen dansen nodeloos ingewikkeld om de oorspronkelijke melodie heen.
Vervolgens komt Blokhuis met een lijstje met de tien ergste covers (overigens ook een lijstje met de tien beste). Die lijstjes staan ook door het hele boek heen. De tien beste roadsongs, powerballads, Franse liedjes, protestsongs, stemmen enzovoort. Volkomen voor discussie vatbaar, wel leuk.
Er staan zowaar liedjes in waar ik minder bekend mee ben. Rocket 88 gaat over het begin van de rock ‘n roll en dat nummer is geschreven door Ike Turner. Nu heb ik Chuck Berry, Little Richard en cum suis in het hoofd zitten als de aartsvaders van de rock ’n roll, maar soulbrother Ike Turner stond niet per se in dat rijtje. Little Richard is er vrij duidelijk over;
‘Als mensen het over rock & roll hebben, dan praten ze over Chuck Berry, over Fats Domino, over Little Richard. Maar ze vergeten altijd de belangrijkste. Dat is niet Chuck Berry. Niet Fats Domino. Niet Little Richard. Wij kwamen allemaal later. Vóór al deze mensen was daar Ike Turner. Hij is de uitvinder.’
Een andere onbekende voor mij is het nummer Lilac Wine. Laat u de oorsprong maar uitleggen door Blokhuis, gaat u vooral luisteren naar de uitvoering van Nina Simone, wat een prachtig nummer is dát. Daarna om af te kicken nog de gevoelige versie van Jeff Buckley, dat op zijn enige album Grace staat en u kunt er weer even tegenaan.
Laat u vervolgens nog even meenemen door het verhaal van de Beach Boys klassieker Sloop John B (luister vooral ook de versie van Johnny Cash) en dan nog even over My Way, dat natuurlijk een Franse oorsprong heeft en waar David Bowie zich ook nog even tegenaan bemoeid heeft, ik schreef er hier al eens over.
Sommige zaken in dit boek waren mij bekend, maar de professor heeft mij toch een aantal mooie tips gegeven. We verklappen niet dat hij veel informatie put uit dit onmisbare boek over de oorsprong van al die nummers (dat hij overigens keurig vermeldt in de bronnen hoor). show less
Ik kocht Mijn muziek van popjournalist en VPRO-diskjockey Jan Donkers voor luttele euri in een antiquariaat. Een boek uit 2006 en zonder de blijkbaar bijbehorende cd en dan hoop je dat het goed uitpakt. Nu, dat doet het.
Met vierenveertig hoofdstukken in 266 pagina’s snapt u dat het geen grote hoofdstukken zijn, maar de artiesten en onderwerpen spreken mij toevallig aan. Daar komt bij dat Donkers een lange staat van dienst heeft, soms op de juiste plaats op het juiste moment is en dan heb je ineens een onderhoudend boek waar veel uit te halen is.
Allereerst gaat hij op zoek naar wat ‘Americana’ nou is, toevallig een genre waarvan ik nu veel beluister. Vervolgens sleurt Donkers een hele stoet aan artiesten voor het voetlicht die ik niet of nauwelijks ken, of waarvan ik nog beschamend weinig beluisterd heb.
Kent u Dan Bern? Een zanger met Litouwse roots en daar schrijft hij een prachtig nummer over, Lithuania. Maar Bern schrijft over veel meer. Over abortus, kapitalisme, Afghanistan, hennep, John McEnroe, Cuba, Madonna, Muhammed Ali, Brad Pitt, marsmannetjes en Monika Lewinsky bijvoorbeeld. In één liedje, overigens. Donkers verbloemt zijn enthousiasme niet, bijvoorbeeld over Bern’s album My Country II;
Het is een plaat die me bijna tot tranen roert. Zo hoort muziek te zijn, zo hoort Amerika te zijn, zo hoort Amerikaanse muziek te zijn, opstandig, oneerbiedig, elementair en eerlijk.
Ik houd daarvan, het laat mij naar nieuwe muziek luisteren. Zo maak ik kennis met de show more prima albums Leftovers van The Bottle Rockets en Roadmaster van de ex-Byrd Gene Clark. Donkers wisselt het af met persoonlijke verhalen, zoals toen hij, als nachtdeejay in Austin, Texas, met enige regelmaat ene George W. Bush aan de lijn had, die toen uiteraard nog bekend moest worden.
Donkers krijgt het zelfs voor elkaar mij te doen overwegen een album aan mijn collectie toe te voegen van Dion and the Belmonts. U kent ze wellicht van hits als Runaround Sue en The Wanderer maar die wilt u echt horen op hun live-album Reunion, Live at Madison Square Garden 1972 met een uitzinnig publiek op de achtergrond.
Donkers geeft een band als The Grateful Dead maar één pagina en verwijst slim naar een ander boek van hem voor meer informatie, maar kenschetst ‘de beroerdste band met de trouwste supportersschare’ nog wel even;
Wanneer je in een Amerikaanse stad een verzameling langharigen met slaapzakken onder de arm zag, in een ordentelijke rij die zich vaak langs vele huizenblokken uitstrekte dan wist je: de Grateful Dead komen eraan.
Vervolgens geeft hij een tip over het beste Buddy Guy album en komt hij met de blueszanger Son House, wiens biografie toevallig ook op mijn wensenlijst staat. Het hoofdstuk over Little Richard mag er ook zijn, hoewel diens ontdekker Bumps Blackwell het eerst niet zag zitten met hem. Immers:
‘If you look like Tarzan and you sound like Mickey Mouse, it just doesn’t work out.’
Dan komt hij met de band Marah, ontdekt door zanger Steve Earle waar ik u later nog mee lastig ga vallen. Prima band ook. Ik heb ook wel eens wat beluisterd van singer-songwriter David Olney, maar Donkers wijst mij in nog geen twee pagina’s op de verhalende kracht en diverse personages in zijn songs en weet mij een hele dag gevangen te houden met diens muziek. Zo’n soort boek is dit dus.
Dat geldt ook voor de band Slobberbone. Die is volledig langs mij heen gegaan en leverden hun laatste album af in 2016, maar hun album Barrel Chested (en de rest ook eigenlijk) hoort in uw luisterbagage. Donkers probeert mij ook enthousiast te krijgen voor Doug Sahm (Mendocino, kent u hem nog?), maar dat vind ik toch net iets te veel ‘The Cats goes USA’. Misschien moet ik hem een tweede kans geven.
Het hoofdstuk over Harry Smith en zijn Anthology of American Folk Music heeft mij ook aardig beziggehouden, zeker omdat de door mij bewonderde zanger Dave van Ronk het als zijn ‘bijbel’ beschouwde;
‘we kenden allemaal elk woord van elk lied uit ons hoofd, inclusief van die waaraan we een hekel hadden.’
Leest u dan door over de tragiek van Joe South, die talloze hits schreef maar zelf vond dat hij zijn vroege werk nooit meer kon overtreffen. Er staat een mooi interview in met hem. Beluister dan ook meteen het album Out of het Valley van John Gorka.
Dat laatste album heeft Donkers opgenomen in zijn persoonlijke top honderd, voor als u nog niet genoeg te luisteren had. Daar staan ook artiesten in als Seigneur Tabu Ley Rochereau, Cuarteto Patria en Guillermo Portabales, maar ook meer gangbare namen als Marvin Gaye, Jackson Browne, Ry Cooder en Ray Charles.
Eigenlijk valt er nog veel meer te vertellen, over mijn enthousiasme voor Greg Trooper, de herontdekking van Bonnie Raitt en de ontmoeting van Donkers met Sid Vicious en Nancy Spungen in hert Chelsea Hotel, een paar weken voor haar tragische dood. Maar tikt u vooral zelf dit boek ergens op de kop en verliest u zichzelf in een dagenlange muzikale ontdekkingsreis. show less
Met vierenveertig hoofdstukken in 266 pagina’s snapt u dat het geen grote hoofdstukken zijn, maar de artiesten en onderwerpen spreken mij toevallig aan. Daar komt bij dat Donkers een lange staat van dienst heeft, soms op de juiste plaats op het juiste moment is en dan heb je ineens een onderhoudend boek waar veel uit te halen is.
Allereerst gaat hij op zoek naar wat ‘Americana’ nou is, toevallig een genre waarvan ik nu veel beluister. Vervolgens sleurt Donkers een hele stoet aan artiesten voor het voetlicht die ik niet of nauwelijks ken, of waarvan ik nog beschamend weinig beluisterd heb.
Kent u Dan Bern? Een zanger met Litouwse roots en daar schrijft hij een prachtig nummer over, Lithuania. Maar Bern schrijft over veel meer. Over abortus, kapitalisme, Afghanistan, hennep, John McEnroe, Cuba, Madonna, Muhammed Ali, Brad Pitt, marsmannetjes en Monika Lewinsky bijvoorbeeld. In één liedje, overigens. Donkers verbloemt zijn enthousiasme niet, bijvoorbeeld over Bern’s album My Country II;
Het is een plaat die me bijna tot tranen roert. Zo hoort muziek te zijn, zo hoort Amerika te zijn, zo hoort Amerikaanse muziek te zijn, opstandig, oneerbiedig, elementair en eerlijk.
Ik houd daarvan, het laat mij naar nieuwe muziek luisteren. Zo maak ik kennis met de show more prima albums Leftovers van The Bottle Rockets en Roadmaster van de ex-Byrd Gene Clark. Donkers wisselt het af met persoonlijke verhalen, zoals toen hij, als nachtdeejay in Austin, Texas, met enige regelmaat ene George W. Bush aan de lijn had, die toen uiteraard nog bekend moest worden.
Donkers krijgt het zelfs voor elkaar mij te doen overwegen een album aan mijn collectie toe te voegen van Dion and the Belmonts. U kent ze wellicht van hits als Runaround Sue en The Wanderer maar die wilt u echt horen op hun live-album Reunion, Live at Madison Square Garden 1972 met een uitzinnig publiek op de achtergrond.
Donkers geeft een band als The Grateful Dead maar één pagina en verwijst slim naar een ander boek van hem voor meer informatie, maar kenschetst ‘de beroerdste band met de trouwste supportersschare’ nog wel even;
Wanneer je in een Amerikaanse stad een verzameling langharigen met slaapzakken onder de arm zag, in een ordentelijke rij die zich vaak langs vele huizenblokken uitstrekte dan wist je: de Grateful Dead komen eraan.
Vervolgens geeft hij een tip over het beste Buddy Guy album en komt hij met de blueszanger Son House, wiens biografie toevallig ook op mijn wensenlijst staat. Het hoofdstuk over Little Richard mag er ook zijn, hoewel diens ontdekker Bumps Blackwell het eerst niet zag zitten met hem. Immers:
‘If you look like Tarzan and you sound like Mickey Mouse, it just doesn’t work out.’
Dan komt hij met de band Marah, ontdekt door zanger Steve Earle waar ik u later nog mee lastig ga vallen. Prima band ook. Ik heb ook wel eens wat beluisterd van singer-songwriter David Olney, maar Donkers wijst mij in nog geen twee pagina’s op de verhalende kracht en diverse personages in zijn songs en weet mij een hele dag gevangen te houden met diens muziek. Zo’n soort boek is dit dus.
Dat geldt ook voor de band Slobberbone. Die is volledig langs mij heen gegaan en leverden hun laatste album af in 2016, maar hun album Barrel Chested (en de rest ook eigenlijk) hoort in uw luisterbagage. Donkers probeert mij ook enthousiast te krijgen voor Doug Sahm (Mendocino, kent u hem nog?), maar dat vind ik toch net iets te veel ‘The Cats goes USA’. Misschien moet ik hem een tweede kans geven.
Het hoofdstuk over Harry Smith en zijn Anthology of American Folk Music heeft mij ook aardig beziggehouden, zeker omdat de door mij bewonderde zanger Dave van Ronk het als zijn ‘bijbel’ beschouwde;
‘we kenden allemaal elk woord van elk lied uit ons hoofd, inclusief van die waaraan we een hekel hadden.’
Leest u dan door over de tragiek van Joe South, die talloze hits schreef maar zelf vond dat hij zijn vroege werk nooit meer kon overtreffen. Er staat een mooi interview in met hem. Beluister dan ook meteen het album Out of het Valley van John Gorka.
Dat laatste album heeft Donkers opgenomen in zijn persoonlijke top honderd, voor als u nog niet genoeg te luisteren had. Daar staan ook artiesten in als Seigneur Tabu Ley Rochereau, Cuarteto Patria en Guillermo Portabales, maar ook meer gangbare namen als Marvin Gaye, Jackson Browne, Ry Cooder en Ray Charles.
Eigenlijk valt er nog veel meer te vertellen, over mijn enthousiasme voor Greg Trooper, de herontdekking van Bonnie Raitt en de ontmoeting van Donkers met Sid Vicious en Nancy Spungen in hert Chelsea Hotel, een paar weken voor haar tragische dood. Maar tikt u vooral zelf dit boek ergens op de kop en verliest u zichzelf in een dagenlange muzikale ontdekkingsreis. show less
Apr 14, 2026Dutch
De Leidse Jazzgeschiedenis van 1899 tot 2009 is natuurlijk vergelijkbaar met Jazz in Tilburg dat ik net heb gelezen. Dit boek is samengesteld door journalist Cees Mentink, de historici Rudi van Maanen en Cor Smit en voormalig hoofd jazzmuziek van het Koninklijk Conservatorium en musicus Wouter Turkenburg.
Als je dit boek leest heb je zowaar het idee dat je voor jazzmuziek juist in Leiden moet zijn. Overigens heb je datzelfde idee als je de boeken over Tilburg, Den Haag en Rotterdam leest en dat heeft te maken met het feit dat de boeken door en over pure jazzliefhebbers worden geschreven.
Als ik zeg dat de boeken vergelijkbaar zijn, dan houdt dat in dat ook nu alle mogelijke jazzorkesten worden beschreven én al die personen die juist in Leiden onlosmakelijk met die bands zijn verbonden.
Met de bands, maar ook met alle podia en cafés waarin wordt opgetreden, op de festivals die worden georganiseerd, in de opnamestudio van de plaatselijke platenmaatschappij in een rijtjeswoning, in de radio-uitzendingen die worden gemaakt, in de muzikale battles die worden gevoerd. Er is genoeg te beleven in dit boek.
Dat gebeurt allemaal in Leiden uiteraard, maar het is mooi dat het boek begint met een monument voor een Leidse zoon die het gemaakt heeft in de Verenigde Staten, David Broekman. Hij is daar een succesvol arrangeur en componist en werkt met sterren als Frank Sinatra en Alfred Hitchcock, voor wie hij filmmuziek schrijft.
Maar we gaan snel over naar de pioniers in Leiden zelf. De show more violist Frans Poptie, organist Cor Steyn (u kent hem vast van zijn optredens met Tom Manders als Dorus), trombonist Frits Hotz (ik schreef hier al eens over hem) en de jonggestorven componist en experimentele muzikant Michel Waisvisz.
Er staan vrolijke anekdotes in aparte kaders in het boek, zoals over Fritz Hotz die eens in gesprek was met een ‘blonde, mollige studente.’ Baritonsaxofonist Pim Gras vroeg aan de slechtziende Hotz;
“Frits, weet je wel wie die studente is, waar je mee staat te praten?” “Geen idee,” luidde het antwoord. “Het is prinses Beatrix.” “Oh,” sprak Frits toen, “ik had al het gevoel dat ’t niks zou worden.”
Een van de podia voor jazz is de Jazzzolder Hot House. Daar treden grote namen op als saxofonist Ben Webster en die zal ook zijn laatste concert in Leiden geven, in jazzcafé De Twee Spieghels. Hij speelt niet goed, geeft wel een korte speech en zijn optreden is te horen op één van de twee bijgevoegde cd’s. Een stukje jazzhistorie want even na dat optreden overlijdt Webster.
Hot House Leiden is een andere bekende locatie die het tot op de dag van vandaag uithoudt. Dat geldt ook voor de X. Evenementen als het Key Town Festival en de Leidse Jazzweek krijgen ruim aandacht. Dat is mooi, maar dat alles kan niet zonder al die bevlogen mensen die gek zijn van jazz. Dat vind ik meteen het mooiste aan dit soort boeken; die mensen worden uitgebreid in het zonnetje gezet. Mister Jazz in Leiden Dick Wansink bijvoorbeeld. Hij is één van de mensen aan wie dit boek is opgedragen. De anderen zijn Cees Hugens, de grote man achter het Key Town Festival en Henny Kwik, ras-organisator en man achter de jazzclub Jazz on Sunday.
Ook in Leiden bruist het van de jazz en laat ik de professional Wouter Turkenburg maar even aan het woord laten, die een mooi nawoord in dit grote koffietafelboek heeft geschreven;
Wat deze en alle andere lokale jazzgeschiedenisboeken terecht doen is stukje bij beetje de mythe ontkrachten dat er maar één enkel centrum van de jazz is. De boeken die de lokale jazzgeschiedenis beschrijven maken met elkaar het ware gezicht van de jazz duidelijk…De Leidse Jazzgeschiedenis is niet alleen de geschiedenis van de bedrijvigheid van een groot aantal mensen rond de muzieksoort jazz in een stad, het is tevens een venster op alle jazz. Door in te zoomen op jazz in Leiden wordt op een eerlijke en oprechte manier duidelijk wat de kracht van de muzieksoort jazz werkelijk is. show less
Als je dit boek leest heb je zowaar het idee dat je voor jazzmuziek juist in Leiden moet zijn. Overigens heb je datzelfde idee als je de boeken over Tilburg, Den Haag en Rotterdam leest en dat heeft te maken met het feit dat de boeken door en over pure jazzliefhebbers worden geschreven.
Als ik zeg dat de boeken vergelijkbaar zijn, dan houdt dat in dat ook nu alle mogelijke jazzorkesten worden beschreven én al die personen die juist in Leiden onlosmakelijk met die bands zijn verbonden.
Met de bands, maar ook met alle podia en cafés waarin wordt opgetreden, op de festivals die worden georganiseerd, in de opnamestudio van de plaatselijke platenmaatschappij in een rijtjeswoning, in de radio-uitzendingen die worden gemaakt, in de muzikale battles die worden gevoerd. Er is genoeg te beleven in dit boek.
Dat gebeurt allemaal in Leiden uiteraard, maar het is mooi dat het boek begint met een monument voor een Leidse zoon die het gemaakt heeft in de Verenigde Staten, David Broekman. Hij is daar een succesvol arrangeur en componist en werkt met sterren als Frank Sinatra en Alfred Hitchcock, voor wie hij filmmuziek schrijft.
Maar we gaan snel over naar de pioniers in Leiden zelf. De show more violist Frans Poptie, organist Cor Steyn (u kent hem vast van zijn optredens met Tom Manders als Dorus), trombonist Frits Hotz (ik schreef hier al eens over hem) en de jonggestorven componist en experimentele muzikant Michel Waisvisz.
Er staan vrolijke anekdotes in aparte kaders in het boek, zoals over Fritz Hotz die eens in gesprek was met een ‘blonde, mollige studente.’ Baritonsaxofonist Pim Gras vroeg aan de slechtziende Hotz;
“Frits, weet je wel wie die studente is, waar je mee staat te praten?” “Geen idee,” luidde het antwoord. “Het is prinses Beatrix.” “Oh,” sprak Frits toen, “ik had al het gevoel dat ’t niks zou worden.”
Een van de podia voor jazz is de Jazzzolder Hot House. Daar treden grote namen op als saxofonist Ben Webster en die zal ook zijn laatste concert in Leiden geven, in jazzcafé De Twee Spieghels. Hij speelt niet goed, geeft wel een korte speech en zijn optreden is te horen op één van de twee bijgevoegde cd’s. Een stukje jazzhistorie want even na dat optreden overlijdt Webster.
Hot House Leiden is een andere bekende locatie die het tot op de dag van vandaag uithoudt. Dat geldt ook voor de X. Evenementen als het Key Town Festival en de Leidse Jazzweek krijgen ruim aandacht. Dat is mooi, maar dat alles kan niet zonder al die bevlogen mensen die gek zijn van jazz. Dat vind ik meteen het mooiste aan dit soort boeken; die mensen worden uitgebreid in het zonnetje gezet. Mister Jazz in Leiden Dick Wansink bijvoorbeeld. Hij is één van de mensen aan wie dit boek is opgedragen. De anderen zijn Cees Hugens, de grote man achter het Key Town Festival en Henny Kwik, ras-organisator en man achter de jazzclub Jazz on Sunday.
Ook in Leiden bruist het van de jazz en laat ik de professional Wouter Turkenburg maar even aan het woord laten, die een mooi nawoord in dit grote koffietafelboek heeft geschreven;
Wat deze en alle andere lokale jazzgeschiedenisboeken terecht doen is stukje bij beetje de mythe ontkrachten dat er maar één enkel centrum van de jazz is. De boeken die de lokale jazzgeschiedenis beschrijven maken met elkaar het ware gezicht van de jazz duidelijk…De Leidse Jazzgeschiedenis is niet alleen de geschiedenis van de bedrijvigheid van een groot aantal mensen rond de muzieksoort jazz in een stad, het is tevens een venster op alle jazz. Door in te zoomen op jazz in Leiden wordt op een eerlijke en oprechte manier duidelijk wat de kracht van de muzieksoort jazz werkelijk is. show less
Apr 8, 2026Dutch
Ik moet bekennen, ik ben nog nooit in Tilburg geweest. Waarom dan toch een boek over Jazz in Tilburg? Omdat dit, samen met de boeken Jazz in Den Haag en Jazz in Rotterdam een completer beeld geeft van het ontstaan en de ontwikkeling van de jazz in Nederland. Spoiler; er volgt nog een boek over Jazz in Leiden om het beeld nog veel completer te maken.
Muziekjournalist Rinus van der Heijden stelde dit boek samen, grotendeels uit het omvangrijke archief van musicus Henk van Belkom. Diens levenswerk is het verzamelen van alles wat maar enigszins met jazzmuziek in Tilburg te maken heeft en het grootste deel van dit boek is samengesteld uit vijftig jaar verzamelen van foto’s, knipsels, affiches, artikelen, recensies, folders, lp’s, cd’s en boeken. Ruud Erich en Jan van Rijthoven maken de redactie compleet.
Het boek is verdeeld over verschillende tijdvakken en in het kort worden de verschillende jazzstromingen toegelicht. Een mooie toevoeging is een cd met 24 nummers. Al naar gelang u het boek leest wordt u verwezen naar bijpassende fragmenten. Uit het verleden in 1933 tot en met de hedendaagse muziek (hedendaags als in 2010, het uitgavejaar van het boek).
De ‘aartsvader’ van de Tilburgse jazz is ene Max Goijarts (1907-1975). Hij formeerde het eerste jazzorkest in Tilburg en leerde de jazz kennen via platen van zijn peetoom die pastoor in New Orleans was. Ook de harmonie van de fraters in Tilburg speelde een rol in het ontstaan van de jazzmuziek daar. Dat is opmerkelijk, show more omdat de clerus in de regel weinig gecharmeerd was van die weinig christelijke muziek uit de achterbuurten van New Orleans.
Zo niet in Tilburg. Het is prachtig om te lezen hoe er allerlei muzikanten opstaan die de jazz omarmen en uitdragen. Theo Doorenbosch is er daar één van. Hij speelt tenorsaxofoon, viool en klarinet en richt in 1932 The Jazz Devils op. Hij wordt gezien als de peetvader van de oude jazz in Tilburg.
Zo ontstaat er een heuse Tilburg Bigband die tot op de dag van vandaag nog bestaat. Dan is het hek van de dam en er volgt in het boek een opsomming van allerlei Tilburgse jazzensembles. The Kennedy’s, The Merry Makers, The Wooltown Rhythm Gang, The Old Jazz Loyalists, The Caladonians, The Skyliners, Dansorkest Jan Kelder en nog veel meer. Uit die ensembles worden weer solisten apart besproken en die solisten treden vaak op meerdere orkesten in verschillende tijdvakken. Ik vind het een feest om te lezen, zeker omdat er vaak een muziekfragment bij te beluisteren is.
Zo staat er een ontroerend portret in van het echtpaar Arie en Riedel van Kleef. Arie was een veelgevraagd musicus en zijn vrouw Riedel was een prima jazzzangeres;
Toen Arie overleed in 2004, deed hij dat al luisterend naar een opname van My Blue Heaven gezongen door zijn geliefde Riedel, die toen al zestien jaar dood was.
U snapt, My Blue Heaven door Riedel van Kleef staat op de bijgeleverde cd.
In het boek is er aandacht voor de ontwikkeling van Tilburg als stad. Het gaat over de café’s, theater en podia waar de jazzmuziek gespeeld wordt, maar ook over de opening van een nieuw spoorwegstation en wat de aanleg van het spoor deed met de stad, die daardoor in twee helften werd verdeeld;
In de Tilburgse volksmond werd gesproken over ‘deez kaant’ (ten zuiden van de spoorbaan) en ‘geene kaant’ (ten noorden). Met ‘geene kaant’ werden ook de wat armere wijken bedoeld. Een muzikant die in het zuidelijke deel van Tilburg woonde, kreeg niet zomaar een vaste plek in een orkest dat boven de lijn opereerde.
Er komt met de Jazz Meeting ook een festival in Tilburg en in het boek wordt de ontwikkeling door de jaren heen gevolgd. Het stopt in 1998 maar later zal er weer een Festival Stranger than Paranoia opkomen (dat ook in 2024 is gestopt overigens).
Jazzclubs en een muziekpodium als Paradox verschijnen ook en die laatste bestaat nog altijd. Artiesten zijn er genoeg in Tilburg, maar komen ook elders uit binnen- en buitenland naar Tilburg toe. Buitenlandse kanonnen als saxofonisten Archie Shepp en Johnny Griffin, maar ook binnenlandse musici als Hans Dulfer en Rita Reys. Reys;
‘U mag mij niet van vleierij verdenken wanneer ik zeg dat Tilburg in onze jazzharten een zeer bijzondere plaats inneemt.’
Het boek laat zien dat de Tilburgse jazz volop in ontwikkeling is en blijft. Er komen inmiddels beroemde musici vandaan als bassist Hein van de Geyn en trompettist Erik Vloeimans. Ik heb kennis gemaakt met muzikanten met een breed muzikaal pallet, zoals pianist Harmen Fraanje, die niet aarzelt om te putten uit zowel muziek van Bach als muziek van Pygmeeën. Ik heb de avontuurlijke muziek van pianist Jeroen van Vliet beluisterd en naar die van altsaxofonist Paul van Kemenade, als vlaggendrager van de moderne jazz uit Tilburg. Hij speelt mee in het ensemble Palinckx & Palinckx op een stuk dat ook op de bijgevoegde cd staat met de titel Maartse Buien. Daar staat de wervende tekst bij;
Op deze ‘Maartse Buien’ hult de formatie zich nog in melodie en harmonie en is de altsaxofoonsolo van Paul van Kemenade de mooiste die in de Nederlandse jazzgeschiedenis ooit is voortgebracht.
Als ik u dan nog vertel dat de websites Jazzism en Jazzenzo ook hun oorsprong in Tilburg vinden snapt u dat het nog lang niet klaar is met de jazz daar. show less
Muziekjournalist Rinus van der Heijden stelde dit boek samen, grotendeels uit het omvangrijke archief van musicus Henk van Belkom. Diens levenswerk is het verzamelen van alles wat maar enigszins met jazzmuziek in Tilburg te maken heeft en het grootste deel van dit boek is samengesteld uit vijftig jaar verzamelen van foto’s, knipsels, affiches, artikelen, recensies, folders, lp’s, cd’s en boeken. Ruud Erich en Jan van Rijthoven maken de redactie compleet.
Het boek is verdeeld over verschillende tijdvakken en in het kort worden de verschillende jazzstromingen toegelicht. Een mooie toevoeging is een cd met 24 nummers. Al naar gelang u het boek leest wordt u verwezen naar bijpassende fragmenten. Uit het verleden in 1933 tot en met de hedendaagse muziek (hedendaags als in 2010, het uitgavejaar van het boek).
De ‘aartsvader’ van de Tilburgse jazz is ene Max Goijarts (1907-1975). Hij formeerde het eerste jazzorkest in Tilburg en leerde de jazz kennen via platen van zijn peetoom die pastoor in New Orleans was. Ook de harmonie van de fraters in Tilburg speelde een rol in het ontstaan van de jazzmuziek daar. Dat is opmerkelijk, show more omdat de clerus in de regel weinig gecharmeerd was van die weinig christelijke muziek uit de achterbuurten van New Orleans.
Zo niet in Tilburg. Het is prachtig om te lezen hoe er allerlei muzikanten opstaan die de jazz omarmen en uitdragen. Theo Doorenbosch is er daar één van. Hij speelt tenorsaxofoon, viool en klarinet en richt in 1932 The Jazz Devils op. Hij wordt gezien als de peetvader van de oude jazz in Tilburg.
Zo ontstaat er een heuse Tilburg Bigband die tot op de dag van vandaag nog bestaat. Dan is het hek van de dam en er volgt in het boek een opsomming van allerlei Tilburgse jazzensembles. The Kennedy’s, The Merry Makers, The Wooltown Rhythm Gang, The Old Jazz Loyalists, The Caladonians, The Skyliners, Dansorkest Jan Kelder en nog veel meer. Uit die ensembles worden weer solisten apart besproken en die solisten treden vaak op meerdere orkesten in verschillende tijdvakken. Ik vind het een feest om te lezen, zeker omdat er vaak een muziekfragment bij te beluisteren is.
Zo staat er een ontroerend portret in van het echtpaar Arie en Riedel van Kleef. Arie was een veelgevraagd musicus en zijn vrouw Riedel was een prima jazzzangeres;
Toen Arie overleed in 2004, deed hij dat al luisterend naar een opname van My Blue Heaven gezongen door zijn geliefde Riedel, die toen al zestien jaar dood was.
U snapt, My Blue Heaven door Riedel van Kleef staat op de bijgeleverde cd.
In het boek is er aandacht voor de ontwikkeling van Tilburg als stad. Het gaat over de café’s, theater en podia waar de jazzmuziek gespeeld wordt, maar ook over de opening van een nieuw spoorwegstation en wat de aanleg van het spoor deed met de stad, die daardoor in twee helften werd verdeeld;
In de Tilburgse volksmond werd gesproken over ‘deez kaant’ (ten zuiden van de spoorbaan) en ‘geene kaant’ (ten noorden). Met ‘geene kaant’ werden ook de wat armere wijken bedoeld. Een muzikant die in het zuidelijke deel van Tilburg woonde, kreeg niet zomaar een vaste plek in een orkest dat boven de lijn opereerde.
Er komt met de Jazz Meeting ook een festival in Tilburg en in het boek wordt de ontwikkeling door de jaren heen gevolgd. Het stopt in 1998 maar later zal er weer een Festival Stranger than Paranoia opkomen (dat ook in 2024 is gestopt overigens).
Jazzclubs en een muziekpodium als Paradox verschijnen ook en die laatste bestaat nog altijd. Artiesten zijn er genoeg in Tilburg, maar komen ook elders uit binnen- en buitenland naar Tilburg toe. Buitenlandse kanonnen als saxofonisten Archie Shepp en Johnny Griffin, maar ook binnenlandse musici als Hans Dulfer en Rita Reys. Reys;
‘U mag mij niet van vleierij verdenken wanneer ik zeg dat Tilburg in onze jazzharten een zeer bijzondere plaats inneemt.’
Het boek laat zien dat de Tilburgse jazz volop in ontwikkeling is en blijft. Er komen inmiddels beroemde musici vandaan als bassist Hein van de Geyn en trompettist Erik Vloeimans. Ik heb kennis gemaakt met muzikanten met een breed muzikaal pallet, zoals pianist Harmen Fraanje, die niet aarzelt om te putten uit zowel muziek van Bach als muziek van Pygmeeën. Ik heb de avontuurlijke muziek van pianist Jeroen van Vliet beluisterd en naar die van altsaxofonist Paul van Kemenade, als vlaggendrager van de moderne jazz uit Tilburg. Hij speelt mee in het ensemble Palinckx & Palinckx op een stuk dat ook op de bijgevoegde cd staat met de titel Maartse Buien. Daar staat de wervende tekst bij;
Op deze ‘Maartse Buien’ hult de formatie zich nog in melodie en harmonie en is de altsaxofoonsolo van Paul van Kemenade de mooiste die in de Nederlandse jazzgeschiedenis ooit is voortgebracht.
Als ik u dan nog vertel dat de websites Jazzism en Jazzenzo ook hun oorsprong in Tilburg vinden snapt u dat het nog lang niet klaar is met de jazz daar. show less
Apr 6, 2026Dutch
Jeroen de Valk heeft met Herinneringen aan een lyrisch trompettist een zeer toegankelijke biografie geschreven over de Amerikaanse trompettist Chet Baker (1929-1988).
Misschien weet u het nog, zijn overlijden was in 1988 groot nieuws. Baker viel uit een hotelraam in Amsterdam, waarschijnlijk na het gebruik van drugs en overleed daar. Er waren geruchten over opzet of zelfmoord, maar De Valk ontkracht dat in zijn boek.
Baker is bekend om zijn trompetspel én om zijn vocale kwaliteiten, met name om de vertolking van zijn lijflied, My Funny Valentine. Beide kwaliteiten kennen vurige aanhangers en tegenstanders. Als trompettist is hij voor mij één van de groten. Ik houd van die ijle klanken en dat zachte spel. Hij zal niet het maximale uit alle registers halen, in de registers waarin hij wel speelt weet hij hele werelden op te roepen. Met zijn zang heeft hij mij moeten veroveren, maar ik heb mij door Jules Deelder laten overtuigen. Die houdt niet van zang in jazz, voor Baker maakt hij een uitzondering. Ik heb veel van Baker beluisterd als zanger en ben inmiddels helemaal om.
Het is me ook een levensverhaal. Baker pakt een trompet op als hij dertien jaar is en is volledig autodidact. Later leert hij een klein beetje noten lezen, maar vaak heeft hij geen idee in welke toonsoort hij begint en verwacht hij van de rest dat ze hem volgen.
Na schuchtere pogingen met een eigen kwintet viert hij eerste successen met het kwartet van baritonsaxofonist Gerry Mulligan. De mannen respecteren show more elkaars kwaliteiten maar persoonlijk botert het niet en Baker formeert een eigen kwartet, met pianist Russ Freeman als vaste basis.
Baker gaat heroïne gebruiken en dat is het begin van een lang verhaal aan arrestaties in binnen-, maar vooral het buitenland. Hij is vaak in Europa te vinden en in Italië zit hij zelfs vijftien maanden vast als hij betrapt wordt. Ook in Duitsland is hij lange tijd niet welkom. Zijn gebruik kent ook praktische problemen, want hij wordt in elkaar geslagen. Waarschijnlijk toen hij drugs wilde kopen en het gevolg is een afgebroken tand. Voor een trompettist is dat een probleem en Baker worstelt lang met embouchureproblemen. Dat zijn gebit überhaupt in slechte conditie is helpt ook niet echt.
Zijn verblijf in Europa komt ook door het feit dat hij daar veel meer succes heeft dan in de Verenigde Staten. Hij is met zijn ingetogen spel te weinig ‘showbizz’. Verder heeft hij zijn verslaving én zijn huidskleur tegen. In die tijd viert het zwarte nationalisme hoogtij en Baker voldoet daar niet aan. In Europa kan hij overal optreden, is drugs redelijk goed verkrijgbaar én kan hij plaatopnames maken op allerlei kleine labels.
Dan de man zelf. Baker leeft voor de muziek en niet voor zijn gezin. Hij trouwt drie keer en hij heeft vier kinderen, maar hij is een vader op afstand. Bovendien houdt hij er de nodige vriendinnen op na. De Valk wijdt een heel hoofdstuk aan zijn persoonlijkheid. Baker kan uiterst wisselvallig zijn in zijn humeur. Soms wordt hij woest over niets, wordt kwaad op het toneel als iemand hem niet kan volgen, maar er zijn ook genoeg getuigenissen van artiesten die altijd plezierig met hem samenwerken. Tegen het publiek is hij uiterst voorkomend. Hij gaat altijd op de foto of deelt een handtekening uit.
Baker leeft wel met de dag, zo blijkt uit het boek. Hij is vaak onvindbaar en De Valk beschrijft goed hoe lastig het is om zaken te regelen voor een concert. Baker vergeet afspraken, is nogal eens zijn instrument kwijt en als zijn auto het niet doet (hij is gek op Alfa Romeo’s), dan laat hij die gerust achter aan de kant van de weg.
Het gaat gelukkig ook veel over de muziek. Over de vroege samenwerking met Gerry Mulligan en zijn eigen kwartet met de pianisten Russ Freeman en de jonggestorven Dick Twardzik. Het gaat over zijn moeilijke samenwerking met Stan Getz, maar ook over zijn succesvolle tournee door Japan met de Nederlandse drummer John Engels en de eveneens Nederlandse bassist Hein van de Geyn.
Van de Valk geeft zo een compleet beeld van de mens en de muzikant én geeft in een uitgebreide discografie een overzicht van zo’n 250 albums, waarin hij aangeeft waarom ze wel of niet de moeite waard zijn. Een absolute meerwaarde van dit boek.
Tenslotte, u bent gewend dat ik wat citaten geef in mijn bespreking, maar in dit geval wil ik afsluiten met een citaat van drummer John Engels, die misschien de essentie van wie Chet Baker was prima weergeeft;
John Engels: ‘Ik hoor wel eens zeggen: hij maakt fouten, hij kan niet zingen, en zo. Daar kan ik me dood aan ergeren. Dan denk ik: heb je dan geen oren aan je hoofd? Hoor je niet dat die man een verhaaltje staat te vertellen? Wie creatief is, gaat af en toe op z’n bek. Hoe iemand de mist ingaat en er dan weer uitkomt, dat kan fascinerend zijn. Je wist nooit waar je met hem aan toe was. Repeteren? Nooit. Hij zette een stuk in en wij volgden hem. Je speelde altijd met tweehonderd procent concentratie. Door hem ben ik anders over muziek gaan denken, ben ik ook anders gaan spelen. Die vogel speelde met een intensiteit die je alleen bij de allergrootsten aantreft. Bij Billie Holiday, bij Lester Young. Hij speelde met warmte en liefde. Als het goed ging, was ik de gelukkigste mens ter wereld. Het klinkt plechtig maar Chet heeft bij mij iets los gemaakt. Hij ging dieper dan wie ook. En dáár gaat het om, die intensiteit. Chet kwam van een andere planeet. Hij was hierheen gestuurd om zijn boodschap te brengen. Nu is hij weer terug op de planeet waar hij vandaan kwam. show less
Misschien weet u het nog, zijn overlijden was in 1988 groot nieuws. Baker viel uit een hotelraam in Amsterdam, waarschijnlijk na het gebruik van drugs en overleed daar. Er waren geruchten over opzet of zelfmoord, maar De Valk ontkracht dat in zijn boek.
Baker is bekend om zijn trompetspel én om zijn vocale kwaliteiten, met name om de vertolking van zijn lijflied, My Funny Valentine. Beide kwaliteiten kennen vurige aanhangers en tegenstanders. Als trompettist is hij voor mij één van de groten. Ik houd van die ijle klanken en dat zachte spel. Hij zal niet het maximale uit alle registers halen, in de registers waarin hij wel speelt weet hij hele werelden op te roepen. Met zijn zang heeft hij mij moeten veroveren, maar ik heb mij door Jules Deelder laten overtuigen. Die houdt niet van zang in jazz, voor Baker maakt hij een uitzondering. Ik heb veel van Baker beluisterd als zanger en ben inmiddels helemaal om.
Het is me ook een levensverhaal. Baker pakt een trompet op als hij dertien jaar is en is volledig autodidact. Later leert hij een klein beetje noten lezen, maar vaak heeft hij geen idee in welke toonsoort hij begint en verwacht hij van de rest dat ze hem volgen.
Na schuchtere pogingen met een eigen kwintet viert hij eerste successen met het kwartet van baritonsaxofonist Gerry Mulligan. De mannen respecteren show more elkaars kwaliteiten maar persoonlijk botert het niet en Baker formeert een eigen kwartet, met pianist Russ Freeman als vaste basis.
Baker gaat heroïne gebruiken en dat is het begin van een lang verhaal aan arrestaties in binnen-, maar vooral het buitenland. Hij is vaak in Europa te vinden en in Italië zit hij zelfs vijftien maanden vast als hij betrapt wordt. Ook in Duitsland is hij lange tijd niet welkom. Zijn gebruik kent ook praktische problemen, want hij wordt in elkaar geslagen. Waarschijnlijk toen hij drugs wilde kopen en het gevolg is een afgebroken tand. Voor een trompettist is dat een probleem en Baker worstelt lang met embouchureproblemen. Dat zijn gebit überhaupt in slechte conditie is helpt ook niet echt.
Zijn verblijf in Europa komt ook door het feit dat hij daar veel meer succes heeft dan in de Verenigde Staten. Hij is met zijn ingetogen spel te weinig ‘showbizz’. Verder heeft hij zijn verslaving én zijn huidskleur tegen. In die tijd viert het zwarte nationalisme hoogtij en Baker voldoet daar niet aan. In Europa kan hij overal optreden, is drugs redelijk goed verkrijgbaar én kan hij plaatopnames maken op allerlei kleine labels.
Dan de man zelf. Baker leeft voor de muziek en niet voor zijn gezin. Hij trouwt drie keer en hij heeft vier kinderen, maar hij is een vader op afstand. Bovendien houdt hij er de nodige vriendinnen op na. De Valk wijdt een heel hoofdstuk aan zijn persoonlijkheid. Baker kan uiterst wisselvallig zijn in zijn humeur. Soms wordt hij woest over niets, wordt kwaad op het toneel als iemand hem niet kan volgen, maar er zijn ook genoeg getuigenissen van artiesten die altijd plezierig met hem samenwerken. Tegen het publiek is hij uiterst voorkomend. Hij gaat altijd op de foto of deelt een handtekening uit.
Baker leeft wel met de dag, zo blijkt uit het boek. Hij is vaak onvindbaar en De Valk beschrijft goed hoe lastig het is om zaken te regelen voor een concert. Baker vergeet afspraken, is nogal eens zijn instrument kwijt en als zijn auto het niet doet (hij is gek op Alfa Romeo’s), dan laat hij die gerust achter aan de kant van de weg.
Het gaat gelukkig ook veel over de muziek. Over de vroege samenwerking met Gerry Mulligan en zijn eigen kwartet met de pianisten Russ Freeman en de jonggestorven Dick Twardzik. Het gaat over zijn moeilijke samenwerking met Stan Getz, maar ook over zijn succesvolle tournee door Japan met de Nederlandse drummer John Engels en de eveneens Nederlandse bassist Hein van de Geyn.
Van de Valk geeft zo een compleet beeld van de mens en de muzikant én geeft in een uitgebreide discografie een overzicht van zo’n 250 albums, waarin hij aangeeft waarom ze wel of niet de moeite waard zijn. Een absolute meerwaarde van dit boek.
Tenslotte, u bent gewend dat ik wat citaten geef in mijn bespreking, maar in dit geval wil ik afsluiten met een citaat van drummer John Engels, die misschien de essentie van wie Chet Baker was prima weergeeft;
John Engels: ‘Ik hoor wel eens zeggen: hij maakt fouten, hij kan niet zingen, en zo. Daar kan ik me dood aan ergeren. Dan denk ik: heb je dan geen oren aan je hoofd? Hoor je niet dat die man een verhaaltje staat te vertellen? Wie creatief is, gaat af en toe op z’n bek. Hoe iemand de mist ingaat en er dan weer uitkomt, dat kan fascinerend zijn. Je wist nooit waar je met hem aan toe was. Repeteren? Nooit. Hij zette een stuk in en wij volgden hem. Je speelde altijd met tweehonderd procent concentratie. Door hem ben ik anders over muziek gaan denken, ben ik ook anders gaan spelen. Die vogel speelde met een intensiteit die je alleen bij de allergrootsten aantreft. Bij Billie Holiday, bij Lester Young. Hij speelde met warmte en liefde. Als het goed ging, was ik de gelukkigste mens ter wereld. Het klinkt plechtig maar Chet heeft bij mij iets los gemaakt. Hij ging dieper dan wie ook. En dáár gaat het om, die intensiteit. Chet kwam van een andere planeet. Hij was hierheen gestuurd om zijn boodschap te brengen. Nu is hij weer terug op de planeet waar hij vandaan kwam. show less
De Japanse schrijver Haruki Murakami is een groot muziekliefhebber en zeker jazz speelt daarin een grote rol. Hij heeft een grote collectie van meer dan 10.000 albums op vinyl en was ooit uitbater van een heus jazzcafé in Tokio met de naam Peter Cat.
Ondanks dat de muziek vaak een rol speelt in zijn werk schreef hij nog niet over zijn favoriete artiesten;
Mede daardoor vond ik het echter vrij lastig om nog iets over jazz te schrijven. Het voelde te nabij en als ik me ging afvragen waar ik moest beginnen en waar ik moest eindigen…nee, de moed zonk me steeds verder in de schoenen.
Toch ligt Jazzportretten nu voor me en de aanleiding daarvoor zijn de portretten die illustrator Makoto Wada maakte van jazzmusici. Murakami heeft die portetten als uitgangspunt genomen voor korte bespiegelingen over de artiest, waarom die hem aanspreekt en hij licht er telkens een favoriet album uit. Dat levert een prettig leesbaar boek op met 55 portretten, variërend van bekende namen als Miles Davis, Louis Armstrong, Duke Ellington, tot wat minder bekende namen als Jimmy Rushing, Eddie Condon en Jackie & Roy. Er ontbreken ook artiesten als John Coltrane en Keith Jarrett, simpelweg omdat Wada daar geen portretten van heeft gemaakt.
Voor mij zijn de meeste namen niet nieuw meer, maar toch is het verrassend leuk om de verhalen van Murakami te lezen. Hij weet veel van jazz, maar laat overal duidelijk doorschemeren dat het een erg persoonlijk verhaal is. Zo zegt hij over de muziek van jazzpianist show more Thelonious Monk;
Monks muziek was koppig en zachtmoedig, vernuftig en eigenzinnig, en ik weet niet goed waarom, maar alles wat erin tot uiting kwam, was heel erg juist. Zijn muziek wist een bepaald deel van me buitengewoon sterk te overtuigen. Het was te vergelijken met een ‘raadselachtige man’ die onaangekondigd uit het niets verschijnt, iets geweldigs op tafel ploft en zonder iets te zeggen zomaar weer verdwijnt.
Ik vind het mooi verwoord en Murakami weet mij te verrassen met een album van Monk dat ik niet ken.
Dat doet hij vaker en de tips die ik van hem overneem en u wil meegeven zijn het livealbum van Miles Davis ‘Four’ and More (Miles kan je nooit genoeg horen), What Is There to Say? van baritonsaxofonist Gerry Mulligan, Study in Brown van trompettist Clifford Brown en Storyville presents Jackie and Roy van het zangduo Jackie Cain en Roy Kral.
Omdat hij veel van jazz weet staan er leuke feiten in, zoals de ongewone combinatie op het album Bird and Diz van altsaxofonist Charlie Parker (Bird) en pianist Thelonious Monk, aangevuld met sterdrummer Buddy Rich. Verder trekt Murakami een parallel tussen de Jitterbug Waltz van Fats Waller en Light My Fire van The Doors en vertelt hij een mooi verhaal over het café waar hij ooit werkte en die compromisloze traditionele jazz liet horen waardoor hij Bix Beiderbecke leerde kennen.
Ook wilt u door zijn enthousiasme zangeres Ella Fitzgerald samen met pianist Oscar Peterson beluisteren;
Als je goed luistert hoor je in ‘These Foolish Things’ van Ella en Peterson een aantal aanstekelijke hoogtepunten. Vooral bij de passage waarin de piano zachtjes achterom binnenkomt wanneer zij ‘A tinkling piano in the next apartment…’ zingt, denk ik bij elke beluistering opnieuw: ach, wat mooi. Het is kunst. Als het een roman was, zou ik die zonder discussie de Naokiprijs willen geven.
Waarmee hij natuurlijk nooit zijn Japanse roots verloochent, ook niet als hij het spel van Oscar Peterson vergelijkt met nabeyaki udon; een Japans gerecht. Erg lekker, maar te veel is nooit goed.
Ik houd van muziekfeiten en wist niet dat gitarist Eddie Condon op een viersnarige gitaar speelde. Ik wil natuurlijk zijn album Bixieland in huis hebben. Omdat hij daar een prachtig eerbetoon brengt aan Bix Beiderbecke, maar ook omdat saxofonist Bud Freeman erop genoemd wordt met als instrument ‘utter silence’. Hij was er niet die dag.
Met zoveel portretten kan ik het natuurlijk nooit overal mee eens zijn. Murakami zegt over saxofonist Art Pepper;
‘als ik naar zijn talrijke platen luister, zit daar over de hele lijn zoveel irritatie in dat je het bijna zelfverminking kunt noemen. ‘Ik breng deze klanken voort, maar die zijn niet wat ik echt wil voortbrengen’, dat is zijn emotionele boodschap aan ons. Zijn spel, hoe prachtig ook, klinkt alsof hij vlak na het einde van een solo zijn instrument gelijk tegen de muur gaat meppen.’
Ik heb redelijk wat van Art Pepper beluisterd en dit beeld is nog nooit bij mij opgekomen, maar ieder zijn mening natuurlijk.
Het is een fijn boek om te lezen en nieuwe ideeën op te doen. De portretten lijken in veel gevallen niet heel goed, maar dat geeft niet. Ze vangen vaak wel de essentie van een artiest en dat doet Murakami ook. Bent u benieuwd naar de muziekcollectie van Murakami, dan vindt u daar hier een link naar, met dank aan Spotifygebruiker Masamaro Fujiki, die meer dan 230 uur aan jazzmuziek samenstelde uit de collectie van Murakami.
Vertaling; Luk Van Haute show less
Ondanks dat de muziek vaak een rol speelt in zijn werk schreef hij nog niet over zijn favoriete artiesten;
Mede daardoor vond ik het echter vrij lastig om nog iets over jazz te schrijven. Het voelde te nabij en als ik me ging afvragen waar ik moest beginnen en waar ik moest eindigen…nee, de moed zonk me steeds verder in de schoenen.
Toch ligt Jazzportretten nu voor me en de aanleiding daarvoor zijn de portretten die illustrator Makoto Wada maakte van jazzmusici. Murakami heeft die portetten als uitgangspunt genomen voor korte bespiegelingen over de artiest, waarom die hem aanspreekt en hij licht er telkens een favoriet album uit. Dat levert een prettig leesbaar boek op met 55 portretten, variërend van bekende namen als Miles Davis, Louis Armstrong, Duke Ellington, tot wat minder bekende namen als Jimmy Rushing, Eddie Condon en Jackie & Roy. Er ontbreken ook artiesten als John Coltrane en Keith Jarrett, simpelweg omdat Wada daar geen portretten van heeft gemaakt.
Voor mij zijn de meeste namen niet nieuw meer, maar toch is het verrassend leuk om de verhalen van Murakami te lezen. Hij weet veel van jazz, maar laat overal duidelijk doorschemeren dat het een erg persoonlijk verhaal is. Zo zegt hij over de muziek van jazzpianist show more Thelonious Monk;
Monks muziek was koppig en zachtmoedig, vernuftig en eigenzinnig, en ik weet niet goed waarom, maar alles wat erin tot uiting kwam, was heel erg juist. Zijn muziek wist een bepaald deel van me buitengewoon sterk te overtuigen. Het was te vergelijken met een ‘raadselachtige man’ die onaangekondigd uit het niets verschijnt, iets geweldigs op tafel ploft en zonder iets te zeggen zomaar weer verdwijnt.
Ik vind het mooi verwoord en Murakami weet mij te verrassen met een album van Monk dat ik niet ken.
Dat doet hij vaker en de tips die ik van hem overneem en u wil meegeven zijn het livealbum van Miles Davis ‘Four’ and More (Miles kan je nooit genoeg horen), What Is There to Say? van baritonsaxofonist Gerry Mulligan, Study in Brown van trompettist Clifford Brown en Storyville presents Jackie and Roy van het zangduo Jackie Cain en Roy Kral.
Omdat hij veel van jazz weet staan er leuke feiten in, zoals de ongewone combinatie op het album Bird and Diz van altsaxofonist Charlie Parker (Bird) en pianist Thelonious Monk, aangevuld met sterdrummer Buddy Rich. Verder trekt Murakami een parallel tussen de Jitterbug Waltz van Fats Waller en Light My Fire van The Doors en vertelt hij een mooi verhaal over het café waar hij ooit werkte en die compromisloze traditionele jazz liet horen waardoor hij Bix Beiderbecke leerde kennen.
Ook wilt u door zijn enthousiasme zangeres Ella Fitzgerald samen met pianist Oscar Peterson beluisteren;
Als je goed luistert hoor je in ‘These Foolish Things’ van Ella en Peterson een aantal aanstekelijke hoogtepunten. Vooral bij de passage waarin de piano zachtjes achterom binnenkomt wanneer zij ‘A tinkling piano in the next apartment…’ zingt, denk ik bij elke beluistering opnieuw: ach, wat mooi. Het is kunst. Als het een roman was, zou ik die zonder discussie de Naokiprijs willen geven.
Waarmee hij natuurlijk nooit zijn Japanse roots verloochent, ook niet als hij het spel van Oscar Peterson vergelijkt met nabeyaki udon; een Japans gerecht. Erg lekker, maar te veel is nooit goed.
Ik houd van muziekfeiten en wist niet dat gitarist Eddie Condon op een viersnarige gitaar speelde. Ik wil natuurlijk zijn album Bixieland in huis hebben. Omdat hij daar een prachtig eerbetoon brengt aan Bix Beiderbecke, maar ook omdat saxofonist Bud Freeman erop genoemd wordt met als instrument ‘utter silence’. Hij was er niet die dag.
Met zoveel portretten kan ik het natuurlijk nooit overal mee eens zijn. Murakami zegt over saxofonist Art Pepper;
‘als ik naar zijn talrijke platen luister, zit daar over de hele lijn zoveel irritatie in dat je het bijna zelfverminking kunt noemen. ‘Ik breng deze klanken voort, maar die zijn niet wat ik echt wil voortbrengen’, dat is zijn emotionele boodschap aan ons. Zijn spel, hoe prachtig ook, klinkt alsof hij vlak na het einde van een solo zijn instrument gelijk tegen de muur gaat meppen.’
Ik heb redelijk wat van Art Pepper beluisterd en dit beeld is nog nooit bij mij opgekomen, maar ieder zijn mening natuurlijk.
Het is een fijn boek om te lezen en nieuwe ideeën op te doen. De portretten lijken in veel gevallen niet heel goed, maar dat geeft niet. Ze vangen vaak wel de essentie van een artiest en dat doet Murakami ook. Bent u benieuwd naar de muziekcollectie van Murakami, dan vindt u daar hier een link naar, met dank aan Spotifygebruiker Masamaro Fujiki, die meer dan 230 uur aan jazzmuziek samenstelde uit de collectie van Murakami.
Vertaling; Luk Van Haute show less
Mar 29, 2026Dutch
Dat Chuck Berry (1926-2017) een grote meneer in de muziekgeschiedenis is mag bekend zijn. Natuurlijk ken ik zijn hits, in het boek Masters of Pop bespreekt Jeroen D’Hoe uitgebreid Berry’s belangrijke album Chuck Berry is on Top maar met Chuck Berry; An American Life van R.J. Smith duiken we nog wat dieper in het leven van de man zelf.
Berry groeit op in St. Louis, in een tijd waarin racisme aan de orde van de dag is. Hij heeft al vroeg belangstelling voor muziek, geeft optredens op school maar loopt ook aardig uit de pas als hij veroordeeld wordt voor een gewapende overval. Hij zit er drie jaar voor vast.
Als hij vrijkomt stort hij zich op de muziek, perfectioneert zijn spel op de elektrische gitaar en verzint zelf een muzieknotatiesysteem, want noten lezen kan hij niet. Zijn eerste hit is Maybellene, afgeleid van een Amerikaanse traditional Ida Red. De bekende disc jockey Alan Freed geeft het nummer alle aandacht, ook omdat hij op miraculeuze wijze samen met een maffiajongen als coauteur wordt genoemd wat goed is voor de inkomsten.
Dat zit hem in het spel van Berry, die de traditionele rhythm & blues verrijkt met zijn gitaarrifs, maar ook met zijn teksten. Die lopen als een trein, gaan over onderwerpen die de jeugd op dat moment aanspreken, zoals auto’s en vrijheid én door zijn dictie. Berry is opgegroeid met poëzie, is een fan van Nat King Cole en diens uitspraak van zijn teksten en die combinatie zorgt ervoor dat hij altijd te verstaan is en zijn teksten lopen show more als stromend water. Wie verzint er een titel en zin als With no par-ti-cu-lar place to go? Chuck Berry dus. Bruce Springsteen zegt over de volgende zin uit Nadine;
I saw her from the corner when she turned and doubled back
And started walking toward a coffee colored Cadillac
“Ik heb nog nooit een koffiekleurige Cadillac gezien, maar ik weet precies hoe die eruitziet.” (Zo is er heel veel te zeggen over de muziek én de teksten van Berry en dat komt prima naar voren in dit boek.
De muziek van Chuck Berry vindt een weg naar de blanke luisteraars. In het begin van zijn carrière wist men zelfs niet dat hij zwart was en hij cultiveert dat ook een tijd. Toch blijft racisme een thema dat hem achtervolgt en de auteur schetst tegelijk een prima tijdsbeeld in dit boek, het gaat niet alleen over Berry zelf maar laat zien waaruit zijn muziek voortkomt.
Die muziek, daar draait het om voor mij en ik houd van verhalen zoals die over het ontstaan van het nummer Rock and Roll Music. Berry noemt daarin een aantal dansen zoals de mambo en de tango en zingt dan It’s way too early for the congo. Waar men denkt dat het een foutje is en hij de conga bedoelt, wat ook een dans is. Waarom zou het te vroeg zijn voor een land dat Congo heet? Maar…Chuck Berry maakt natuurlijk geen fouten en het zou gaan over Congo Square in New Orleans, waar men de conga drum speelt. Het is prachtig om te lezen.
Berry gaat in zaken. Hij koopt onroerend goed, een groot huis en laat een park aanleggen met een vijver dat hij Berry Park noemt. Voor zijn eigen plezier koopt hij een hele stoet aan Cadillacs, zijn favoriete auto.
Berry is een fantastische muzikant, maar wordt ook achtervolgd door schandalen. Hij heeft al eens vastgezeten voor een overval, maar wordt ook veroordeeld omdat hij seks heeft met een veertienjarig meisje. Hij zit er anderhalf jaar voor vast. Hij mishandelt later nog een vrouw en filmt in zijn restaurant vrouwen en meisjes op het toilet. Het laat een lelijke kant van de man zien. In het algemeen kan hij ook vreselijk bot zijn tegenover anderen. Als een gastvrouw enthousiast aan hem vraagt hoe ze hem zal aankondigen antwoordt hij;
‘You just say whatever comes into your pathetic little mind.’
Het is niet leuk dit soort dingen te lezen over een muziekheld maar dat is wat het is, wordt niet verbloemd in dit boek en dat is prima.
Berry is een ster en hij weet het. Keith Richards neemt het initiatief voor een concert ter ere van Berry, dat resulteert in de documentaire Hail! Hail! Rock ‘n’ Roll en is en passant de eerste rockster die een mep krijgt van Berry. Maakt niet uit, Berry blijft voor Richards de muziekvader van allemaal. Berry gedraagt zich er ook naar. Zijn afspraken leeft hij na tot op de letter. Hij speelt zo lang als afgesproken. Een toegift? Extra betalen. Loopt het voorprogramma uit waardoor hij later kan beginnen? Dan duurt zijn show korter, want hij is op tijd. Toch langer spelen? Extra betalen.
Het boek geeft een mooi en evenwichtig beeld van de man, zijn muziek en de tijd waarin hij leeft. Er zijn meer grote geesten met nare kantjes, Richard Wagner en T.S. Elliot als overtuigde antisemieten, William S. Burroughs die zijn vrouw vermoordt, maar gelukkig mogen we wel van hun kunst genieten. Dat doe ik dan ook, ik ben een fan van zijn muziek en in die zin heeft Chuck Berry iets mooi nagelaten. Laten we het hem zelf maar laten afsluiten, voordat hij met duckwalk en al van het toneel verdwijnt;
“I’ve been told that I’m very unique. And I just think it’s because I’ve been around so long…I didn’t start anything. There’s nothing new under the sun. I participated in it strongly perhaps at a particular time, when it was vulnerable to being impregnated, and I may shine out through those perforations. But other than that, it’s just a washboard of time passing.” show less
Berry groeit op in St. Louis, in een tijd waarin racisme aan de orde van de dag is. Hij heeft al vroeg belangstelling voor muziek, geeft optredens op school maar loopt ook aardig uit de pas als hij veroordeeld wordt voor een gewapende overval. Hij zit er drie jaar voor vast.
Als hij vrijkomt stort hij zich op de muziek, perfectioneert zijn spel op de elektrische gitaar en verzint zelf een muzieknotatiesysteem, want noten lezen kan hij niet. Zijn eerste hit is Maybellene, afgeleid van een Amerikaanse traditional Ida Red. De bekende disc jockey Alan Freed geeft het nummer alle aandacht, ook omdat hij op miraculeuze wijze samen met een maffiajongen als coauteur wordt genoemd wat goed is voor de inkomsten.
Dat zit hem in het spel van Berry, die de traditionele rhythm & blues verrijkt met zijn gitaarrifs, maar ook met zijn teksten. Die lopen als een trein, gaan over onderwerpen die de jeugd op dat moment aanspreken, zoals auto’s en vrijheid én door zijn dictie. Berry is opgegroeid met poëzie, is een fan van Nat King Cole en diens uitspraak van zijn teksten en die combinatie zorgt ervoor dat hij altijd te verstaan is en zijn teksten lopen show more als stromend water. Wie verzint er een titel en zin als With no par-ti-cu-lar place to go? Chuck Berry dus. Bruce Springsteen zegt over de volgende zin uit Nadine;
I saw her from the corner when she turned and doubled back
And started walking toward a coffee colored Cadillac
“Ik heb nog nooit een koffiekleurige Cadillac gezien, maar ik weet precies hoe die eruitziet.” (Zo is er heel veel te zeggen over de muziek én de teksten van Berry en dat komt prima naar voren in dit boek.
De muziek van Chuck Berry vindt een weg naar de blanke luisteraars. In het begin van zijn carrière wist men zelfs niet dat hij zwart was en hij cultiveert dat ook een tijd. Toch blijft racisme een thema dat hem achtervolgt en de auteur schetst tegelijk een prima tijdsbeeld in dit boek, het gaat niet alleen over Berry zelf maar laat zien waaruit zijn muziek voortkomt.
Die muziek, daar draait het om voor mij en ik houd van verhalen zoals die over het ontstaan van het nummer Rock and Roll Music. Berry noemt daarin een aantal dansen zoals de mambo en de tango en zingt dan It’s way too early for the congo. Waar men denkt dat het een foutje is en hij de conga bedoelt, wat ook een dans is. Waarom zou het te vroeg zijn voor een land dat Congo heet? Maar…Chuck Berry maakt natuurlijk geen fouten en het zou gaan over Congo Square in New Orleans, waar men de conga drum speelt. Het is prachtig om te lezen.
Berry gaat in zaken. Hij koopt onroerend goed, een groot huis en laat een park aanleggen met een vijver dat hij Berry Park noemt. Voor zijn eigen plezier koopt hij een hele stoet aan Cadillacs, zijn favoriete auto.
Berry is een fantastische muzikant, maar wordt ook achtervolgd door schandalen. Hij heeft al eens vastgezeten voor een overval, maar wordt ook veroordeeld omdat hij seks heeft met een veertienjarig meisje. Hij zit er anderhalf jaar voor vast. Hij mishandelt later nog een vrouw en filmt in zijn restaurant vrouwen en meisjes op het toilet. Het laat een lelijke kant van de man zien. In het algemeen kan hij ook vreselijk bot zijn tegenover anderen. Als een gastvrouw enthousiast aan hem vraagt hoe ze hem zal aankondigen antwoordt hij;
‘You just say whatever comes into your pathetic little mind.’
Het is niet leuk dit soort dingen te lezen over een muziekheld maar dat is wat het is, wordt niet verbloemd in dit boek en dat is prima.
Berry is een ster en hij weet het. Keith Richards neemt het initiatief voor een concert ter ere van Berry, dat resulteert in de documentaire Hail! Hail! Rock ‘n’ Roll en is en passant de eerste rockster die een mep krijgt van Berry. Maakt niet uit, Berry blijft voor Richards de muziekvader van allemaal. Berry gedraagt zich er ook naar. Zijn afspraken leeft hij na tot op de letter. Hij speelt zo lang als afgesproken. Een toegift? Extra betalen. Loopt het voorprogramma uit waardoor hij later kan beginnen? Dan duurt zijn show korter, want hij is op tijd. Toch langer spelen? Extra betalen.
Het boek geeft een mooi en evenwichtig beeld van de man, zijn muziek en de tijd waarin hij leeft. Er zijn meer grote geesten met nare kantjes, Richard Wagner en T.S. Elliot als overtuigde antisemieten, William S. Burroughs die zijn vrouw vermoordt, maar gelukkig mogen we wel van hun kunst genieten. Dat doe ik dan ook, ik ben een fan van zijn muziek en in die zin heeft Chuck Berry iets mooi nagelaten. Laten we het hem zelf maar laten afsluiten, voordat hij met duckwalk en al van het toneel verdwijnt;
“I’ve been told that I’m very unique. And I just think it’s because I’ve been around so long…I didn’t start anything. There’s nothing new under the sun. I participated in it strongly perhaps at a particular time, when it was vulnerable to being impregnated, and I may shine out through those perforations. But other than that, it’s just a washboard of time passing.” show less
Het boek Drie akkoorden en de waarheid van cultuurreporter Rob van Scheers biedt Muzikale levenslessen en krijgt zowaar een aanbeveling van Matthijs van Nieuwkerk, die ik qua muziek redelijk hoog heb zitten.
De insteek van dit boek is om de levenscyclus, vanaf de geboorte tot de dood en daarna, in popliedjes te vangen. Een soort van lijstjesboek dus, met daarin opgenomen fragmenten van interviews die door Scheers zijn gevoerd met artiesten.
Hierbij wordt een avontuurlijke en aanstekelijke ontdekkingstocht voor iedere muziekliefhebber beloofd, want de muziekverhalen kenmerken zich door een grote kennis van zaken, een rijkdom aan details en een brede blik, waarbij de auteur voorbij wil gaan aan de zogenaamde wikiweetjes.
Het moet de oogst zijn van dertig jaar cultuurjournalistiek maar u voelt hem al aankomen, het is een wat schrale oogst wat mij betreft.
Maar laten wij oog hebben voor de positieve punten. De aanleiding lijkt mij prima, de levensloop is in talloze nummers beschreven en al staat er ‘popliedjes’ op de achterflap, Scheers geeft in zijn voorwoord al aan dat anything goes en hij neemt ook country, jazz, blues en zelfs de verstilde muziek van componist Arvo Pärt op in zijn overzicht.
Scheers begint meteen maar vóór de levensloop zelf met het thema abortus en het nummer Unbeschreiblich Weiblich van Nina Hagen. Om door te stoten naar Tupelo van Nick Cave over een dubbele geboorte van niemand minder dan Elvis Presley en zijn tweelingbroer Jesse (die stierf tijdens show more de geboorte). Dat begint eigenlijk best prima.
Als we de kindertijd induiken volgen de eerste muzieklijstjes met een korte toelichting waarom het nummer is geselecteerd. Goin’ Back van Carole King vanwege het terugverlangen naar de jeugd, Coat of Many Colors van Dolly Parton over de liefde vanuit huis en pesten op school en nog zo een paar.
Bij de tienerjaren komt de methode Hoskyns voorbij, waar ik nog nooit van had gehoord. Wel van Barney Hoskyns, want die schreef boeken over Tom Waits en Laurel Canyon, maar zijn methode is een manier om opnieuw overbekende nummers te ontdekken. Word ik door de stem geraakt, wat zegt de tekst mij en nog een paar vragen. Leest u het vooral zelf eens, het is weinig spectaculair.
Er volgen meer lijstjes waar soms best goede nummers tussen zitten, zoals Somebody Told Me van The Killers of wat werk van The Undertones en The Smiths, maar de lijstjes worden al iets meer obligaat. Wat wel goed werkt is de afwisseling met interviews die de auteur door de jaren heeft afgenomen, zoals met Cosimo Matassa. Hij had een opname studio in New Orleans waar Fats Domino en Little Richard nog hebben opgenomen en hij was er vroeg bij;
Entree Fats Domino, wiens single The Fat Man – door Matassa opgenomen op zaterdag 10 december 1949 – thans wordt gezien als de échte kickstart van de rock-‘n-roll, vijf jaar voor Elvis’ That’s All Right, dus.
Interviews met de Beatle-producer George Martin en Beach Boy Brian Wilson over diens album Smile zijn prima. Er volgt een uitstapje naar de Drentse zanger Daniël Lohues en zijn helden en hij ziet een interview met Chuck Berry in de soep lopen door het hinderlijke gedrag van de rock-‘n-roll legende;
Een sardonische glimlach speelde rond zijn mondhoeken. En in zijn ogen stond iets heel sinisters, iets enorm triomfantelijks ook. Heb je niet van terug hè? – zag je hem denken. En dat was ook zo, want hij was Chuck Berry, en wij allemaal niet. Ik stond in arren moede dan maar op. Het was tenslotte een kwestie van zelfrespect geworden…Ik gaf hem een hand, en liet eruit floepen: ‘Fuck you, Chuck.’ Ongepast, maar welgemeend.
Het is aardig om te lezen, maar het gaat mij om de muziek en de voorgestelde nummers zijn weinig verrassend. Over liefde en het huwelijk komen met Stand By Me, Fly Me to the Moon, Our House, Sexual Healing; die kunnen we allemaal verzinnen. Bij liedjes over hard werken geldt hetzelfde. Daar vinden we onder meer Working in the Coal Mine, 9 to 5, Chain Gang, Manic Monday en She Works Hard for the Money.
Ik word wel getriggerd om eindelijk eens de biopic over Hank Williams te gaan bekijken en om Chet Baker eens bij de kop te gaan pakken want Van Scheers waaiert wel lekker uit over verschillende muziekstijlen. Er staat hier en daar een leuke quote in, zoals van Emmylou Harris over country;
‘Het genre durft een risico te nemen…de muziek mikt recht op je hart, met alle gevaren vandien. Maar áls het lukt, dan is dat iets van een diepe, diepe schoonheid.’
Of nog beter als de kleinzoon van Hank Williams, Hank III, zegt dat hij country maakt om zijn alimentatie te betalen, maar ook omdat de country weer kloten moet krijgen; het is te mooi om aan Garth Brooks uit te leveren.
Er staan nummers in lijstjes over verval, over drank, over de dood en daarna. U leest over Deep Purple gitarist Ritchie Blackmore die fantasy concerten geeft op kastelen, uitgedost met puntmuts en over wat al die artiesten toch moeten met een Wrecking Ball. Van Scheers is ook niet bang om een statement te maken als jazzdiva Rita Reys wat te streng is voor de muziek van Billie Holiday (dat was ze ook al voor Sarah Vaughan);
Ik hoor liever Billie Holiday één keer in mijn leven Strange Fruit zingen dan dat ik een tiendelige oeuvrebox van Rita Reys cadeau krijg.
Waarvan akte. Het is een aardig boek om te lezen, maar het definitieve lijstjesboek blijft voorlopig Stoffer’s Jukebox, dat is een verrassende goudmijn. show less
De insteek van dit boek is om de levenscyclus, vanaf de geboorte tot de dood en daarna, in popliedjes te vangen. Een soort van lijstjesboek dus, met daarin opgenomen fragmenten van interviews die door Scheers zijn gevoerd met artiesten.
Hierbij wordt een avontuurlijke en aanstekelijke ontdekkingstocht voor iedere muziekliefhebber beloofd, want de muziekverhalen kenmerken zich door een grote kennis van zaken, een rijkdom aan details en een brede blik, waarbij de auteur voorbij wil gaan aan de zogenaamde wikiweetjes.
Het moet de oogst zijn van dertig jaar cultuurjournalistiek maar u voelt hem al aankomen, het is een wat schrale oogst wat mij betreft.
Maar laten wij oog hebben voor de positieve punten. De aanleiding lijkt mij prima, de levensloop is in talloze nummers beschreven en al staat er ‘popliedjes’ op de achterflap, Scheers geeft in zijn voorwoord al aan dat anything goes en hij neemt ook country, jazz, blues en zelfs de verstilde muziek van componist Arvo Pärt op in zijn overzicht.
Scheers begint meteen maar vóór de levensloop zelf met het thema abortus en het nummer Unbeschreiblich Weiblich van Nina Hagen. Om door te stoten naar Tupelo van Nick Cave over een dubbele geboorte van niemand minder dan Elvis Presley en zijn tweelingbroer Jesse (die stierf tijdens show more de geboorte). Dat begint eigenlijk best prima.
Als we de kindertijd induiken volgen de eerste muzieklijstjes met een korte toelichting waarom het nummer is geselecteerd. Goin’ Back van Carole King vanwege het terugverlangen naar de jeugd, Coat of Many Colors van Dolly Parton over de liefde vanuit huis en pesten op school en nog zo een paar.
Bij de tienerjaren komt de methode Hoskyns voorbij, waar ik nog nooit van had gehoord. Wel van Barney Hoskyns, want die schreef boeken over Tom Waits en Laurel Canyon, maar zijn methode is een manier om opnieuw overbekende nummers te ontdekken. Word ik door de stem geraakt, wat zegt de tekst mij en nog een paar vragen. Leest u het vooral zelf eens, het is weinig spectaculair.
Er volgen meer lijstjes waar soms best goede nummers tussen zitten, zoals Somebody Told Me van The Killers of wat werk van The Undertones en The Smiths, maar de lijstjes worden al iets meer obligaat. Wat wel goed werkt is de afwisseling met interviews die de auteur door de jaren heeft afgenomen, zoals met Cosimo Matassa. Hij had een opname studio in New Orleans waar Fats Domino en Little Richard nog hebben opgenomen en hij was er vroeg bij;
Entree Fats Domino, wiens single The Fat Man – door Matassa opgenomen op zaterdag 10 december 1949 – thans wordt gezien als de échte kickstart van de rock-‘n-roll, vijf jaar voor Elvis’ That’s All Right, dus.
Interviews met de Beatle-producer George Martin en Beach Boy Brian Wilson over diens album Smile zijn prima. Er volgt een uitstapje naar de Drentse zanger Daniël Lohues en zijn helden en hij ziet een interview met Chuck Berry in de soep lopen door het hinderlijke gedrag van de rock-‘n-roll legende;
Een sardonische glimlach speelde rond zijn mondhoeken. En in zijn ogen stond iets heel sinisters, iets enorm triomfantelijks ook. Heb je niet van terug hè? – zag je hem denken. En dat was ook zo, want hij was Chuck Berry, en wij allemaal niet. Ik stond in arren moede dan maar op. Het was tenslotte een kwestie van zelfrespect geworden…Ik gaf hem een hand, en liet eruit floepen: ‘Fuck you, Chuck.’ Ongepast, maar welgemeend.
Het is aardig om te lezen, maar het gaat mij om de muziek en de voorgestelde nummers zijn weinig verrassend. Over liefde en het huwelijk komen met Stand By Me, Fly Me to the Moon, Our House, Sexual Healing; die kunnen we allemaal verzinnen. Bij liedjes over hard werken geldt hetzelfde. Daar vinden we onder meer Working in the Coal Mine, 9 to 5, Chain Gang, Manic Monday en She Works Hard for the Money.
Ik word wel getriggerd om eindelijk eens de biopic over Hank Williams te gaan bekijken en om Chet Baker eens bij de kop te gaan pakken want Van Scheers waaiert wel lekker uit over verschillende muziekstijlen. Er staat hier en daar een leuke quote in, zoals van Emmylou Harris over country;
‘Het genre durft een risico te nemen…de muziek mikt recht op je hart, met alle gevaren vandien. Maar áls het lukt, dan is dat iets van een diepe, diepe schoonheid.’
Of nog beter als de kleinzoon van Hank Williams, Hank III, zegt dat hij country maakt om zijn alimentatie te betalen, maar ook omdat de country weer kloten moet krijgen; het is te mooi om aan Garth Brooks uit te leveren.
Er staan nummers in lijstjes over verval, over drank, over de dood en daarna. U leest over Deep Purple gitarist Ritchie Blackmore die fantasy concerten geeft op kastelen, uitgedost met puntmuts en over wat al die artiesten toch moeten met een Wrecking Ball. Van Scheers is ook niet bang om een statement te maken als jazzdiva Rita Reys wat te streng is voor de muziek van Billie Holiday (dat was ze ook al voor Sarah Vaughan);
Ik hoor liever Billie Holiday één keer in mijn leven Strange Fruit zingen dan dat ik een tiendelige oeuvrebox van Rita Reys cadeau krijg.
Waarvan akte. Het is een aardig boek om te lezen, maar het definitieve lijstjesboek blijft voorlopig Stoffer’s Jukebox, dat is een verrassende goudmijn. show less
Mar 18, 2026Dutch
De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800. De Zuidelijke Nederlanden by Tom Verschaffel
De weg naar het binnenland is deel zes van de Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur. Het is geschreven door Tom Verschaffel en net als deel vijf behandelt het de periode 1700-1800, maar dan de geschiedenis van de literatuur in de Zuidelijke Nederlanden. Deel vijf ging over de geschiedenis in De Republiek ofwel de Noordelijke Nederlanden.
Dit deel is met 283 pagina’s een stuk minder lijvig dan zijn voorganger en dat heeft een reden. Er valt literatuurtechnisch in het zuiden niet zo veel te beleven in die tijd. Verschaffel;
Er is in deze periode geschreven en gepubliceerd, maar slechts weinig daarvan heeft de aandacht van literatuurhistorici getrokken.
Een oorzaak daarvan is het feit dat met name in het Zuiden andere talen dan het Nederlands een belangrijke rol spelen. Frans is de hoftaal en de taal voor officiële stukken en de hooggeschoolden. Het Latijn is de taal van de clerus en het Nederlands? Het volk spreekt Nederlands en als dat volk bereikt moet worden, dan is de Nederlandse taal een factor. De doelgroep en reden van wat wordt geschreven speelt een grote rol.
Om het nog wat ingewikkelder te maken hebben we het hier over de Nederlandstalige literatuur van de Oostenrijkse Nederlanden. Het zijn de zuidelijke provincies die onder het bewind van de Oostenrijkse tak van het huis Habsburg stonden en grotendeels het huidige België en Luxemburg bestrijken.
Nog een reden waarom dit boek niet zo dik is, is dat de literatuurproductie in het Noorden onvergelijkelijk veel show more groter was dan in het Zuiden. Verschaffel licht het allemaal keurig toe.
Natuurlijk ligt het literaire landschap niet helemaal braak. Er zijn rederijkerskamers die literair actief zijn door dichtwedstrijden te houden. De kamers doen ook aan toneel. Vaak bewerken ze daarvoor de klassieken maar er wordt ook nieuw werk geschreven, zoals door Pieter Vincent. Hij zorgt zelfs voor een feestrede waarin hij zichzelf daarvoor de lof toezwaait;
Wy speelden menigh spel dat wy niet wilden haelen
By d’een of d’anderen uytlantschen puykpoëet
Het Nederlands dus in dichtvorm en voor op het toneel en er verschijnt ook een Nederlandstalig tijdschrift, Den Vlaamschen Indicateur. Dat is een vooruitstrevend blad dat maatschappelijke kwesties behandelt, maar het publiceert ook besprekingen en signalementen van boeken en heeft literaire bijdragen.
Omdat literair proza dun gezaaid is, ligt de focus vooral op toneelteksten en de dichtkunst. Berijmde dichtkunst, maar volgens de monnik en bibliothecaris Godefridus Bouvaert moeten we daar ook niet te benauwd over doen; rijmen is geen must.
‘Oordeelt nu, onpartydigen Lezer, of een wel-gemaekt gedicht zonder rym, niet honderd-mael bevallyker is, als rymende liniën zonder maet. Nu de rechte dicht-maet gevonden is, konnen wy den rym wel derven.’
Dat geeft moed voor de Sinterklaasperiode lijkt mij zo. Verschaffel gaat verder met zijn exploraties naar Nederlandse teksten en komt bij enkele vanzelfsprekendheden uit.
Het geloof natuurlijk. Het volk dient op verstaanbare wijze het geloof bijgebracht te worden dus de preken worden in het Nederlands gegeven. Daaruit volgt dat die preken ook gedrukt worden in preekboeken. Ook draaien de persen overuren bij het drukken van stichtelijke en moraliserende teksten. In druk verschijnen handige regels voor boeren en arbeiders, opgesomd weergegeven wat men dient te vermijden;
1. De gemeynschap met vrouw-persoonen
2. Het vloeken en sweeren
3. De ledigheyt en den drank
Ik heb enige twijfel aan de effectiviteit en het nut hiervan maar goed. Er zijn ook vrolijker zaken om het volk mee te delen. Als het flink gesneeuwd heeft werden er ook toen sneeuwpoppen gemaakt en zelfs hele kunstwerken, waarop de Antwerpse dichter Jan Antoon Frans Pauwels terstond een gedicht maakte met de titel Berigt van constig gemaeckte sneeuwe beelden.
Als er een vorst overlijdt wordt dat ook in het Nederlands gepubliceerd, inclusief de lof- en treurdichten. Dat was zo bij het overlijden van gouverneur Karel van Lotharingen, maar men ging helemaal vol op het literaire orgel toen keizerin Maria Theresia heenging.
Verschaffel laat verder zien dat de Nederlandse literatuur tot diep in de eeuw een wapen is ter ondersteuning en versterking van de heersende macht. Aan de andere kant biedt het voer voor polemisten, die voor ‘een zondvloed aan pamfletten’ zorgen en zo zelfs een rol spelen in de revolutie.
Daar moeten we het dan ook mee doen en Verschaffel sluit het als volgt af in zijn epiloog;
De geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw is geen triomfantelijk verhaal. Er worden geen hoge toppen gescheerd. Er is wel heel wat gepubliceerd, ook in het Nederlands: gelegenheidsgedichten, toneelprogramma’s en -stukken, stichtelijke teksten, gebeden- en liedboeken, almanakken en volksboeken, pamfletten en kranten, historisch, juridisch en wetenschappelijk werk. In grote meerderheid geen werk waar literaire roem mee te oogsten valt. Die is er in de Oostenrijkse Nederlanden sowieso nauwelijks te behalen.
Wij gaan te zijner tijd eens bekijken hoe het ervoor staat in de negentiende eeuw, in het volgende deel van deze serie. show less
Dit deel is met 283 pagina’s een stuk minder lijvig dan zijn voorganger en dat heeft een reden. Er valt literatuurtechnisch in het zuiden niet zo veel te beleven in die tijd. Verschaffel;
Er is in deze periode geschreven en gepubliceerd, maar slechts weinig daarvan heeft de aandacht van literatuurhistorici getrokken.
Een oorzaak daarvan is het feit dat met name in het Zuiden andere talen dan het Nederlands een belangrijke rol spelen. Frans is de hoftaal en de taal voor officiële stukken en de hooggeschoolden. Het Latijn is de taal van de clerus en het Nederlands? Het volk spreekt Nederlands en als dat volk bereikt moet worden, dan is de Nederlandse taal een factor. De doelgroep en reden van wat wordt geschreven speelt een grote rol.
Om het nog wat ingewikkelder te maken hebben we het hier over de Nederlandstalige literatuur van de Oostenrijkse Nederlanden. Het zijn de zuidelijke provincies die onder het bewind van de Oostenrijkse tak van het huis Habsburg stonden en grotendeels het huidige België en Luxemburg bestrijken.
Nog een reden waarom dit boek niet zo dik is, is dat de literatuurproductie in het Noorden onvergelijkelijk veel show more groter was dan in het Zuiden. Verschaffel licht het allemaal keurig toe.
Natuurlijk ligt het literaire landschap niet helemaal braak. Er zijn rederijkerskamers die literair actief zijn door dichtwedstrijden te houden. De kamers doen ook aan toneel. Vaak bewerken ze daarvoor de klassieken maar er wordt ook nieuw werk geschreven, zoals door Pieter Vincent. Hij zorgt zelfs voor een feestrede waarin hij zichzelf daarvoor de lof toezwaait;
Wy speelden menigh spel dat wy niet wilden haelen
By d’een of d’anderen uytlantschen puykpoëet
Het Nederlands dus in dichtvorm en voor op het toneel en er verschijnt ook een Nederlandstalig tijdschrift, Den Vlaamschen Indicateur. Dat is een vooruitstrevend blad dat maatschappelijke kwesties behandelt, maar het publiceert ook besprekingen en signalementen van boeken en heeft literaire bijdragen.
Omdat literair proza dun gezaaid is, ligt de focus vooral op toneelteksten en de dichtkunst. Berijmde dichtkunst, maar volgens de monnik en bibliothecaris Godefridus Bouvaert moeten we daar ook niet te benauwd over doen; rijmen is geen must.
‘Oordeelt nu, onpartydigen Lezer, of een wel-gemaekt gedicht zonder rym, niet honderd-mael bevallyker is, als rymende liniën zonder maet. Nu de rechte dicht-maet gevonden is, konnen wy den rym wel derven.’
Dat geeft moed voor de Sinterklaasperiode lijkt mij zo. Verschaffel gaat verder met zijn exploraties naar Nederlandse teksten en komt bij enkele vanzelfsprekendheden uit.
Het geloof natuurlijk. Het volk dient op verstaanbare wijze het geloof bijgebracht te worden dus de preken worden in het Nederlands gegeven. Daaruit volgt dat die preken ook gedrukt worden in preekboeken. Ook draaien de persen overuren bij het drukken van stichtelijke en moraliserende teksten. In druk verschijnen handige regels voor boeren en arbeiders, opgesomd weergegeven wat men dient te vermijden;
1. De gemeynschap met vrouw-persoonen
2. Het vloeken en sweeren
3. De ledigheyt en den drank
Ik heb enige twijfel aan de effectiviteit en het nut hiervan maar goed. Er zijn ook vrolijker zaken om het volk mee te delen. Als het flink gesneeuwd heeft werden er ook toen sneeuwpoppen gemaakt en zelfs hele kunstwerken, waarop de Antwerpse dichter Jan Antoon Frans Pauwels terstond een gedicht maakte met de titel Berigt van constig gemaeckte sneeuwe beelden.
Als er een vorst overlijdt wordt dat ook in het Nederlands gepubliceerd, inclusief de lof- en treurdichten. Dat was zo bij het overlijden van gouverneur Karel van Lotharingen, maar men ging helemaal vol op het literaire orgel toen keizerin Maria Theresia heenging.
Verschaffel laat verder zien dat de Nederlandse literatuur tot diep in de eeuw een wapen is ter ondersteuning en versterking van de heersende macht. Aan de andere kant biedt het voer voor polemisten, die voor ‘een zondvloed aan pamfletten’ zorgen en zo zelfs een rol spelen in de revolutie.
Daar moeten we het dan ook mee doen en Verschaffel sluit het als volgt af in zijn epiloog;
De geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw is geen triomfantelijk verhaal. Er worden geen hoge toppen gescheerd. Er is wel heel wat gepubliceerd, ook in het Nederlands: gelegenheidsgedichten, toneelprogramma’s en -stukken, stichtelijke teksten, gebeden- en liedboeken, almanakken en volksboeken, pamfletten en kranten, historisch, juridisch en wetenschappelijk werk. In grote meerderheid geen werk waar literaire roem mee te oogsten valt. Die is er in de Oostenrijkse Nederlanden sowieso nauwelijks te behalen.
Wij gaan te zijner tijd eens bekijken hoe het ervoor staat in de negentiende eeuw, in het volgende deel van deze serie. show less
Mar 12, 2026Dutch
De jongedochter Martin is de derde bundel korte verhalen die ik lees van Guy de Maupassant en bestrijkt de jaren 1882-1883. Het is de periode waarin het de schrijver langzamerhand duidelijk wordt wat de gevolgen zijn van een opgelopen geslachtsziekte. Er zijn nog genoeg komische noten in zijn verhalen te bespeuren, maar ze kunnen niet verhullen dat de vrolijkheid wat afneemt naarmate de verhalen vorderen.
Het happy end wordt zeldzamer en bij De Maupassant zelf kondigen zich voorzichtig de eerste symptomen van dreigende waanzin zich aan. Maar uitgeschreven is hij nog lang niet, dit boek bevat weer 52 verhalen in 352 pagina’s. Korte verhalen, de vaart blijft er lekker in.
De dood spreekt ook in dit deel weer een aardig woordje mee en dat begint al in het openingsverhaal, waarin de ooit onteerde mevrouw Baptiste door de plaatselijke dorpsgenoten zo te kijk wordt gezet, dat ze pardoes over de brugleuning naar haar trieste einde springt. We zitten er meteen lekker in. Als even later een waanzinnige vrouw door Pruisische soldaten het bos in wordt gesleept en dat ook niet overleeft, zijn we nog geen 30 pagina’s gevorderd.
Gelukkig is daar ook de komische noot van een stomdronken jongeling, die per ongeluk in het bed belandt bij de dochter van de kolonel. Hij kan deze misstap goedmaken door met haar te trouwen. Even lachen, tot we weer de dramatiek inschieten met een aardige cliffhanger in her verhaal Yveline Samoris;
‘Gravin Samoris.’
‘Is dat die dame in het zwart show more daarginds?’
‘Dat is ze, ze is in de rouw om haar dochter die ze heeft gedood.’
Niets menselijks is ons vreemd, u wilt dan toch graag doorlezen. Een goede drie pagina’s verder bent u op de hoogte.
Als kind van zijn tijd laat Maupassant vaak de Frans-Pruisische oorlog terugkomen in zijn werk. Het meest dramatische verhaal is dat van de fanatieke sportvissers Sauvage en Morissot. Zij krijgen toestemming om op eigen risico te gaan vissen vlak bij de frontlinie en ik zei het al, het happy end wordt zeldzamer.
Dat ondervindt ook de visser die een arm kwijtraakt maar zo zijn broer geld bespaart, vader Judas die varkensvoer wordt en Cocotte, de aanhankelijke maar altijd drachtige hond. Zie ook het vorige deel, de viervoeters kunnen zich beter uit de voeten maken, die zijn vaak de pineut. Vraag maar aan de ezel op pagina 269.
Als het dan toch droefenis is, kan je er maar beter iets poëtisch van maken zoals in Miss Harriet;
Een bleek licht kondigde de dageraad aan, toen kroop een rode straal tot aan het bed, legde een staaf van vuur over de lakens en over haar handen. Dit was het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen in de bomen. Ik gooide het raam wijd open, ik schoof de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons zou zien, ik boog me over dat ijskoude lijk…
De liefde is altijd een thema bij Maupassant. In Het Venster veroorlooft zich een verloofde zich zulke pikanterieën dat hij meteen verloofde-af is. Als dat zijn mannelijkheid heeft aangetast kan hij een paar verhalen verder in De Snor wat tips opdoen, want dat borsteltje onder de neus schijnt het toppunt van mannelijkheid te zijn. We krijgen meteen een klein college;
En hoe verschillend kunnen ze eruitzien, die snorren! Soms zijn ze omgekeerd, gekruld, behaagziek. Die lijken vooral vrouwen te beminnen! Soms zijn ze puntig, scherp als naalden, dreigend. Die houdt meer van wijn, paarden en veldslagen. Soms zijn ze enorm, hangend, schrikbarend. Die grote verbergen over het algemeen een uitstekend karakter, goedheid die bijna zwakheid is en zachtheid die aan verlegenheid grenst.
Heren, doe er uw voordeel mee. Ik heb mij net geschoren en blijf daarbij. Het was weer even aangenaam vertoeven in de wereld van Maupassant.
Vertaling; Hans van Cuijlenborg show less
Het happy end wordt zeldzamer en bij De Maupassant zelf kondigen zich voorzichtig de eerste symptomen van dreigende waanzin zich aan. Maar uitgeschreven is hij nog lang niet, dit boek bevat weer 52 verhalen in 352 pagina’s. Korte verhalen, de vaart blijft er lekker in.
De dood spreekt ook in dit deel weer een aardig woordje mee en dat begint al in het openingsverhaal, waarin de ooit onteerde mevrouw Baptiste door de plaatselijke dorpsgenoten zo te kijk wordt gezet, dat ze pardoes over de brugleuning naar haar trieste einde springt. We zitten er meteen lekker in. Als even later een waanzinnige vrouw door Pruisische soldaten het bos in wordt gesleept en dat ook niet overleeft, zijn we nog geen 30 pagina’s gevorderd.
Gelukkig is daar ook de komische noot van een stomdronken jongeling, die per ongeluk in het bed belandt bij de dochter van de kolonel. Hij kan deze misstap goedmaken door met haar te trouwen. Even lachen, tot we weer de dramatiek inschieten met een aardige cliffhanger in her verhaal Yveline Samoris;
‘Gravin Samoris.’
‘Is dat die dame in het zwart show more daarginds?’
‘Dat is ze, ze is in de rouw om haar dochter die ze heeft gedood.’
Niets menselijks is ons vreemd, u wilt dan toch graag doorlezen. Een goede drie pagina’s verder bent u op de hoogte.
Als kind van zijn tijd laat Maupassant vaak de Frans-Pruisische oorlog terugkomen in zijn werk. Het meest dramatische verhaal is dat van de fanatieke sportvissers Sauvage en Morissot. Zij krijgen toestemming om op eigen risico te gaan vissen vlak bij de frontlinie en ik zei het al, het happy end wordt zeldzamer.
Dat ondervindt ook de visser die een arm kwijtraakt maar zo zijn broer geld bespaart, vader Judas die varkensvoer wordt en Cocotte, de aanhankelijke maar altijd drachtige hond. Zie ook het vorige deel, de viervoeters kunnen zich beter uit de voeten maken, die zijn vaak de pineut. Vraag maar aan de ezel op pagina 269.
Als het dan toch droefenis is, kan je er maar beter iets poëtisch van maken zoals in Miss Harriet;
Een bleek licht kondigde de dageraad aan, toen kroop een rode straal tot aan het bed, legde een staaf van vuur over de lakens en over haar handen. Dit was het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen in de bomen. Ik gooide het raam wijd open, ik schoof de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons zou zien, ik boog me over dat ijskoude lijk…
De liefde is altijd een thema bij Maupassant. In Het Venster veroorlooft zich een verloofde zich zulke pikanterieën dat hij meteen verloofde-af is. Als dat zijn mannelijkheid heeft aangetast kan hij een paar verhalen verder in De Snor wat tips opdoen, want dat borsteltje onder de neus schijnt het toppunt van mannelijkheid te zijn. We krijgen meteen een klein college;
En hoe verschillend kunnen ze eruitzien, die snorren! Soms zijn ze omgekeerd, gekruld, behaagziek. Die lijken vooral vrouwen te beminnen! Soms zijn ze puntig, scherp als naalden, dreigend. Die houdt meer van wijn, paarden en veldslagen. Soms zijn ze enorm, hangend, schrikbarend. Die grote verbergen over het algemeen een uitstekend karakter, goedheid die bijna zwakheid is en zachtheid die aan verlegenheid grenst.
Heren, doe er uw voordeel mee. Ik heb mij net geschoren en blijf daarbij. Het was weer even aangenaam vertoeven in de wereld van Maupassant.
Vertaling; Hans van Cuijlenborg show less
Mar 7, 2026Dutch
De verovering van Plassans is de vierde roman van Émile Zola in de Rougon-Macquart cyclus. Plassans is een fictief plaatsje, geïnspireerd op Aix-en-Provence, waar deel één van de serie zich ook afspeelt. De hoofdpersonen in dit deel zijn Marthe Rougon, die samen met François Mouret (hij komt van de Macquart-tak) en hun drie kinderen Serge, Octave en Désiré een huis in Plassans bewonen.
Ze leiden een ogenschijnlijk rustig leven als ze een huurders krijgen. Priester Faujas en zijn moeder komen in huis wonen. Het lijken de ideale huurders. Ze zijn muisstil, niemand heeft last van ze.
Maar, schone en zeker Roomse schijn bedriegt. Faujas steekt steeds vaker zijn teen voorzichtig in de plaatselijke samenleving en gaat bijvoorbeeld eens kijken in de salon van Félicité, de moeder van Marthe. Hij kan ook op dinsdag naar het wekelijkse diner van Rastoil, de voorzitter van de rechtbank civiele zaken, maar daar bedankt hij vooralsnog voor. Hij merkt al snel dat het plaatsje Plassans een klein wespennest is van politiek en sociaal gekonkel. Dat is best lastig voor een priester die de kudde nog moet leren kennen. Félicité geeft hem raad;
“Wees beleefd en zorg dat de vrouwen u mogen. Onthoud dit goed, zorg dat de vrouwen u mogen, als u Plassans wilt veroveren.”
Waarmee meteen de titel maar verklaard is. Als u gehoopt had op een heroïsche veldslag kunt u het boek terzijde leggen. Faujas neemt de raad wel ter harte. Hij neemt met Marthe het initiatief tot een show more liefdadigheidsinstelling voor meisjes. Marthe bekeert zich en passant tot het Roomse geloof en langzaam wordt Faujas opgenomen in de samenleving.
Waar blijft François in dit verhaal? Nog niet direct op de voorgrond. Faujas heeft het met Marthe over hem en hun relatie. Hij weet dat ze neef en nicht zijn en denkt er het zijne van;
Hij meende oude gevechten te bespeuren in deze nerveuze aard, tot bedaren gebracht bij het naderen van de veertig jaar. En hij verbeeldde zich dit drama, deze vrouw en die man, verwant in het gezicht, waar al hun kennissen van meenden dat ze voor elkaar geschapen waren, terwijl, in de bodem van hun zijn, het gist van de bastaardij, het gevecht van vermengd bloed dat nog steeds opstandig was, het antagonisme prikkelde van twee verschillende temperamenten.
Als dit een voorbode lijkt van problemen dan klopt dat, maar daar zijn we nog niet. Er komt nog een stel de feestvreugde verhogen. De zus en zwager van Faujas komen ook in het huis wonen bij Marthe en François. Olympe en Trouche nemen hun intrek en ook van hen heeft men aanvankelijk weinig last. Ook dat zal gaan veranderen.
Langzaam zien we dat Faujas Plassans wel degelijk verovert. Hij doet dat tegen een achtergrond van een politiek en Rooms strijdtoneel. Politiek omdat er een strijd gaande is tussen legitimisten en bonapartisten. Legitimisten die aanhangers zijn van het huis Bourbon en bonapartisten, u raadt het, die meer heil zien in het huis Bonaparte en diens politieke systeem.
Roomse intriges zijn van alle eeuwen en in Plassans was al een priester en natuurlijk een bisschop. Die laatste wil vooral boeken lezen en Faujas moet zijn plek zien te veroveren in Plassans.
Langzaam maar zeker krijgt Faujas meer en meer in vloed. Op de samenleving, maar ook op Marthe, die zichzelf helemaal kwijtraakt. Ze doet zichzelf pijn en haar man François wordt erop aangekeken. Ook hij raakt aardig van het pad af. Olympe en Trouche nemen het huis over en u begrijpt dat het lastig is om hier nog een happy end aan te breien.
Hoe het precies afloopt? Een kleine spoiler dan;
Hij herinnerde zich, ging naar de kelder, en ging opnieuw op en neer. Nu was het de voorraad voor het verwarmen tijdens de winter die hij naar boven bracht: de steenkool, de aanmaakhoutjes en het hout.
Het is een vurige apotheose en in het nawoord heeft de vertaalster het over de rol van een piëta die de moeder van Faujas op zich neemt, als zij haar zoon tracht te redden van zijn ondergang en dat is mooi gevonden. Afijn, gaat u het vooral zelf lezen; het is een mooi verhaal.
Vertaling; Martine France Delflos show less
Ze leiden een ogenschijnlijk rustig leven als ze een huurders krijgen. Priester Faujas en zijn moeder komen in huis wonen. Het lijken de ideale huurders. Ze zijn muisstil, niemand heeft last van ze.
Maar, schone en zeker Roomse schijn bedriegt. Faujas steekt steeds vaker zijn teen voorzichtig in de plaatselijke samenleving en gaat bijvoorbeeld eens kijken in de salon van Félicité, de moeder van Marthe. Hij kan ook op dinsdag naar het wekelijkse diner van Rastoil, de voorzitter van de rechtbank civiele zaken, maar daar bedankt hij vooralsnog voor. Hij merkt al snel dat het plaatsje Plassans een klein wespennest is van politiek en sociaal gekonkel. Dat is best lastig voor een priester die de kudde nog moet leren kennen. Félicité geeft hem raad;
“Wees beleefd en zorg dat de vrouwen u mogen. Onthoud dit goed, zorg dat de vrouwen u mogen, als u Plassans wilt veroveren.”
Waarmee meteen de titel maar verklaard is. Als u gehoopt had op een heroïsche veldslag kunt u het boek terzijde leggen. Faujas neemt de raad wel ter harte. Hij neemt met Marthe het initiatief tot een show more liefdadigheidsinstelling voor meisjes. Marthe bekeert zich en passant tot het Roomse geloof en langzaam wordt Faujas opgenomen in de samenleving.
Waar blijft François in dit verhaal? Nog niet direct op de voorgrond. Faujas heeft het met Marthe over hem en hun relatie. Hij weet dat ze neef en nicht zijn en denkt er het zijne van;
Hij meende oude gevechten te bespeuren in deze nerveuze aard, tot bedaren gebracht bij het naderen van de veertig jaar. En hij verbeeldde zich dit drama, deze vrouw en die man, verwant in het gezicht, waar al hun kennissen van meenden dat ze voor elkaar geschapen waren, terwijl, in de bodem van hun zijn, het gist van de bastaardij, het gevecht van vermengd bloed dat nog steeds opstandig was, het antagonisme prikkelde van twee verschillende temperamenten.
Als dit een voorbode lijkt van problemen dan klopt dat, maar daar zijn we nog niet. Er komt nog een stel de feestvreugde verhogen. De zus en zwager van Faujas komen ook in het huis wonen bij Marthe en François. Olympe en Trouche nemen hun intrek en ook van hen heeft men aanvankelijk weinig last. Ook dat zal gaan veranderen.
Langzaam zien we dat Faujas Plassans wel degelijk verovert. Hij doet dat tegen een achtergrond van een politiek en Rooms strijdtoneel. Politiek omdat er een strijd gaande is tussen legitimisten en bonapartisten. Legitimisten die aanhangers zijn van het huis Bourbon en bonapartisten, u raadt het, die meer heil zien in het huis Bonaparte en diens politieke systeem.
Roomse intriges zijn van alle eeuwen en in Plassans was al een priester en natuurlijk een bisschop. Die laatste wil vooral boeken lezen en Faujas moet zijn plek zien te veroveren in Plassans.
Langzaam maar zeker krijgt Faujas meer en meer in vloed. Op de samenleving, maar ook op Marthe, die zichzelf helemaal kwijtraakt. Ze doet zichzelf pijn en haar man François wordt erop aangekeken. Ook hij raakt aardig van het pad af. Olympe en Trouche nemen het huis over en u begrijpt dat het lastig is om hier nog een happy end aan te breien.
Hoe het precies afloopt? Een kleine spoiler dan;
Hij herinnerde zich, ging naar de kelder, en ging opnieuw op en neer. Nu was het de voorraad voor het verwarmen tijdens de winter die hij naar boven bracht: de steenkool, de aanmaakhoutjes en het hout.
Het is een vurige apotheose en in het nawoord heeft de vertaalster het over de rol van een piëta die de moeder van Faujas op zich neemt, als zij haar zoon tracht te redden van zijn ondergang en dat is mooi gevonden. Afijn, gaat u het vooral zelf lezen; het is een mooi verhaal.
Vertaling; Martine France Delflos show less
Deel 7 van het Verzameld Werk van Plato heet De Staatsman en is feitelijk een vervolg op De sofist. Daarin onderhield een vreemdeling zich met Theaitetos over die sofist. Theaitetos wordt even rust gegund en zijn maatje Sokrates junior is nu de pineut en mag hem in het debat vervangen.
Het doel is te komen tot wat ‘De Staatsman’ nu is en daarin volgen we hetzelfde proces als in de sofist, de ‘dihairese’ ofwel de tweedeling. Het is geen dik boek, 92 pagina’s slechts, dus gaat u er eens goed voor zitten, het gaat u aanstonds een tikje duizelen.
Het lijkt de vreemdeling een goed begin om eens te beginnen met kennis, een basisvoorwaarde voor goed bestuur nietwaar? Er is praktische kennis voor de timmerman, er is theoretische kennis voor een staatsman, een leider of een koning. Theoretische kennis kan verdeeld worden in analyse en instructie.
Hier gaan we al iets dieper. Instructies komen van een ander of van uzelf en die gaan naar de realisatie van iets wat bezield is of onbezield is (u wilt een groep mensen iets laten doen of ergens een gebouw neerzetten). U bent er nog? Mooi.
Bezielde wezens kunnen namelijk individueel of groepsgewijs grootgebracht danwel opgevoed worden. Nu wil Sokrates junior, enthousiast geworden door de filosofische oefening, een volgende tweedeling maken in mensen en dieren. Daar steekt de vreemdeling eens stokje voor.
Ik ga hier natuurlijk niet de hele oefening herhalen, daar offert u zelf maar een avondje voor op. Wat wel interessant is, is dat show more het tweetal een verkeerde afslag neemt en zichzelf herpakt om weer tot de staatsman te geraken. Op dat pad geraken ze onvermijdelijk tot de regeringsvormen;
Vreemdeling: Het is dan ook onvermijdelijk dat we moeten onderzoeken bij welke van deze staatsvormen je kennis vindt om mensen te regeren, ongeveer het moeilijkste en het belangrijkste wat je onder de knie kunt krijgen! Want zolang we die kennis niet ontdekt hebben, kunnen we onmogelijk zien welke lui we van de wijze koning moeten scheiden, lui die in de ogen van de massa overtuigend de staatsman uithangen, maar dat helemaal niet zijn.
Het blijkt dat kennis van zaken de sleutel is tot goed staatsmanschap en en passant wordt duidelijk dat wetten nooit de beste instructies kunnen geven. Ze omvatten nooit wat voor iedereen samen het wenselijkste en het rechtvaardigste is. Daarom pleit Plato, bij monde van de vreemdeling, voor het gebruik van vakkennis boven wetten. Hij zet er tegelijk vraagtekens bij en wij hopen dat de heer Trump op dit blog meeleest;
Vreemdeling; Maar hoe zit het met dit geval: de macht berust bij één iemand met lak aan wetten en tradities, die als was hij de specialist je wijsmaakt dat je zelfs wanneer het tegen de geschreven wetten indruist het beste moet doen? En het gaat om iemand die er uit gretigheid en onwetendheid toe is gekomen zich als specialist te presenteren? Al zulke lieden moeten we toch dictators noemen?
De crux voor de staatsman zit hem in het verwerven van mensen met de juiste vakkennis en de juiste mix van ingetogenheid en voortvarendheid. Wij hopen ook dat het voltallig nieuw aangetreden kabinet meeleest op dit blog.
Wat wilde Plato nu met dit boek bereiken? Eerst en vooral een oefening geven in een filosofische methode. Ik citeer de vertalers in hun nawoord;
Hij laat de vreemdeling zeggen: ‘Hoe zit het dan met het onderzoek dat wij nu naar de staatsman doen? Zijn we daarmee vanwege de staatsman zelf op de proppen gekomen? Of om in alle gevallen beter te worden in dialectiek? Het blijkt om dat laatste te gaan. Tot schrik van ons, lezers van Plato én de krant van vandaag.
Maar tijdens die oefening blijkt Plato ons toch vaak een spiegel voor te houden die bruikbaar is tot op de dag van vandaag.
Vertaling: Hans Warren en Mario Molegraaf show less
Het doel is te komen tot wat ‘De Staatsman’ nu is en daarin volgen we hetzelfde proces als in de sofist, de ‘dihairese’ ofwel de tweedeling. Het is geen dik boek, 92 pagina’s slechts, dus gaat u er eens goed voor zitten, het gaat u aanstonds een tikje duizelen.
Het lijkt de vreemdeling een goed begin om eens te beginnen met kennis, een basisvoorwaarde voor goed bestuur nietwaar? Er is praktische kennis voor de timmerman, er is theoretische kennis voor een staatsman, een leider of een koning. Theoretische kennis kan verdeeld worden in analyse en instructie.
Hier gaan we al iets dieper. Instructies komen van een ander of van uzelf en die gaan naar de realisatie van iets wat bezield is of onbezield is (u wilt een groep mensen iets laten doen of ergens een gebouw neerzetten). U bent er nog? Mooi.
Bezielde wezens kunnen namelijk individueel of groepsgewijs grootgebracht danwel opgevoed worden. Nu wil Sokrates junior, enthousiast geworden door de filosofische oefening, een volgende tweedeling maken in mensen en dieren. Daar steekt de vreemdeling eens stokje voor.
Ik ga hier natuurlijk niet de hele oefening herhalen, daar offert u zelf maar een avondje voor op. Wat wel interessant is, is dat show more het tweetal een verkeerde afslag neemt en zichzelf herpakt om weer tot de staatsman te geraken. Op dat pad geraken ze onvermijdelijk tot de regeringsvormen;
Vreemdeling: Het is dan ook onvermijdelijk dat we moeten onderzoeken bij welke van deze staatsvormen je kennis vindt om mensen te regeren, ongeveer het moeilijkste en het belangrijkste wat je onder de knie kunt krijgen! Want zolang we die kennis niet ontdekt hebben, kunnen we onmogelijk zien welke lui we van de wijze koning moeten scheiden, lui die in de ogen van de massa overtuigend de staatsman uithangen, maar dat helemaal niet zijn.
Het blijkt dat kennis van zaken de sleutel is tot goed staatsmanschap en en passant wordt duidelijk dat wetten nooit de beste instructies kunnen geven. Ze omvatten nooit wat voor iedereen samen het wenselijkste en het rechtvaardigste is. Daarom pleit Plato, bij monde van de vreemdeling, voor het gebruik van vakkennis boven wetten. Hij zet er tegelijk vraagtekens bij en wij hopen dat de heer Trump op dit blog meeleest;
Vreemdeling; Maar hoe zit het met dit geval: de macht berust bij één iemand met lak aan wetten en tradities, die als was hij de specialist je wijsmaakt dat je zelfs wanneer het tegen de geschreven wetten indruist het beste moet doen? En het gaat om iemand die er uit gretigheid en onwetendheid toe is gekomen zich als specialist te presenteren? Al zulke lieden moeten we toch dictators noemen?
De crux voor de staatsman zit hem in het verwerven van mensen met de juiste vakkennis en de juiste mix van ingetogenheid en voortvarendheid. Wij hopen ook dat het voltallig nieuw aangetreden kabinet meeleest op dit blog.
Wat wilde Plato nu met dit boek bereiken? Eerst en vooral een oefening geven in een filosofische methode. Ik citeer de vertalers in hun nawoord;
Hij laat de vreemdeling zeggen: ‘Hoe zit het dan met het onderzoek dat wij nu naar de staatsman doen? Zijn we daarmee vanwege de staatsman zelf op de proppen gekomen? Of om in alle gevallen beter te worden in dialectiek? Het blijkt om dat laatste te gaan. Tot schrik van ons, lezers van Plato én de krant van vandaag.
Maar tijdens die oefening blijkt Plato ons toch vaak een spiegel voor te houden die bruikbaar is tot op de dag van vandaag.
Vertaling: Hans Warren en Mario Molegraaf show less
Volledige werken 10: Toneelstukken en scenario's. Drie drama's, De woeste wandeling, King Kong, Periander by Willem Frederik Hermans
Je kunt nog beter een ski-school in tropisch Afrika beginnen dan in dit land toneelstukken gaan schrijven
Zo verzuchtte Willem Frederik Hermans tegenover interviewer Ischa Meijer in 1970. Toch ging hij het avontuur aan en in deel 10 van zijn volledige werken worden zijn Toneelteksten en scenario’s gebundeld.
Allereerst gaat het om Drie drama’s. Het omgekeerde pension, Dutch comfort en De psychologische test. Vervolgens een filmscenario met als titel De woeste wandeling. Dan volgt de toneeltekst King Kong, gevolgd door een naschrift van Hermans over de totstandkoming van King Kong met de titel Wat Nederland niet op televisie mocht zien. Het deel wordt besloten door het televisiespel Periander.
Als romancier heb ik Hermans hoog zitten, dit deel kon mij maar ten dele boeien. Om te beginnen Het omgekeerde pension. Hermans stuurde dit in naar aanleiding van een prijsvraag. De opdracht was een toneelstuk te schrijven van 15 tot 25 minuten over ‘de volkomen ommekeer’ die een brief teweegbrengt ‘in een bestaande situatie ter plaatse waar de brief wordt ontvangen’. Hij wint de prijsvraag, het wordt aangekocht door nota bene Wim Kan (die er niets mee doet), maar boeide mij niet. Gaat u het lezen en overtuig mij van het tegendeel.
Dutch comfort is veel aardiger, hoewel uitgever Geert van Oorschot het niks vindt en Hermans hem gelijk geeft;
‘Nee, klaarblijkelijk ben ik in het toneelschrijven nog niet volleerd.’
Dit stuk speelt in de Tweede Wereldoorlog en een vrouw bedriegt show more haar man met een Duitser terwijl manlief druk bezig is Nederland met de Engelsen te bevrijden. De Duitser wordt voor haar huis neergeschoten en heel de buurt weet van haar bedrog. Uitgever en schrijver ontevreden; ik vond het een vermakelijk stuk.
Dat vind ik ook van De psychologische test. Thabor wordt opgeleid aan de school voor spionnen en moet nog één test afleggen. Ze moet iets overhandigen aan iemand waarvan ze geen signalement ontvangt. Haar superieuren bekijken via televiewers hoe zij dit oplost.
Ook De woeste wandeling is vermakelijk. Een gezin wordt gerepatrieerd uit Indië en hoopt bij zijn ouders, opa en oma Stein in te trekken; zij hebben een groot huis met vijf kamers. Maar…oma Stein mag haar schoondochter niet en met zes kinderen belanden ze bij een zure pensionhoudster op een lekkende zolder. Bovendien blijkt er een geheimzinnige bewoner bij vader en moeder te wonen. Opa Stein is dat grote huis echter zat en trekt er op uit, trainen voor de ‘vierdaagse afstandsmarsen’. Oma Stein weet niet wat haar overkomt en reist hem achterna;
Een open plek in het bos. Opa en oma Stein zitten naast elkaar onder een boom.
OMA STEIN Waar wil je nou eigen naar toe?
OPA STEIN Ik wil nergens naar toe.
Hij steekt een pijpje op
OMA STEIN Maar ik zeg je Herman, dat gaat zo niet.
OPA STEIN Als ik het wil, gaat het. Vroeger, toen ik nog op zee was, toen gebeurde alles wat ik wilde.
Dat gaat nu iets anders maar dat weet opa Stein nog niet. Gaat u zelf vooral lezen hoe dit afloopt.
Het verhaal dat mij het minst boeide is het verhaal King Kong, over de Nederlandse dubbelspion Christiaan Lindemans. Het stuk is bedoeld voor toneel en/of televisie en Hermans gebruikte als basis de verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie 1940-1945. De dialogen bevatten delen uit de verhoren en de inleiding wordt verzorgd door een vader die veel te intelligente vragen krijgt over deze materie van zijn vroegwijze zoontje.
Het naschrift bij King Kong, Wat Nederland niet op televisie mocht zien is wel weer smullen. Hierin vertelt Hermans hoe het stuk tot stand is gekomen en wat hij zich daarvoor moest getroosten. Bijvoorbeeld het oordeel van Loe de Jong, de allesweter over de Tweede Wereldoorlog. Daar had hij niet om gevraagd en dat laat hij weten;
Ik schrijf het rapport van Dr. De Jong hier over zonder hem iets te hebben gevraagd, want hij heeft ten slotte mijn toneelstuk gelezen zonder gevraagd te hebben of mij dat wel gevraagd was en hij heeft er een rapport over geschreven, waar ik hem ook niet om gevraagd had.
Het laatste stuk uit dit boek is Periander. Eindredacteur Jan Blokker van de VPRO vatte in 1974 het idee op om een serie televisiespelen te produceren gebaseerd op de Historiën van Herodotus, de klassieke Griekse geschiedschrijver. Hij benaderde daarvoor schrijvers als Cees Noteboom, Dimitri Frenkel Frank, Rinus Ferdinandusse, Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans. Hermans koos voor Periander, heerser van Korinthe in de 7e eeuw voor Christus. Periander vermoordde zijn vrouw Melissa en daar komt zijn zoon Lykofron achter die hem dat niet direct in dank afneemt. Om te beginnen negeert hij hem;
(Lykofron staat met teneergeslagen blikken voor Periander)
PERIANDER Ben je doof? Of blind?
(Lykofron, met gebogen hoofd, verroert zich niet.)
PERIANDER Kijk mij aan!
(Brengt zijn vuist onder Lykofron’s kin en duwt zijn hoofd omhoog)
PERIANDER Ben je gek geworden? Wat is er met je aan de hand?
Lykofron laat echter niet met zich sollen en gaat er vandoor. Of hij toch zijn vader ooit opvolgt is voor mij inmiddels een weet.
Hermans was aanvankelijk nogal sceptisch over de plannen van Blokker, want de VPRO had een reputatie;
Het zou best eens de bedoeling kunnen wezen van die Herodotusserie een alternatieve lollige boel te maken met naakt in ’t rond springende meiden en platte grollen zonder tal.
Dat viel alleszins mee en het is inderdaad uitgezonden op 21 januari 1975 met de aandacht die het behoeft. De kritieken waren over het algemeen lovend.
Het is aardig om de toneel- en scenarioteksten eens te lezen, als romancier en essayist bevalt Hermans mij beter. show less
Zo verzuchtte Willem Frederik Hermans tegenover interviewer Ischa Meijer in 1970. Toch ging hij het avontuur aan en in deel 10 van zijn volledige werken worden zijn Toneelteksten en scenario’s gebundeld.
Allereerst gaat het om Drie drama’s. Het omgekeerde pension, Dutch comfort en De psychologische test. Vervolgens een filmscenario met als titel De woeste wandeling. Dan volgt de toneeltekst King Kong, gevolgd door een naschrift van Hermans over de totstandkoming van King Kong met de titel Wat Nederland niet op televisie mocht zien. Het deel wordt besloten door het televisiespel Periander.
Als romancier heb ik Hermans hoog zitten, dit deel kon mij maar ten dele boeien. Om te beginnen Het omgekeerde pension. Hermans stuurde dit in naar aanleiding van een prijsvraag. De opdracht was een toneelstuk te schrijven van 15 tot 25 minuten over ‘de volkomen ommekeer’ die een brief teweegbrengt ‘in een bestaande situatie ter plaatse waar de brief wordt ontvangen’. Hij wint de prijsvraag, het wordt aangekocht door nota bene Wim Kan (die er niets mee doet), maar boeide mij niet. Gaat u het lezen en overtuig mij van het tegendeel.
Dutch comfort is veel aardiger, hoewel uitgever Geert van Oorschot het niks vindt en Hermans hem gelijk geeft;
‘Nee, klaarblijkelijk ben ik in het toneelschrijven nog niet volleerd.’
Dit stuk speelt in de Tweede Wereldoorlog en een vrouw bedriegt show more haar man met een Duitser terwijl manlief druk bezig is Nederland met de Engelsen te bevrijden. De Duitser wordt voor haar huis neergeschoten en heel de buurt weet van haar bedrog. Uitgever en schrijver ontevreden; ik vond het een vermakelijk stuk.
Dat vind ik ook van De psychologische test. Thabor wordt opgeleid aan de school voor spionnen en moet nog één test afleggen. Ze moet iets overhandigen aan iemand waarvan ze geen signalement ontvangt. Haar superieuren bekijken via televiewers hoe zij dit oplost.
Ook De woeste wandeling is vermakelijk. Een gezin wordt gerepatrieerd uit Indië en hoopt bij zijn ouders, opa en oma Stein in te trekken; zij hebben een groot huis met vijf kamers. Maar…oma Stein mag haar schoondochter niet en met zes kinderen belanden ze bij een zure pensionhoudster op een lekkende zolder. Bovendien blijkt er een geheimzinnige bewoner bij vader en moeder te wonen. Opa Stein is dat grote huis echter zat en trekt er op uit, trainen voor de ‘vierdaagse afstandsmarsen’. Oma Stein weet niet wat haar overkomt en reist hem achterna;
Een open plek in het bos. Opa en oma Stein zitten naast elkaar onder een boom.
OMA STEIN Waar wil je nou eigen naar toe?
OPA STEIN Ik wil nergens naar toe.
Hij steekt een pijpje op
OMA STEIN Maar ik zeg je Herman, dat gaat zo niet.
OPA STEIN Als ik het wil, gaat het. Vroeger, toen ik nog op zee was, toen gebeurde alles wat ik wilde.
Dat gaat nu iets anders maar dat weet opa Stein nog niet. Gaat u zelf vooral lezen hoe dit afloopt.
Het verhaal dat mij het minst boeide is het verhaal King Kong, over de Nederlandse dubbelspion Christiaan Lindemans. Het stuk is bedoeld voor toneel en/of televisie en Hermans gebruikte als basis de verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie 1940-1945. De dialogen bevatten delen uit de verhoren en de inleiding wordt verzorgd door een vader die veel te intelligente vragen krijgt over deze materie van zijn vroegwijze zoontje.
Het naschrift bij King Kong, Wat Nederland niet op televisie mocht zien is wel weer smullen. Hierin vertelt Hermans hoe het stuk tot stand is gekomen en wat hij zich daarvoor moest getroosten. Bijvoorbeeld het oordeel van Loe de Jong, de allesweter over de Tweede Wereldoorlog. Daar had hij niet om gevraagd en dat laat hij weten;
Ik schrijf het rapport van Dr. De Jong hier over zonder hem iets te hebben gevraagd, want hij heeft ten slotte mijn toneelstuk gelezen zonder gevraagd te hebben of mij dat wel gevraagd was en hij heeft er een rapport over geschreven, waar ik hem ook niet om gevraagd had.
Het laatste stuk uit dit boek is Periander. Eindredacteur Jan Blokker van de VPRO vatte in 1974 het idee op om een serie televisiespelen te produceren gebaseerd op de Historiën van Herodotus, de klassieke Griekse geschiedschrijver. Hij benaderde daarvoor schrijvers als Cees Noteboom, Dimitri Frenkel Frank, Rinus Ferdinandusse, Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans. Hermans koos voor Periander, heerser van Korinthe in de 7e eeuw voor Christus. Periander vermoordde zijn vrouw Melissa en daar komt zijn zoon Lykofron achter die hem dat niet direct in dank afneemt. Om te beginnen negeert hij hem;
(Lykofron staat met teneergeslagen blikken voor Periander)
PERIANDER Ben je doof? Of blind?
(Lykofron, met gebogen hoofd, verroert zich niet.)
PERIANDER Kijk mij aan!
(Brengt zijn vuist onder Lykofron’s kin en duwt zijn hoofd omhoog)
PERIANDER Ben je gek geworden? Wat is er met je aan de hand?
Lykofron laat echter niet met zich sollen en gaat er vandoor. Of hij toch zijn vader ooit opvolgt is voor mij inmiddels een weet.
Hermans was aanvankelijk nogal sceptisch over de plannen van Blokker, want de VPRO had een reputatie;
Het zou best eens de bedoeling kunnen wezen van die Herodotusserie een alternatieve lollige boel te maken met naakt in ’t rond springende meiden en platte grollen zonder tal.
Dat viel alleszins mee en het is inderdaad uitgezonden op 21 januari 1975 met de aandacht die het behoeft. De kritieken waren over het algemeen lovend.
Het is aardig om de toneel- en scenarioteksten eens te lezen, als romancier en essayist bevalt Hermans mij beter. show less
Feb 25, 2026Dutch
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 1356 – 1534. Deel 10 van de twintigdelige serie van de volledige correspondentie van Erasmus gaat over de periode 3 april 1523 tot en met 29 december 1524.
Net als in deel 9 is dat geen heel lange periode, maar het zorgt toch voor een boek van 392 pagina’s met genoeg stof waar onze vriend Erasmus zich druk over kan maken. Hij resideert nog steeds in Bazel waar hij zich zou bezighouden met zijn aantekeningen op het Nieuwe Testament. Dat doet hij, maar zijn correspondentie en zijn gezondheid (nierstenen, weet u het nog?) houden hem vaak van zijn werk af.
Maar, plichtsgetrouw aan zijn eigen opdracht, verzet hij zijn werk en soms valt het hem zwaar. Sterker, als hij het over zijn publicaties heeft maakt hij in zijn brief aan Albert van Brandenburg, aartsbisschop van Mainz, een vergelijking waar hij nu slecht mee zou weg komen;
Hoeveel gemakkelijker is het voor een vrouw om in verwachting te raken dan voor ons om een passend onderwerp te concipiëren! Met hoeveel minder risico baart zij dan wij publiceren!
Het valt ook niet mee voor onze grote geest, de aanvallen op hem en zijn werk zijn talrijk. Hij pruttelt nog wat na over zijn criticasters Nicolaas Baechem en Diego López de Zúñiga maar moet zich toch noodgedwongen bezighouden met Luther. De druk wordt groter om stelling tegenover hem te nemen.
Daar komt bij dat Erasmus’ oude vriend Ulrich von Hutten zich tegen hem keert en zich aan de zijde van Luther schaart. Erasmus show more antwoordt zoals alleen hij dat kan en schrijft een verweerschrift met als titel De Spons. Een beetje jammer dat Von Hutten overlijdt voor hij dit onder ogen krijgt.
Maar zoals dat gaat stapt er altijd wel iemand in het gat en Otto Brunfels, een schoolhoofd in Straatsburg, schrijft terstond zijn Pro Vlricho Hutteno defuncto, ad Erasmi Roterodami Spongiam responsio ofwel Antwoord op de Spons van Erasmus van Rotterdam, ter verdediging van de overleden Ulrich von Hutten.
U merkt dat Erasmus het al druk genoeg heeft met de secondanten van Luther; hij is nog niet eens aan de man zelf toegekomen. Toch schrijft Luther hem een brief en het lijkt of hij zich alleszins redelijk opstelt;
In elk geval heb ik al heel wat mensen gekalmeerd die u graag naar de arena wilden sleuren en die hun boeken al gereed hadden; om dezelfde reden zou ik ook wensen dat het Beklag van Hutten niet gepubliceerd was, en nog veel minder uw Spons…Er is genoeg gebeten, nu moet er gezorgd worden dat we elkaar niet verslinden…
Het lijkt aardig maar er zitten genoeg steken onder water in en het vormt historisch en machtig interessant leesvoer. U zit hier op de eerste rang bij een steekspel tussen giganten. Erasmus zal uiteindelijk dan toch een stuk schrijven over de vrije wil, waarin hij stelling neemt tegen Luthers opvattingen daarover. Hij hoopt op steun uit Rome, waar paus Clemens VII inmiddels de overleden Adrianus VI is opgevolgd. Gelukkig verzekert ook Clemens hem van de apostolische zegen;
U moet weten …dat onze vaderlijke genegenheid voor u niet verandert.
Waar schrijft Erasmus verder over als hij geen kritieken moet pareren? Zijn gezondheid natuurlijk. Hij is midden vijftig en vind zichzelf een oude man en nabij de dood. De nierstenen helpen hem vaak naar dat randje toe en dat vermeldt hij vaak. Soms gaat het over geld en spreekt hij zichzelf tegen. Dan moet hij wachten op hem toegezegde jaargelden en heeft hij weinig geld, soms lijkt geld geen probleem;
Over mijn financiële situatie ben ik niet vreselijk bezorgd. De Engelsen schenken mij zoveel als ik wil; de koning van Frankrijk biedt mij tweeduizend ponden per jaar…
Hij krijgt inderdaad giften en er worden portretten van hem gemaakt. Dat is het fascinerende aan deze boeken, er wordt soms tastbare geschiedenis in beschreven. Erasmus heeft het over een portret dat Albrecht Dürer van hem is begonnen (maar niet heeft afgemaakt) en dat hangt nu in het Louvre.
Verder schrijft Erasmus nog een autobiografische schets aan een vriend een verdedigt hij zich tegen fake news in zijn brief aan de abt Paul Volz;
Drie jaar geleden toen ik in Anderlecht vertoefde, was ik in de ene plaats van mijn paard gevallen en had ik mijn nek gebroken; in een andere plaats was ik aan de koorts gestorven, weer ergens anders had ik plotseling het leven gelaten getroffen door een beroerte. Maar nooit was ik de afgelopen vier jaar gezonder dan toen.
Het is te hopen dat Erasmus weer wat meer aan zijn ‘core business’ toekomt, het herzien en becommentariëren van de Heilige Schrift. Gelukkig kan hij altijd terecht in zijn voorraad Adagia of spreuken, die hij verzamelde, zoals wanneer men nu eenmaal nergens iets aan kan doen;
In zo’n tijd ben ik nu met mijn hoge leeftijd terecht gekomen, als een muisje in de pek.
Wij blijven Erasmus op de voet volgen, ondanks zijn respectabele leeftijd van midden vijftig jaar.
Vertaling; Frans Slits show less
Net als in deel 9 is dat geen heel lange periode, maar het zorgt toch voor een boek van 392 pagina’s met genoeg stof waar onze vriend Erasmus zich druk over kan maken. Hij resideert nog steeds in Bazel waar hij zich zou bezighouden met zijn aantekeningen op het Nieuwe Testament. Dat doet hij, maar zijn correspondentie en zijn gezondheid (nierstenen, weet u het nog?) houden hem vaak van zijn werk af.
Maar, plichtsgetrouw aan zijn eigen opdracht, verzet hij zijn werk en soms valt het hem zwaar. Sterker, als hij het over zijn publicaties heeft maakt hij in zijn brief aan Albert van Brandenburg, aartsbisschop van Mainz, een vergelijking waar hij nu slecht mee zou weg komen;
Hoeveel gemakkelijker is het voor een vrouw om in verwachting te raken dan voor ons om een passend onderwerp te concipiëren! Met hoeveel minder risico baart zij dan wij publiceren!
Het valt ook niet mee voor onze grote geest, de aanvallen op hem en zijn werk zijn talrijk. Hij pruttelt nog wat na over zijn criticasters Nicolaas Baechem en Diego López de Zúñiga maar moet zich toch noodgedwongen bezighouden met Luther. De druk wordt groter om stelling tegenover hem te nemen.
Daar komt bij dat Erasmus’ oude vriend Ulrich von Hutten zich tegen hem keert en zich aan de zijde van Luther schaart. Erasmus show more antwoordt zoals alleen hij dat kan en schrijft een verweerschrift met als titel De Spons. Een beetje jammer dat Von Hutten overlijdt voor hij dit onder ogen krijgt.
Maar zoals dat gaat stapt er altijd wel iemand in het gat en Otto Brunfels, een schoolhoofd in Straatsburg, schrijft terstond zijn Pro Vlricho Hutteno defuncto, ad Erasmi Roterodami Spongiam responsio ofwel Antwoord op de Spons van Erasmus van Rotterdam, ter verdediging van de overleden Ulrich von Hutten.
U merkt dat Erasmus het al druk genoeg heeft met de secondanten van Luther; hij is nog niet eens aan de man zelf toegekomen. Toch schrijft Luther hem een brief en het lijkt of hij zich alleszins redelijk opstelt;
In elk geval heb ik al heel wat mensen gekalmeerd die u graag naar de arena wilden sleuren en die hun boeken al gereed hadden; om dezelfde reden zou ik ook wensen dat het Beklag van Hutten niet gepubliceerd was, en nog veel minder uw Spons…Er is genoeg gebeten, nu moet er gezorgd worden dat we elkaar niet verslinden…
Het lijkt aardig maar er zitten genoeg steken onder water in en het vormt historisch en machtig interessant leesvoer. U zit hier op de eerste rang bij een steekspel tussen giganten. Erasmus zal uiteindelijk dan toch een stuk schrijven over de vrije wil, waarin hij stelling neemt tegen Luthers opvattingen daarover. Hij hoopt op steun uit Rome, waar paus Clemens VII inmiddels de overleden Adrianus VI is opgevolgd. Gelukkig verzekert ook Clemens hem van de apostolische zegen;
U moet weten …dat onze vaderlijke genegenheid voor u niet verandert.
Waar schrijft Erasmus verder over als hij geen kritieken moet pareren? Zijn gezondheid natuurlijk. Hij is midden vijftig en vind zichzelf een oude man en nabij de dood. De nierstenen helpen hem vaak naar dat randje toe en dat vermeldt hij vaak. Soms gaat het over geld en spreekt hij zichzelf tegen. Dan moet hij wachten op hem toegezegde jaargelden en heeft hij weinig geld, soms lijkt geld geen probleem;
Over mijn financiële situatie ben ik niet vreselijk bezorgd. De Engelsen schenken mij zoveel als ik wil; de koning van Frankrijk biedt mij tweeduizend ponden per jaar…
Hij krijgt inderdaad giften en er worden portretten van hem gemaakt. Dat is het fascinerende aan deze boeken, er wordt soms tastbare geschiedenis in beschreven. Erasmus heeft het over een portret dat Albrecht Dürer van hem is begonnen (maar niet heeft afgemaakt) en dat hangt nu in het Louvre.
Verder schrijft Erasmus nog een autobiografische schets aan een vriend een verdedigt hij zich tegen fake news in zijn brief aan de abt Paul Volz;
Drie jaar geleden toen ik in Anderlecht vertoefde, was ik in de ene plaats van mijn paard gevallen en had ik mijn nek gebroken; in een andere plaats was ik aan de koorts gestorven, weer ergens anders had ik plotseling het leven gelaten getroffen door een beroerte. Maar nooit was ik de afgelopen vier jaar gezonder dan toen.
Het is te hopen dat Erasmus weer wat meer aan zijn ‘core business’ toekomt, het herzien en becommentariëren van de Heilige Schrift. Gelukkig kan hij altijd terecht in zijn voorraad Adagia of spreuken, die hij verzamelde, zoals wanneer men nu eenmaal nergens iets aan kan doen;
In zo’n tijd ben ik nu met mijn hoge leeftijd terecht gekomen, als een muisje in de pek.
Wij blijven Erasmus op de voet volgen, ondanks zijn respectabele leeftijd van midden vijftig jaar.
Vertaling; Frans Slits show less
Feb 22, 2026Dutch
Masters of Pop en 10 iconische muziekalbums die de wereld veranderden van componist en professor popmuziek aan de KU in Leuven, Jeroen D’hoe. Ik wilde even van die intensieve lijstjes af waarin ik 1001 nummers of albums ga luisteren, dus 10 albums, dat is te overzien. Ik kom erop terug…
Wat wil D’hoe met dit boek? Welnu, niets minder dan de geschiedenis en ontwikkeling van de belangrijkste popstromingen beschrijven. Musical, blues, rock-‘n-roll, rock, folk, country, world/global, soul, EDM (Electronic Dance Music) en rhythm and blues (R&B)/hiphop.
Daarvoor kiest hij tien albums die evenzovele sleutelmomenten in de popgeschiedenis markeren. Welke vernieuwingen brengen ze, welke invloed hebben ze op latere generaties en wat is de maatschappelijke impact.
De albums waar het om gaat zijn: Show Boat, The Best of Muddy Waters, Elvis Presley en Chuck Berry Is on Top (hier smokkelt D’hoe want deze twee worden als één gezien), Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, The Freewheelin’ Bob Dylan, Trio (van Dolly Parton, Linda Ronstadt en Emmylou Harris), Graceland (van Paul Simon), I Never Loved a Man the Way I Love You (van Aretha Franklin), The House Sound of Chicago en The Miseducation of Lauryn Hill.
Aan de hand van deze albums gaat D’hoe de geschiedenis door, afgewisseld met vier ‘interludia’. Hierin wordt de evolutie van songwriting geschetst. De oorsprong, de modernisering, de modulaire compositie- en productietechnieken en de toepassing daarvan in de context show more van R&B en hiphop.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, verzorgt D’hoe ook inleidende hoofdstukken tot de te bespreken albums. In deel 1 beschrijft hij hoe we van de ‘work songs’ tot het Great American Songbook komen. Deel 2 gaat over rock-‘n-roll en het ontstaan van de moderne popsong. Deel 3 over de visionaire singer-songwriters die folk, country en world/global music naar de popmuziek brengen. Deel 4 gaat over de extase van de gospel in de kerk en hoe die naar de dansvloer wordt gebracht, uiteindelijk resulterend in EDM en hiphop.
Nu werkt, zoals zo vaak tegenwoordig, ook D’hoe met QR-codes. Als u denkt dat daar alleen die tien albums onder staan. Neen, daar komt u niet mee weg. D’hoe bewandelt allerlei interessante zijpaden en die albums zijn te beluisteren, maar echt talloze andere voorbeelden. Er staan luisterlijsten onder van honderden nummers met soms tot 20 uur luisterplezier per hoofdstuk. U gaat het enorm druk krijgen maar enorm veel luisterplezier ook.
Het is boeiend om te lezen hoe de muziek uit musicals en uit Tin Pan Ally en Broadway samenkomt met de wortels van de blues. Waarom is een werk als de musical Show Boat dan zo belangrijk? Hier worden de blanke en zwarte mens voor het eerst als karakters neergezet en niet als karikaturen. Beluister trouwens vooral het complete werk eens na het lezen van dit boek, het is magistraal.
Waarom is Muddy Waters zo belangrijk? Hij brengt de akoestische blues elektriciteit. Letterlijk, door zijn gitaar, figuurlijk, door zijn optredens. Dat legt de basis voor het werk van Elvis Presley en Chuck Berry. Hier komen ‘race music’, hillbilly en country en het Great American Songbook allemaal samen. Deejay Alan Freed gebruikt de term rock-‘n -roll in zijn programma en munt hem, maar D’hoe geeft aan dat Freed die term ook maar geleend heeft;
De term zelf leende hij van de song My Man Rocks Me With One Steady Roll (1922), opgenomen door Trixie Smith (1986-1943). Het is echter interessant om op te merken dat de term rock-‘n-roll al in de jaren 1920 als ‘slang’ onder Afro-Amerikanen werd gebruikt, en toen verwees naar seksuele gemeenschap. Het was pas veel later dat deze term muzikale betekenis kreeg. De eerst keer dat rock-‘n-roll in een songtekst werd gebruikt, dateert zelfs nog verder terug, in The Camp Meeting Jubilee (1916): ‘We’ve been rockin’ an’ rolling in your arms / Rockin’ and rollin’ in your arms / In the arms of Moses.’
U merkt, u bent op les en dat houdt niet op in het boek. U leert waarom de Beatles een revolutie ontketenen met hun album Sgt. Pepper’s en waar de singer-songwriters hun inspiratie vandaan halen. Die komt deels uit de folk- en countrymuziek en Dolly Parton, Linda Ronstadt en Emmylou Harris zorgen weer voor een kruisbestuiving met de popwereld. Hun album Trio vormt een mijlpaal in de herwaardering van de traditionele countrymuziek.
Paul Simon doet dat met de waardering voor wereldmuziek door Afrikaanse muziek in zijn album Graceland op te nemen. Die invloeden zijn via de gospel ook te horen op het album van Aretha Franklin. Zij haalt ook inspiratie uit de preken van haar vader in de kerk (jawel, zelfs die zijn integraal opgenomen in de luisterlijsten) en introduceert de gospel in de soulmuziek.
Diezelfde soul staat weer aan de basis van hiphop en later housemusic. Zo brengt D’hoe u tot het laatst besproken album, The Miseducation of Lauryn Hill. Dit album van de vroegere Fugees-zangeres is zo belangrijk omdat het vrouwen een stem geeft in een door mannen gedomineerde business. D’hoe;
The Miseduction of Lauryn Hill wordt in verschillende opzichten beschouwd als een revolutionair album. Lauryn Hill verwerkte elementen van hiphop, R&B, soul, reggae en gospel in haar muziek, waardoor genregrenzen werden doorbroken en een uniek geluid ontstond. Het album bevatte introspectieve en sociaal bewuste teksten die een breed scala aan onderwerpen aansneden, zoals liefde, relaties, zelf-empowerment, sociale kwesties en persoonlijke ontwikkeling…Het album versterkte ook de positie van vrouwen en daagde de gendernormen in hiphop uit.
D’Hoe legt de materie op heldere wijze uit, alleen in de songanalyses gaat hij wel eens diep. Daar is niets mis mee, maar daar dient u het hoofd, als u niet heel muzikaal onderlegd bent, even bij te houden. Voor de rest is het één groot lees- en luisterfestijn. Na, of eigenlijk tijdens, het lezen van dit boek wilt u zelf al die albums in huis hebben. show less
Wat wil D’hoe met dit boek? Welnu, niets minder dan de geschiedenis en ontwikkeling van de belangrijkste popstromingen beschrijven. Musical, blues, rock-‘n-roll, rock, folk, country, world/global, soul, EDM (Electronic Dance Music) en rhythm and blues (R&B)/hiphop.
Daarvoor kiest hij tien albums die evenzovele sleutelmomenten in de popgeschiedenis markeren. Welke vernieuwingen brengen ze, welke invloed hebben ze op latere generaties en wat is de maatschappelijke impact.
De albums waar het om gaat zijn: Show Boat, The Best of Muddy Waters, Elvis Presley en Chuck Berry Is on Top (hier smokkelt D’hoe want deze twee worden als één gezien), Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, The Freewheelin’ Bob Dylan, Trio (van Dolly Parton, Linda Ronstadt en Emmylou Harris), Graceland (van Paul Simon), I Never Loved a Man the Way I Love You (van Aretha Franklin), The House Sound of Chicago en The Miseducation of Lauryn Hill.
Aan de hand van deze albums gaat D’hoe de geschiedenis door, afgewisseld met vier ‘interludia’. Hierin wordt de evolutie van songwriting geschetst. De oorsprong, de modernisering, de modulaire compositie- en productietechnieken en de toepassing daarvan in de context show more van R&B en hiphop.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, verzorgt D’hoe ook inleidende hoofdstukken tot de te bespreken albums. In deel 1 beschrijft hij hoe we van de ‘work songs’ tot het Great American Songbook komen. Deel 2 gaat over rock-‘n-roll en het ontstaan van de moderne popsong. Deel 3 over de visionaire singer-songwriters die folk, country en world/global music naar de popmuziek brengen. Deel 4 gaat over de extase van de gospel in de kerk en hoe die naar de dansvloer wordt gebracht, uiteindelijk resulterend in EDM en hiphop.
Nu werkt, zoals zo vaak tegenwoordig, ook D’hoe met QR-codes. Als u denkt dat daar alleen die tien albums onder staan. Neen, daar komt u niet mee weg. D’hoe bewandelt allerlei interessante zijpaden en die albums zijn te beluisteren, maar echt talloze andere voorbeelden. Er staan luisterlijsten onder van honderden nummers met soms tot 20 uur luisterplezier per hoofdstuk. U gaat het enorm druk krijgen maar enorm veel luisterplezier ook.
Het is boeiend om te lezen hoe de muziek uit musicals en uit Tin Pan Ally en Broadway samenkomt met de wortels van de blues. Waarom is een werk als de musical Show Boat dan zo belangrijk? Hier worden de blanke en zwarte mens voor het eerst als karakters neergezet en niet als karikaturen. Beluister trouwens vooral het complete werk eens na het lezen van dit boek, het is magistraal.
Waarom is Muddy Waters zo belangrijk? Hij brengt de akoestische blues elektriciteit. Letterlijk, door zijn gitaar, figuurlijk, door zijn optredens. Dat legt de basis voor het werk van Elvis Presley en Chuck Berry. Hier komen ‘race music’, hillbilly en country en het Great American Songbook allemaal samen. Deejay Alan Freed gebruikt de term rock-‘n -roll in zijn programma en munt hem, maar D’hoe geeft aan dat Freed die term ook maar geleend heeft;
De term zelf leende hij van de song My Man Rocks Me With One Steady Roll (1922), opgenomen door Trixie Smith (1986-1943). Het is echter interessant om op te merken dat de term rock-‘n-roll al in de jaren 1920 als ‘slang’ onder Afro-Amerikanen werd gebruikt, en toen verwees naar seksuele gemeenschap. Het was pas veel later dat deze term muzikale betekenis kreeg. De eerst keer dat rock-‘n-roll in een songtekst werd gebruikt, dateert zelfs nog verder terug, in The Camp Meeting Jubilee (1916): ‘We’ve been rockin’ an’ rolling in your arms / Rockin’ and rollin’ in your arms / In the arms of Moses.’
U merkt, u bent op les en dat houdt niet op in het boek. U leert waarom de Beatles een revolutie ontketenen met hun album Sgt. Pepper’s en waar de singer-songwriters hun inspiratie vandaan halen. Die komt deels uit de folk- en countrymuziek en Dolly Parton, Linda Ronstadt en Emmylou Harris zorgen weer voor een kruisbestuiving met de popwereld. Hun album Trio vormt een mijlpaal in de herwaardering van de traditionele countrymuziek.
Paul Simon doet dat met de waardering voor wereldmuziek door Afrikaanse muziek in zijn album Graceland op te nemen. Die invloeden zijn via de gospel ook te horen op het album van Aretha Franklin. Zij haalt ook inspiratie uit de preken van haar vader in de kerk (jawel, zelfs die zijn integraal opgenomen in de luisterlijsten) en introduceert de gospel in de soulmuziek.
Diezelfde soul staat weer aan de basis van hiphop en later housemusic. Zo brengt D’hoe u tot het laatst besproken album, The Miseducation of Lauryn Hill. Dit album van de vroegere Fugees-zangeres is zo belangrijk omdat het vrouwen een stem geeft in een door mannen gedomineerde business. D’hoe;
The Miseduction of Lauryn Hill wordt in verschillende opzichten beschouwd als een revolutionair album. Lauryn Hill verwerkte elementen van hiphop, R&B, soul, reggae en gospel in haar muziek, waardoor genregrenzen werden doorbroken en een uniek geluid ontstond. Het album bevatte introspectieve en sociaal bewuste teksten die een breed scala aan onderwerpen aansneden, zoals liefde, relaties, zelf-empowerment, sociale kwesties en persoonlijke ontwikkeling…Het album versterkte ook de positie van vrouwen en daagde de gendernormen in hiphop uit.
D’Hoe legt de materie op heldere wijze uit, alleen in de songanalyses gaat hij wel eens diep. Daar is niets mis mee, maar daar dient u het hoofd, als u niet heel muzikaal onderlegd bent, even bij te houden. Voor de rest is het één groot lees- en luisterfestijn. Na, of eigenlijk tijdens, het lezen van dit boek wilt u zelf al die albums in huis hebben. show less
Feb 15, 2026Dutch
Lowside of the Road, A Life of Tom Waits is de ongeautoriseerde biografie van zanger Tom Waits. De auteur is Barney Hoskyns, die ook al een prima boek over Laurel Canyon schreef. Ongeautoriseerd, omdat Waits nogal gesteld is op zijn privacy.
U kent Tom Waits wellicht van zijn hits Tom Traubert’s Blues of The Piano Has Been Drinking (Not Me) waarin hij met zijn gruizige stem zijn werk vertolkt. Ik heb al even zijn album Rain Dogs in huis en was al fan dus was benieuwd naar de rest van zijn werk.
Tom Waits groeit op in Whittier, Californië en begint zijn carrière in het folkcircuit in San Diego. Inspiratie haalt hij uit The Great American Songbook, maar ook uit artiesten als Wilson Pickett, Ray Charles, James Brown, Bob Dylan en de Rolling Stones. Ook schrijvers als Alan Ginsberg, Charles Bukowski en Jack Kerouac zijn belangrijk voor hem.
Van San Diego gaat hij naar Los Angeles waar hij een platencontract tekent. Hij is nog zoekende naar zijn stijl, maar laat zich weinig vertellen door de platenbonzen. Hij schrijft zijn eigen teksten en die gaan vaak over de zelfkant van de samenleving en eenieder die zich daarin beweegt. Zwervers, hoeren, verslaafden en het leven op de straat, in vervallen huizen of in morsige hotels. Waits zelf gebruikt ook en is alcoholist. Hij heeft er wel succes mee, op het gevaar af dat mensen zijn image niet meer van hemzelf kunnen onderscheiden. Hij voedt het ook, door op zijn concerten een lantaarnpaal te plaatsen op het toneel, waar hij fijn show more laveloos tegenaan kan hangen als hij zingt. Waits;
“All of a sudden, it becomes your image,”…”and it’s hard to tell where the image stops and you begin, or where you stop and the image begins.” He said he was a “caricature of myself” on stage, that his act had to be choreographed and calculated…to make it look spontaneous.”
Hoewel hij er dus succes mee heeft, is hij dat image zat en gooit hij het roer om. Hij is een fan van de muziek van Kurt Weill en Hans Eissler en neemt op volgende albums voor een groot deel afscheid van de piano en de gitaar. Hij gebruikt veel percussie-instrumenten en harmoniums, die zijn muziek vaak een vaudeville-achtig karakter geven. Ook zingt hij door een megafoon. Niet alle fans gaan daarin mee, ik houd er wel van.
Als hij Kathleen Brennan ontmoet slaat de vonk direct over en het koppel krijgt drie kinderen. Brennan wordt ook belangrijk in het creatieve proces, ze schrijven samen veel nummers. Ze laat hem ook kennis maken met voor hem nieuwe muziek;
“Field recordings and Caruso and tribal music and Lithuanian language records and Leadbelly. You can put that into a pot”.
Dat doet hij en het levert vaak fascinerende muziek op. Wat dit boek prima doet is de lezer meenemen door al zijn albums heen en bijna per nummer wordt een toelichting gegeven. Dat is belangrijk, want zijn teksten zijn poëtisch en niet altijd even makkelijk (of weet u wat hij bedoelt met Tonight I’ll shave the mountain, I’ll cut the hearts from pharaohs, I drink a thousand shipwrecks enzoverder. Ik bedoel maar). Een aanrader is om deze teksten op te zoeken via Genius.com. Daar zijn ze vaak gemarkeerd, wat wil zeggen dat ze aan te klikken zijn. Dan verschijnen er toelichtingen waar de teksten over gaan (niet altijd geautoriseerd maar het helpt een eind op weg).
Waits is een artiest die constant in ontwikkeling is. Privé neemt hij ook zijn verantwoordelijkheid en kickt af van zijn verslavingen. Dat vindt u meteen terug in zijn teksten, het valt hem niet altijd makkelijk;
Asked for the “toughest thing” he’d ever had to deal with, Waits replied that it was “raising kids, being a grown-up, living in the real world, paying the bills, bringing home the groceries, having responsibilities.”
Maar hij doet het wel en schrijft gewoon I Don’t Wanna Grow Up.
Waits heeft ook een carrière als acteur en ook die komt aan bod maar die vind ik wat minder interessant dus dat mag u zelf gaan lezen. Zijn filmmuziek is wel erg de moeite waard.
Dat vind ik dus van al zijn muziek. Zijn leven en dus het boek is geen wilde opsomming van allerlei uitspattingen want die zijn er niet. Het is wel een prima leidraad om al zijn werk door te nemen en vooral de teksten erbij te pakken want die zijn meer dan de moeite waard. show less
U kent Tom Waits wellicht van zijn hits Tom Traubert’s Blues of The Piano Has Been Drinking (Not Me) waarin hij met zijn gruizige stem zijn werk vertolkt. Ik heb al even zijn album Rain Dogs in huis en was al fan dus was benieuwd naar de rest van zijn werk.
Tom Waits groeit op in Whittier, Californië en begint zijn carrière in het folkcircuit in San Diego. Inspiratie haalt hij uit The Great American Songbook, maar ook uit artiesten als Wilson Pickett, Ray Charles, James Brown, Bob Dylan en de Rolling Stones. Ook schrijvers als Alan Ginsberg, Charles Bukowski en Jack Kerouac zijn belangrijk voor hem.
Van San Diego gaat hij naar Los Angeles waar hij een platencontract tekent. Hij is nog zoekende naar zijn stijl, maar laat zich weinig vertellen door de platenbonzen. Hij schrijft zijn eigen teksten en die gaan vaak over de zelfkant van de samenleving en eenieder die zich daarin beweegt. Zwervers, hoeren, verslaafden en het leven op de straat, in vervallen huizen of in morsige hotels. Waits zelf gebruikt ook en is alcoholist. Hij heeft er wel succes mee, op het gevaar af dat mensen zijn image niet meer van hemzelf kunnen onderscheiden. Hij voedt het ook, door op zijn concerten een lantaarnpaal te plaatsen op het toneel, waar hij fijn show more laveloos tegenaan kan hangen als hij zingt. Waits;
“All of a sudden, it becomes your image,”…”and it’s hard to tell where the image stops and you begin, or where you stop and the image begins.” He said he was a “caricature of myself” on stage, that his act had to be choreographed and calculated…to make it look spontaneous.”
Hoewel hij er dus succes mee heeft, is hij dat image zat en gooit hij het roer om. Hij is een fan van de muziek van Kurt Weill en Hans Eissler en neemt op volgende albums voor een groot deel afscheid van de piano en de gitaar. Hij gebruikt veel percussie-instrumenten en harmoniums, die zijn muziek vaak een vaudeville-achtig karakter geven. Ook zingt hij door een megafoon. Niet alle fans gaan daarin mee, ik houd er wel van.
Als hij Kathleen Brennan ontmoet slaat de vonk direct over en het koppel krijgt drie kinderen. Brennan wordt ook belangrijk in het creatieve proces, ze schrijven samen veel nummers. Ze laat hem ook kennis maken met voor hem nieuwe muziek;
“Field recordings and Caruso and tribal music and Lithuanian language records and Leadbelly. You can put that into a pot”.
Dat doet hij en het levert vaak fascinerende muziek op. Wat dit boek prima doet is de lezer meenemen door al zijn albums heen en bijna per nummer wordt een toelichting gegeven. Dat is belangrijk, want zijn teksten zijn poëtisch en niet altijd even makkelijk (of weet u wat hij bedoelt met Tonight I’ll shave the mountain, I’ll cut the hearts from pharaohs, I drink a thousand shipwrecks enzoverder. Ik bedoel maar). Een aanrader is om deze teksten op te zoeken via Genius.com. Daar zijn ze vaak gemarkeerd, wat wil zeggen dat ze aan te klikken zijn. Dan verschijnen er toelichtingen waar de teksten over gaan (niet altijd geautoriseerd maar het helpt een eind op weg).
Waits is een artiest die constant in ontwikkeling is. Privé neemt hij ook zijn verantwoordelijkheid en kickt af van zijn verslavingen. Dat vindt u meteen terug in zijn teksten, het valt hem niet altijd makkelijk;
Asked for the “toughest thing” he’d ever had to deal with, Waits replied that it was “raising kids, being a grown-up, living in the real world, paying the bills, bringing home the groceries, having responsibilities.”
Maar hij doet het wel en schrijft gewoon I Don’t Wanna Grow Up.
Waits heeft ook een carrière als acteur en ook die komt aan bod maar die vind ik wat minder interessant dus dat mag u zelf gaan lezen. Zijn filmmuziek is wel erg de moeite waard.
Dat vind ik dus van al zijn muziek. Zijn leven en dus het boek is geen wilde opsomming van allerlei uitspattingen want die zijn er niet. Het is wel een prima leidraad om al zijn werk door te nemen en vooral de teksten erbij te pakken want die zijn meer dan de moeite waard. show less
Ik vraag me wel eens af waarom ik het mijzelf steeds weer aan doe. Dave Marsh is muziekcriticus en auteur en vond het een goed idee dit boek, The Heart of Rock & Soul te schrijven. The 1001 Greatest Singles Ever Made maar liefst.
Natuurlijk weer een boud statement en een lijst die zich blijkbaar beperkt tot rock- en soulmuziek, alsof daar al een duidelijke grens te trekken is. U begrijpt, een volkomen arbitraire lijst, maar dat geeft niet. Rock- en soulmuziek ligt mij na aan het hart. Het grote doel is altijd weer, om mij onbekende muziek te ontdekken of bekende muziek in een ander daglicht te bezien, afhankelijk van kennis en enthousiasme van de auteur.
Het is niet louter plezier, het boek heeft volgens Marsh wel degelijk een doel;
The aim is to make an argument against critical conventions about what great rock & soul music consists of.
Hij wil zo het gesprek voeren over wat rock & roll is, wat soulmuziek is, wie het uitvoeren, waar het vandaan komt en wat het wil zeggen of betekent. Hij doet dat door 1001 nummers uit te kiezen en er zijn visie op te geven. Soms in een paar regels, vaker in meer tot soms anderhalve pagina lang. U gaat veel bekende nummers tegenkomen maar nog veel meer u niet bekende nummers. Marsh is de koning van de B-kant, hij heeft het vaak over de onbekendere broertjes van bekende hits en die komen er niet zelden beter van af dan hun beroemde million-sellers.
Overigens is Marsh de eerste om toe te geven dat deze lijst subjectief is en er per dag anders show more uit kan zien voor hem. Het is wat mij betreft een prachtige lijst, maar het is natuurlijk bewerkelijk om 1001 nummers op te zoeken (ze zijn allen te vinden op de streamingsdiensten) en het bijbehorende verhaal te lezen. Maar genoeg gemekkerd, want wat wil ik u meegeven?
Dat u heel veel Sam & Dave gaat horen, maar ook Sam Cooke, Marvin Gaye, Otis Redding, Smokey Robinson, Little Richard en Chuck Berry. Marsh gaat uitgebreid in op The Chuck Berry Riff, zijn kenmerkende gitaarspel, en het belang ervan;
Without The Chuck Berry Riff, we’d lose not just the Beach Boys, but essential elements of The Beatles, the Rolling Stones, Bob Dylan, Bob Seger, and Bruce Springsteen.
Het zijn geen loze kreten, hij licht het toe. Zo staat een overbekend nummer als True Blue van Madonna in de lijst. Waarom? Omdat, als je de moderne synthesizers weghaalt, het nummer in de ijzersterke traditie staat van al die nummers van The Crystals, The Chiffons, The Ronettes en The Shirelles. Ook die zijn allemaal goed vertegenwoordigd dus u kunt dat zelf gaan vaststellen.
Marsh gaat uitvoerig in op de beroemde producer Phil Spector die talloze nummers in dit boek van zijn beroemde Wall of Sound heeft voorzien. U leert wat dit nu precies inhoudt en kan het meteen beluisteren in bijvoorbeeld He’s Sure The Boy I Love van The Crystals.
Soms neemt hij een nummer op vanwege de groove, hoe ongrijpbaar dat begrip ook is. Pressure Drop van Toots and the Maytals is daar een voorbeeld van. De motivatie;
Once this one makes the turntable…it’s too late to prepare because the groove thunders down from the top and all that happens as they go along is that Toots whips himself further and further into a frenzy of marginal coherence. Meaning that I don’t know what the hell he’s singing about (some of it might have to do with sex or love), but it sure does sound important.
Wellicht kent u Kick out The Jams van The MC5 niet, maar Marsh laat zien dat zij de wegbereiders zijn voor groepen als The Sex Pistols, The Clash en Iggy Pop and the Stooges. Ook houdt hij een prachtig pleidooi voor Carolyn Franklin, de zus van Aretha Franklin. Zij schreef het zeer persoonlijke Angel, dat zus Aretha zingt. Aretha komt tot mijn grote genoegen vaak voor in dit boek en een absolute aanrader is haar versie van Bridge Over Troubled Water, dat zij helemaal terugbrengt naar de gospel-oorsprong die het heeft. Maar ook haar nummer Oh Me Oh My; een nikserige songtitel maar wat prachtig gezongen. O ja, en haar Without Love; ook een must hear.
Soms geeft Marsh korte, biografische informatie. Over Frankie Lymon met zijn glasheldere stem, maar die als dertienjarige al de pooier uithing en sterft als vijfentwintigjarige junk. Over Larry Williams, die ook meer verdient met drugs dan met zingen en die door moeders dood in zijn garage gevonden wordt. Moord of zelfmoord, daar is men niet over uit. Over Archie Bell, die het voor elkaar krijgt om met zijn single Tighten Up op nummer 1 in de charts te komen terwijl hij in het ziekenhuis ligt te herstellen van oorlogsverwondingen uit Vietnam. En dit is slechts een topje van de verhalenijsberg.
Ik heb een schat aan nieuwe muziek ontdekt. De anti-Vietnamsong van Bob Seger, 2+2=? bijvoorbeeld. De live-versie van Edge Of Seventeen van Stevie Nicks, de prachtige cheating-song The Dark End Of The Street van James Carr en de ronduit indrukwekkende rape-song The Boiler van Rhoda with the Special A.K.A. Die laatste gaat over een ‘boiler’; een oude, onaantrekkelijke vrouw die verkracht wordt. Marsh beschrijft het als volgt;
At this point, Rhoda Dakar begins screaming. And the record does not end. The music intensifies against her wails. And the record does not end. Her screams weaken; the music builds. And the record does not end. She chokes and gasps and sobs. And the record does not end.
U wilt dit horen en dat geldt voor heel veel meer nummers uit dit boek. Ik ben verder een groot fan van kleine en grote muziekfeitjes, dus ik wil weten dat de backing vocals in What’s Going On van Marvin Gaye gedaan worden door een stel football-spelers. En waarom de tweede ‘Diddy’ nodig is in Do Wah Diddy Diddy van Manfred Mann en wat de overeenkomst is tussen de murder-ballad The Cold Hard Facts Of Life van Porter Wagoner en de Britse transrock hit Love Will Tear Us Apart van Joy Division.
Kortom, ook met dit boek ben ik nog lang niet klaar; heel veel nummers wil ik vaker horen, teksten nog een keer tot mij nemen en albums beluisteren van artiesten waar ik slechts een nummer van hoorde.
Dat doel; heeft Marsh dat ook bereikt? Toch wel. Hij laat vaak zien wie in de muziekgeschiedenis op wiens schouders staat. Hij gaat met veel nummers naar de oorsprong van de soul en rock & roll en laat horen hoe die muziek verder werkt in de toekomst. Hij geeft zijn eigen definities weliswaar van rock en soul, maar onderbouwt het en geeft aan dat een eigen visie de muziek definieert. Als iemand het anders ziet moet men dat maar aantonen. Dat juich ik toe, maar even wachten liefst; even opladen voor de volgende 1001. show less
Natuurlijk weer een boud statement en een lijst die zich blijkbaar beperkt tot rock- en soulmuziek, alsof daar al een duidelijke grens te trekken is. U begrijpt, een volkomen arbitraire lijst, maar dat geeft niet. Rock- en soulmuziek ligt mij na aan het hart. Het grote doel is altijd weer, om mij onbekende muziek te ontdekken of bekende muziek in een ander daglicht te bezien, afhankelijk van kennis en enthousiasme van de auteur.
Het is niet louter plezier, het boek heeft volgens Marsh wel degelijk een doel;
The aim is to make an argument against critical conventions about what great rock & soul music consists of.
Hij wil zo het gesprek voeren over wat rock & roll is, wat soulmuziek is, wie het uitvoeren, waar het vandaan komt en wat het wil zeggen of betekent. Hij doet dat door 1001 nummers uit te kiezen en er zijn visie op te geven. Soms in een paar regels, vaker in meer tot soms anderhalve pagina lang. U gaat veel bekende nummers tegenkomen maar nog veel meer u niet bekende nummers. Marsh is de koning van de B-kant, hij heeft het vaak over de onbekendere broertjes van bekende hits en die komen er niet zelden beter van af dan hun beroemde million-sellers.
Overigens is Marsh de eerste om toe te geven dat deze lijst subjectief is en er per dag anders show more uit kan zien voor hem. Het is wat mij betreft een prachtige lijst, maar het is natuurlijk bewerkelijk om 1001 nummers op te zoeken (ze zijn allen te vinden op de streamingsdiensten) en het bijbehorende verhaal te lezen. Maar genoeg gemekkerd, want wat wil ik u meegeven?
Dat u heel veel Sam & Dave gaat horen, maar ook Sam Cooke, Marvin Gaye, Otis Redding, Smokey Robinson, Little Richard en Chuck Berry. Marsh gaat uitgebreid in op The Chuck Berry Riff, zijn kenmerkende gitaarspel, en het belang ervan;
Without The Chuck Berry Riff, we’d lose not just the Beach Boys, but essential elements of The Beatles, the Rolling Stones, Bob Dylan, Bob Seger, and Bruce Springsteen.
Het zijn geen loze kreten, hij licht het toe. Zo staat een overbekend nummer als True Blue van Madonna in de lijst. Waarom? Omdat, als je de moderne synthesizers weghaalt, het nummer in de ijzersterke traditie staat van al die nummers van The Crystals, The Chiffons, The Ronettes en The Shirelles. Ook die zijn allemaal goed vertegenwoordigd dus u kunt dat zelf gaan vaststellen.
Marsh gaat uitvoerig in op de beroemde producer Phil Spector die talloze nummers in dit boek van zijn beroemde Wall of Sound heeft voorzien. U leert wat dit nu precies inhoudt en kan het meteen beluisteren in bijvoorbeeld He’s Sure The Boy I Love van The Crystals.
Soms neemt hij een nummer op vanwege de groove, hoe ongrijpbaar dat begrip ook is. Pressure Drop van Toots and the Maytals is daar een voorbeeld van. De motivatie;
Once this one makes the turntable…it’s too late to prepare because the groove thunders down from the top and all that happens as they go along is that Toots whips himself further and further into a frenzy of marginal coherence. Meaning that I don’t know what the hell he’s singing about (some of it might have to do with sex or love), but it sure does sound important.
Wellicht kent u Kick out The Jams van The MC5 niet, maar Marsh laat zien dat zij de wegbereiders zijn voor groepen als The Sex Pistols, The Clash en Iggy Pop and the Stooges. Ook houdt hij een prachtig pleidooi voor Carolyn Franklin, de zus van Aretha Franklin. Zij schreef het zeer persoonlijke Angel, dat zus Aretha zingt. Aretha komt tot mijn grote genoegen vaak voor in dit boek en een absolute aanrader is haar versie van Bridge Over Troubled Water, dat zij helemaal terugbrengt naar de gospel-oorsprong die het heeft. Maar ook haar nummer Oh Me Oh My; een nikserige songtitel maar wat prachtig gezongen. O ja, en haar Without Love; ook een must hear.
Soms geeft Marsh korte, biografische informatie. Over Frankie Lymon met zijn glasheldere stem, maar die als dertienjarige al de pooier uithing en sterft als vijfentwintigjarige junk. Over Larry Williams, die ook meer verdient met drugs dan met zingen en die door moeders dood in zijn garage gevonden wordt. Moord of zelfmoord, daar is men niet over uit. Over Archie Bell, die het voor elkaar krijgt om met zijn single Tighten Up op nummer 1 in de charts te komen terwijl hij in het ziekenhuis ligt te herstellen van oorlogsverwondingen uit Vietnam. En dit is slechts een topje van de verhalenijsberg.
Ik heb een schat aan nieuwe muziek ontdekt. De anti-Vietnamsong van Bob Seger, 2+2=? bijvoorbeeld. De live-versie van Edge Of Seventeen van Stevie Nicks, de prachtige cheating-song The Dark End Of The Street van James Carr en de ronduit indrukwekkende rape-song The Boiler van Rhoda with the Special A.K.A. Die laatste gaat over een ‘boiler’; een oude, onaantrekkelijke vrouw die verkracht wordt. Marsh beschrijft het als volgt;
At this point, Rhoda Dakar begins screaming. And the record does not end. The music intensifies against her wails. And the record does not end. Her screams weaken; the music builds. And the record does not end. She chokes and gasps and sobs. And the record does not end.
U wilt dit horen en dat geldt voor heel veel meer nummers uit dit boek. Ik ben verder een groot fan van kleine en grote muziekfeitjes, dus ik wil weten dat de backing vocals in What’s Going On van Marvin Gaye gedaan worden door een stel football-spelers. En waarom de tweede ‘Diddy’ nodig is in Do Wah Diddy Diddy van Manfred Mann en wat de overeenkomst is tussen de murder-ballad The Cold Hard Facts Of Life van Porter Wagoner en de Britse transrock hit Love Will Tear Us Apart van Joy Division.
Kortom, ook met dit boek ben ik nog lang niet klaar; heel veel nummers wil ik vaker horen, teksten nog een keer tot mij nemen en albums beluisteren van artiesten waar ik slechts een nummer van hoorde.
Dat doel; heeft Marsh dat ook bereikt? Toch wel. Hij laat vaak zien wie in de muziekgeschiedenis op wiens schouders staat. Hij gaat met veel nummers naar de oorsprong van de soul en rock & roll en laat horen hoe die muziek verder werkt in de toekomst. Hij geeft zijn eigen definities weliswaar van rock en soul, maar onderbouwt het en geeft aan dat een eigen visie de muziek definieert. Als iemand het anders ziet moet men dat maar aantonen. Dat juich ik toe, maar even wachten liefst; even opladen voor de volgende 1001. show less
Het staat wel op de voorkant, maar James Brown, op zoek naar The Godfather of Soul van auteur en muzikant James McBride is geen standaard biografie. Natuurlijk gaat het over de zanger James Brown (1933-2006), maar het is ook een bespiegeling over de sociale structuren van een maatschappij waaruit The Godfather of Soul, Mr. Dynamite, Soul Brother No.1 of The Hardest Working Man in Showbusiness voortkwam.
Hiervoor gaat McBride naar de geboortegrond van Brown in South Carolina. Hij spreekt voor dit boek met verschillende mensen die dicht bij James Brown stonden om zo iets van de mens en de mythe te kunnen ontrafelen. De smeuïge verhalen zijn er in overvloed. James Brown was opvliegend, moeilijk, zo niet onmogelijk om mee te werken en hij sloeg zijn vrouwen. Een en ander wordt gevoed door de biopic Get On Up, die niet direct uitblinkt in historische correctheid volgens McBride.
Laten we vooropstellen, Brown was niet het makkelijkste jongetje van de klas, maar alles komt ergens vandaan. Hij wordt geboren als enigst kind en zijn moeder neemt de biezen als hij vier is. Of vijf, of zes. De jonge James raapt kool, plukt katoen, jaagt op eekhoorns en woont in bij een familielid, tante Honey. Hij bezoekt gesegregeerde scholen in Augusta en op zijn vijftiende wordt hij gearresteerd voor diefstal. Daarvoor brengt hij drie jaar door in een jeugdgevangenis.
Als hij vrijkomt gaat hij zingen met een gospelgroep die zich The Famous Flames gaat noemen. Dat wordt al snel James Brown and The show more Famous Flames. Ze werken zich drie slagen in de rondte in het ‘chitlin circuit’, de theaters en eettenten waartoe zwarte bands in de jaren veertig en vijftig worden veroordeeld. Begin jaren zestig is hij uitgegroeid tot de onvervalste meester van de soulmuziek.
Zoals gezegd is dit geen lineaire biografie maar voert de auteur gesprekken met personen uit het leven van Brown. Zo spreekt hij Nafloyd Scott, de laatste, nog levende ‘Flame’ (inmiddels overleden in 2015) en dominee Al Sharpton, een levenslange vriend en voormalig tourmanager van Brown. Sharpton vertelt over de rol van de maffia in de jaren zeventig. Die wilden geld zien als Brown in New York optreedt;
Brown weigerde altijd. Als ze met geweld dreigden of zeiden dat ze tijdens het optreden ratten zouden loslaten, zei Brown ‘Laat ze hun gang maar gaan’ en dan stuurde hij zijn team – Baby James, Henry Stallings en andere jongens die volgens Brown bereid waren iemand voor duizend dollar te doden – de zaal in met de opdracht het publiek in de gaten te houden en zo nodig hard in te grijpen.
Brown verdient veel geld in zijn hoogtijdagen maar is geen financieel genie. Hij verstopt zijn contante geld overal en nergens, tot in hotelkamers aan toe waar hij het een volgend jaar doodleuk weer tevoorschijn haalt. De belastingdienst heeft daar geen boodschap aan en komt achter hem aan. Hij verliest alles, zijn geld, huizen, vliegtuig en zijn radiostations.
Vervolgens benadert Brown David Cannon, een blanke accountant die het geld van Brown gaat beheren. Dat gaat Cannon niet in de koude kleren zitten, gaat u daar vooral het boek voor lezen.
McBride spreek ook met Pee Wee Ellis, een bandlid van James Brown. Hij vertelt over hoe het is om met iemand als Brown te werken. Het moet gezegd, Brown staat er niet mooi op. McBride komt tot de conclusie;
Browns gedrag tegen zijn bandleden is een van de meest deerniswekkende aspecten van zijn nalatenschap….Hij legde musici boetes op voor kleine overtredingen op het podium: te laat invallen, ongepoetste schoenen, optreden zonder das. Hij verdeelde en heerste. Hij sliep met achtergrondzangeressen…Hij haalde zijn musici over om dure huizen en auto’s te kopen. Dan ontsloeg hij hen, en als ze vervolgens met zware schulden zaten, nam hij hen weer aan tegen een lager salaris.
Maar hij geeft ook een tegengeluid. Het is een helse klus om een groep in het gareel te houden, zeker met het schema wat Brown aanhoudt. Hij blijft ook nergens hangen na een optreden, zijn motto is Platspelen en wegwezen. Zelfs als hij in Afrika, na een optreden, een zak diamanten dreigt te krijgen van een staatshoofd wacht hij daar niet op. Platspelen en wegwezen.
In dit boek komen beide kanten van Brown naar voren. Zijn negatieve kanten, maar zeker ook zijn positieve. Hij is vrijgevig, hoewel hij weinig op heeft met liefdadigheid. Hij hamert op het belang van een goede opleiding voor iedereen. Zo laat hij zijn kleinzoon William eens het gras aanvegen;
William veegde. Twee uur lang. In de bloedhete zon. Drie uur. Hij was doodmoe. Maar hij verdomde het om te stoppen waar die ouwe bij was. Eindelijk zei Brown: ‘Oké, kappen maar.’
William was witheet. ‘Waarom moest dat nou?’ snauwde hij.
‘Zonder goede opleiding heb je straks zo’n baantje,’ zei Brown.
Die vrijgevigheid laat Brown zien in zijn testament. Hij bezit uiteindelijk een geschatte honderd miljoen en dat laat hij na aan de arme kinderen van de Verenigde Staten. Daar denken zijn eigen kinderen en exen iets anders over en er volgt een lange, miljoenen kostende gerechtelijke procedure die tot in 2021 zou duren.
McBride laat in dit boek goed zien waar James Brown vandaan komt. Het is een harde wereld waarin keihard gewerkt moet worden om iets te bereiken. Als dat gelukt is, is er altijd de kans dat alles wordt afgepakt. Dat speelt al in zijn jeugd, waarin het hele dorp weg omdat anderen besluiten dat er een munitiefabriek moet komen. Later is er het gevaar dat zijn geld afgepakt wordt door managers, gangsters of advocaten. Wat ook gebeurt. Zijn manager Bobbit geeft aan dat veel van zijn gedrag werd gevoed door angst voor de blanke medemens. James Brown wilde altijd de macht en controle houden, dat vaak tot onbegrepen of soms verwerpelijk gedrag heeft geleid.
Het is geen boek waarin de muziek van Brown vaak aan de orde komt. Het laat wel zien waar de mens vandaan komt en die zin prima om kennis van te nemen.
Vertaling; Robert Neugarten show less
Hiervoor gaat McBride naar de geboortegrond van Brown in South Carolina. Hij spreekt voor dit boek met verschillende mensen die dicht bij James Brown stonden om zo iets van de mens en de mythe te kunnen ontrafelen. De smeuïge verhalen zijn er in overvloed. James Brown was opvliegend, moeilijk, zo niet onmogelijk om mee te werken en hij sloeg zijn vrouwen. Een en ander wordt gevoed door de biopic Get On Up, die niet direct uitblinkt in historische correctheid volgens McBride.
Laten we vooropstellen, Brown was niet het makkelijkste jongetje van de klas, maar alles komt ergens vandaan. Hij wordt geboren als enigst kind en zijn moeder neemt de biezen als hij vier is. Of vijf, of zes. De jonge James raapt kool, plukt katoen, jaagt op eekhoorns en woont in bij een familielid, tante Honey. Hij bezoekt gesegregeerde scholen in Augusta en op zijn vijftiende wordt hij gearresteerd voor diefstal. Daarvoor brengt hij drie jaar door in een jeugdgevangenis.
Als hij vrijkomt gaat hij zingen met een gospelgroep die zich The Famous Flames gaat noemen. Dat wordt al snel James Brown and The show more Famous Flames. Ze werken zich drie slagen in de rondte in het ‘chitlin circuit’, de theaters en eettenten waartoe zwarte bands in de jaren veertig en vijftig worden veroordeeld. Begin jaren zestig is hij uitgegroeid tot de onvervalste meester van de soulmuziek.
Zoals gezegd is dit geen lineaire biografie maar voert de auteur gesprekken met personen uit het leven van Brown. Zo spreekt hij Nafloyd Scott, de laatste, nog levende ‘Flame’ (inmiddels overleden in 2015) en dominee Al Sharpton, een levenslange vriend en voormalig tourmanager van Brown. Sharpton vertelt over de rol van de maffia in de jaren zeventig. Die wilden geld zien als Brown in New York optreedt;
Brown weigerde altijd. Als ze met geweld dreigden of zeiden dat ze tijdens het optreden ratten zouden loslaten, zei Brown ‘Laat ze hun gang maar gaan’ en dan stuurde hij zijn team – Baby James, Henry Stallings en andere jongens die volgens Brown bereid waren iemand voor duizend dollar te doden – de zaal in met de opdracht het publiek in de gaten te houden en zo nodig hard in te grijpen.
Brown verdient veel geld in zijn hoogtijdagen maar is geen financieel genie. Hij verstopt zijn contante geld overal en nergens, tot in hotelkamers aan toe waar hij het een volgend jaar doodleuk weer tevoorschijn haalt. De belastingdienst heeft daar geen boodschap aan en komt achter hem aan. Hij verliest alles, zijn geld, huizen, vliegtuig en zijn radiostations.
Vervolgens benadert Brown David Cannon, een blanke accountant die het geld van Brown gaat beheren. Dat gaat Cannon niet in de koude kleren zitten, gaat u daar vooral het boek voor lezen.
McBride spreek ook met Pee Wee Ellis, een bandlid van James Brown. Hij vertelt over hoe het is om met iemand als Brown te werken. Het moet gezegd, Brown staat er niet mooi op. McBride komt tot de conclusie;
Browns gedrag tegen zijn bandleden is een van de meest deerniswekkende aspecten van zijn nalatenschap….Hij legde musici boetes op voor kleine overtredingen op het podium: te laat invallen, ongepoetste schoenen, optreden zonder das. Hij verdeelde en heerste. Hij sliep met achtergrondzangeressen…Hij haalde zijn musici over om dure huizen en auto’s te kopen. Dan ontsloeg hij hen, en als ze vervolgens met zware schulden zaten, nam hij hen weer aan tegen een lager salaris.
Maar hij geeft ook een tegengeluid. Het is een helse klus om een groep in het gareel te houden, zeker met het schema wat Brown aanhoudt. Hij blijft ook nergens hangen na een optreden, zijn motto is Platspelen en wegwezen. Zelfs als hij in Afrika, na een optreden, een zak diamanten dreigt te krijgen van een staatshoofd wacht hij daar niet op. Platspelen en wegwezen.
In dit boek komen beide kanten van Brown naar voren. Zijn negatieve kanten, maar zeker ook zijn positieve. Hij is vrijgevig, hoewel hij weinig op heeft met liefdadigheid. Hij hamert op het belang van een goede opleiding voor iedereen. Zo laat hij zijn kleinzoon William eens het gras aanvegen;
William veegde. Twee uur lang. In de bloedhete zon. Drie uur. Hij was doodmoe. Maar hij verdomde het om te stoppen waar die ouwe bij was. Eindelijk zei Brown: ‘Oké, kappen maar.’
William was witheet. ‘Waarom moest dat nou?’ snauwde hij.
‘Zonder goede opleiding heb je straks zo’n baantje,’ zei Brown.
Die vrijgevigheid laat Brown zien in zijn testament. Hij bezit uiteindelijk een geschatte honderd miljoen en dat laat hij na aan de arme kinderen van de Verenigde Staten. Daar denken zijn eigen kinderen en exen iets anders over en er volgt een lange, miljoenen kostende gerechtelijke procedure die tot in 2021 zou duren.
McBride laat in dit boek goed zien waar James Brown vandaan komt. Het is een harde wereld waarin keihard gewerkt moet worden om iets te bereiken. Als dat gelukt is, is er altijd de kans dat alles wordt afgepakt. Dat speelt al in zijn jeugd, waarin het hele dorp weg omdat anderen besluiten dat er een munitiefabriek moet komen. Later is er het gevaar dat zijn geld afgepakt wordt door managers, gangsters of advocaten. Wat ook gebeurt. Zijn manager Bobbit geeft aan dat veel van zijn gedrag werd gevoed door angst voor de blanke medemens. James Brown wilde altijd de macht en controle houden, dat vaak tot onbegrepen of soms verwerpelijk gedrag heeft geleid.
Het is geen boek waarin de muziek van Brown vaak aan de orde komt. Het laat wel zien waar de mens vandaan komt en die zin prima om kennis van te nemen.
Vertaling; Robert Neugarten show less
To Live’s To Fly. The Ballad of the Late, Great Townes Van Zandt. Amerikanen weten wel weg met lange, onhandige titels en John Kruth dus ook. Maar we hebben het hier over de biografie van de Amerikaanse singer-songwriter Townes Van Zandt (1944-1997). U begrijpt, met Nederlandse voorouders.
Ik was benieuwd naar zijn levensverhaal. Ik had al iets meegekregen van Wiebren Rijkeboer en werd gegrepen door zijn muziek en zijn teksten en vaste lezers weten; dan duik ik daar verder in. Dat is heel goed mogelijk met dit boek.
De jonge Townes is geen makkelijk joch. Er zit best wat geld in de familie en hij mag en gaat ook studeren, maar het wordt natuurlijk de muziek. Dom is hij niet, hij heeft zelfs een hoog IQ en is goed in sport. Hij houdt van lezen, is dol op poëzie en hij kent zijn klassiekers. Qua muziek zijn Hank Williams en Lightnin’ Hopkins zijn helden.
Maar, Townes drinkt. En hij drinkt veel. Voeg daarbij depressieve periodes en dat is genoeg voor zijn ouders om hem op te laten nemen en hem te laten behandelen met elektroshock- en insulinetherapie. Zijn geheugen zal erdoor worden aangetast.
Als hij dat achter de rug heeft neemt hij afscheid van zijn ‘middle-class life’. Om goede blues songs te schrijven moet je het beleven en op reis gaan naar die bodem en dat is precies wat hij gaat doen.
Wat de auteur prima doet is dat hij Townes volgt op zijn pad. Hij beschrijft hoe songs ontstaan en via interviews met zijn ex-vrouw Jeanene en zijn zoon J.T. geeft hij soms een mooi show more kijkje in de keuken. J.T. over de inspiratie van zijn vader;
His songs just started surfacing. No one witnessed any of that. They were just all under Townes’s hat. His interpretation of how he wrote them was that he was just sort of a medium for all those songs – like the songs were around them before he was, and he was just there when they popped out. That was just the explanation everyone was given. He never gave a straight answer on where they came from.
Maar er zijn getuigen die hem hebben zien schrijven en Kruth weet aardig wat songs te duiden. Soms blijkt het uit de titel, maar vaak is het gissen naar de betekenis. Maar ik kan inmiddels talloze prachtige zinnen in zijn oeuvre aanwijzen die mij bijblijven. Uit Tecumseh Valley (It seemed to me that sunshine walked beside her), uit Marie (She just rolled over and went to Heaven, my little boy safe inside) enzoverder. U dient eigenlijk iedere tekst mee te lezen.
Muziek schrijven en optreden, daar gaat het om. Townes trouwt met Fran Peterson en krijgt een zoon maar is niet de ideale vaderfiguur. Hij leeft op het randje en weet dat ook. Zijn vriend Jimmie Dale Gilmore;
“Not only would he not take care of himself – he flat-out destroyed himself. I think he manifested it on purpose. Townes had acquired this idea that he was gonna be like Hank Williams, that he was gonna die and wouldn’t be famous until after he was dead. But y’know, in the long run he was right.”
De fratsen die hij uithaalt onder invloed moet u zelf maar lezen, Russische roulette en het opblazen van de oven thuis zijn slechts voorbeelden. Maar het is fascinerend om te zien dat iemand die zo leeft, bijna altijd onder invloed, zulke schitterende muziek en teksten weet te produceren.
Zijn grote hit Pancho and Lefty is daar een voorbeeld van. Het is gecoverd door Emmylou Harris, Willie Nelson en Merle Haggard en Steve Earle en er circuleren op het internet talloze discussies over de betekenis van het nummer. U kunt het ook opzoeken op de site SongMeanings. Het draagt wat mij betreft allemaal bij tot een nog mooiere beleving van zijn werk.
Townes trouwt nog met Cindy Morgan en daarna met Jeanene Munsell. Met haar krijgt hij nog een dochter, Katie Belle. Geen enkel huwelijk houdt stand door zijn vaak extreme gedrag, hoewel hij en Jeanene goed bevriend blijven. Maar, na een tijd nuchter te zijn geweest, begint hij toch weer te drinken en zijn gezondheid en gedrag worden een probleem. Iedere agent en barkeeper in de buurt weet wie hij is en dan gaat het niet om zijn muzikale kwaliteiten.
Gelukkig gaat het daar in dit boek in hoge mate wel om. Zijn muziek, zijn teksten en wat hem zo’n bijzondere artiest maakt, dat komt ruimschoots aan bod en daarmee is het voor mij een waardevol boek.
Als u zich wil verdiepen in zijn muziek, zoekt of koopt u het live album Live At The Old Quarter. Dat is een live-optreden in Houston, Texas en brengt u Townes Van Zandt zoals u hem moet horen. Hij alleen, met zijn gitaar en zijn bekendste nummers. Veel van zijn albums lijden helaas aan overproductie. Het toevoegen van klavecimbels, dwarsfluiten of overbodige strijkers. Die heeft hij niet nodig. Zijn ‘fingerpicking style’ en zijn stem zijn ruim voldoende.
Townes voorspelde het zelf al; hij wordt niet oud. Zijn lichaam is op en hij sterft op 1 januari 1997. Precies vierenveertig jaar na zijn grote held, Hank Williams. show less
Ik was benieuwd naar zijn levensverhaal. Ik had al iets meegekregen van Wiebren Rijkeboer en werd gegrepen door zijn muziek en zijn teksten en vaste lezers weten; dan duik ik daar verder in. Dat is heel goed mogelijk met dit boek.
De jonge Townes is geen makkelijk joch. Er zit best wat geld in de familie en hij mag en gaat ook studeren, maar het wordt natuurlijk de muziek. Dom is hij niet, hij heeft zelfs een hoog IQ en is goed in sport. Hij houdt van lezen, is dol op poëzie en hij kent zijn klassiekers. Qua muziek zijn Hank Williams en Lightnin’ Hopkins zijn helden.
Maar, Townes drinkt. En hij drinkt veel. Voeg daarbij depressieve periodes en dat is genoeg voor zijn ouders om hem op te laten nemen en hem te laten behandelen met elektroshock- en insulinetherapie. Zijn geheugen zal erdoor worden aangetast.
Als hij dat achter de rug heeft neemt hij afscheid van zijn ‘middle-class life’. Om goede blues songs te schrijven moet je het beleven en op reis gaan naar die bodem en dat is precies wat hij gaat doen.
Wat de auteur prima doet is dat hij Townes volgt op zijn pad. Hij beschrijft hoe songs ontstaan en via interviews met zijn ex-vrouw Jeanene en zijn zoon J.T. geeft hij soms een mooi show more kijkje in de keuken. J.T. over de inspiratie van zijn vader;
His songs just started surfacing. No one witnessed any of that. They were just all under Townes’s hat. His interpretation of how he wrote them was that he was just sort of a medium for all those songs – like the songs were around them before he was, and he was just there when they popped out. That was just the explanation everyone was given. He never gave a straight answer on where they came from.
Maar er zijn getuigen die hem hebben zien schrijven en Kruth weet aardig wat songs te duiden. Soms blijkt het uit de titel, maar vaak is het gissen naar de betekenis. Maar ik kan inmiddels talloze prachtige zinnen in zijn oeuvre aanwijzen die mij bijblijven. Uit Tecumseh Valley (It seemed to me that sunshine walked beside her), uit Marie (She just rolled over and went to Heaven, my little boy safe inside) enzoverder. U dient eigenlijk iedere tekst mee te lezen.
Muziek schrijven en optreden, daar gaat het om. Townes trouwt met Fran Peterson en krijgt een zoon maar is niet de ideale vaderfiguur. Hij leeft op het randje en weet dat ook. Zijn vriend Jimmie Dale Gilmore;
“Not only would he not take care of himself – he flat-out destroyed himself. I think he manifested it on purpose. Townes had acquired this idea that he was gonna be like Hank Williams, that he was gonna die and wouldn’t be famous until after he was dead. But y’know, in the long run he was right.”
De fratsen die hij uithaalt onder invloed moet u zelf maar lezen, Russische roulette en het opblazen van de oven thuis zijn slechts voorbeelden. Maar het is fascinerend om te zien dat iemand die zo leeft, bijna altijd onder invloed, zulke schitterende muziek en teksten weet te produceren.
Zijn grote hit Pancho and Lefty is daar een voorbeeld van. Het is gecoverd door Emmylou Harris, Willie Nelson en Merle Haggard en Steve Earle en er circuleren op het internet talloze discussies over de betekenis van het nummer. U kunt het ook opzoeken op de site SongMeanings. Het draagt wat mij betreft allemaal bij tot een nog mooiere beleving van zijn werk.
Townes trouwt nog met Cindy Morgan en daarna met Jeanene Munsell. Met haar krijgt hij nog een dochter, Katie Belle. Geen enkel huwelijk houdt stand door zijn vaak extreme gedrag, hoewel hij en Jeanene goed bevriend blijven. Maar, na een tijd nuchter te zijn geweest, begint hij toch weer te drinken en zijn gezondheid en gedrag worden een probleem. Iedere agent en barkeeper in de buurt weet wie hij is en dan gaat het niet om zijn muzikale kwaliteiten.
Gelukkig gaat het daar in dit boek in hoge mate wel om. Zijn muziek, zijn teksten en wat hem zo’n bijzondere artiest maakt, dat komt ruimschoots aan bod en daarmee is het voor mij een waardevol boek.
Als u zich wil verdiepen in zijn muziek, zoekt of koopt u het live album Live At The Old Quarter. Dat is een live-optreden in Houston, Texas en brengt u Townes Van Zandt zoals u hem moet horen. Hij alleen, met zijn gitaar en zijn bekendste nummers. Veel van zijn albums lijden helaas aan overproductie. Het toevoegen van klavecimbels, dwarsfluiten of overbodige strijkers. Die heeft hij niet nodig. Zijn ‘fingerpicking style’ en zijn stem zijn ruim voldoende.
Townes voorspelde het zelf al; hij wordt niet oud. Zijn lichaam is op en hij sterft op 1 januari 1997. Precies vierenveertig jaar na zijn grote held, Hank Williams. show less
Stoffer’s Jukebox, het grote song- en plaatjesboek van Martijn Stoffer is weer eens zo’n onmogelijk boek om te bespreken. Dat is een aanbeveling, want als ik alles vertel wat ik graag wil vertellen dan wordt het een boek op zich.
Wellicht weet u dat ik boeken over muziek, waarin mensen met kennis van zaken over muziek vertellen, maar moeilijk kan laten liggen. Martijn Stoffer was programmamaker voor de VPRO van 1984 tot 2009 en schreef voor muziekkrant OOR, dus met die kennis zit het wel snor.
Stoffer bedacht dat het leuk was om ‘Playlists’ te maken rondom wat thema’s en daar iets over te vertellen. Hij heeft toen vijf thema’s bedacht, te weten Liefde 1, Liefde 2, The Blues, Comics, Good Morning Judge, Wat moet ik met mijn leven? en Op zoek naar troost. Zitten daar dan die ‘Playlists’ bij? Neen. Dit was nog iets te algemeen, dus per hoofdthema zijn er nog vijf subthema’s bedacht en daar zitten per thema dan zo’n twintig tot dertig nummers bij, goed voor een flinke cd aan luistertijd.
Die subthema’s zijn om te smullen. Ik ga ze niet allemaal benoemen, maar onder The Blues staat een subthema als Chain Gang, met daaronder 21 nummers over het gevangeniswezen en aanverwante zaken. Nummers als Chain Gang van Sam Cooke natuurlijk, Slave Driver van Bob Marley, Freedom van Charles Mingus enzovoort.
Een ander subthema onder Wat moet ik met mijn leven? is Johnny. U krijgt 29 nummers over Johnny. Is dat leuk? Jazeker! Johnny Remember Me van Johnny Leyton, Johnny One show more Note van Anita O’Day, Johnny B. Goode van The Sex Pistols, Johnny van Hallo Venray, Johnny Lui Dit Adieu van Johnny Halliday en ga maar door.
Als u bovenstaande opsomming ziet, merkt u dat Stoffer niet eenkennig is. Hij haalt zijn muziek uit de pop- en rockmuziek, jazz, Frans- en Nederlandstalige muziek. Er staan ook covers tussen als dat interessanter of gewoon een keer leuker is dan het origineel.
Nog even over de opzet van het boek. Zeven hoofdthema’s dus, per hoofdthema vijf subthema’s en per subthema een speellijst. Bij ieder nummer vertelt Stoffer een kort verhaal waarom dit nummer voor hem van belang is. Bij ieder subthema wordt er één nummer uitgelicht waar hij een langer verhaal over schrijft. Vervolgens wordt het subthema afgesloten met een prachtige tekening door een keur aan Nederlandse illustratoren met speciale aandacht voor de in 2015 overleden illustrator Peter Pontiac, die meerdere illustraties verzorgde.
Dan de inhoud. Stoffer spreekt met grote kennis van zaken én met enthousiasme en dat maakt het voor de liefhebber tot een feest om te lezen. Zo schrijft hij over het nummer van Lester Young, Down To The River (onder het bijna gelijknamige subthema Down by the River) het volgende;
Het is 1966. Lester gaat op weg naar de rivier om zijn vriendin op heterdaad te betrappen. Eerst gaat die klootzak eraan, haar laat hij nog op haar blote knieën smeken voor hij haar afknalt en al die omstanders die besmuikt staan te lachen zullen er ook aan moeten geloven. Een kleine twee minuten blinde, paranoïde woede en een dubbelloops doorgeladen geweer.
Dan wil ik zo’n nummer horen en in dit geval volgen er nog 24 nummers waarin mensen op weinig plezierige wijze met de rivier kennis maken. Maar het zijn sublieme speellijsten.
Zo wilt u het verhaal over de doowop lezen, waarin gangs met elkaar strijden. Niet op leven en dood, maar in de metrostations om hun harmonieën scherper te krijgen. Ook het verhaal over Robert Johnson en de blues is prachtig. Stoffer vertelt over een reis die hij onderneemt naar de geboortegrond van Johnson en geeft zijn indrukken weer;
‘Gospelsingers know they’re not alone, blues singers know they are, ‘had ik onderweg al op een muur zien staan.
U wilt het verhaal lezen over de folkzanger Jackson C. Frank, die wij terugvinden onder subthema Get Rhythm (when you get the blues), met het nummer Blues Run The Game. Een prachtig nummer met een nog indrukwekkender verhaal dat Stoffer uitgebreid toelicht.
Hij laat u ook met nieuwe ogen kijken naar oude nummers. Al die junglenummers als Monkey Man en Ape Man, daar zouden we nu wellicht genuanceerder tegenaan kijken, maar een vergelijkbaar nummer als Stranded In The Jungle was niet alleen de eerste van dit soort nummers, maar bovendien een volledig zwarte creatie. Soms zijn dingen niet wat ze op het eerste gezicht lijken.
Nog zo’n boeiend subthema is Here Comes the Judge. Hier vinden we onder meer zanger Pat Hare met zijn nummer I’m Gonna Murder My Baby. Een apart nummer waarin de hoofdpersoon aan de rechter komt vertellen wat hij van plan is. Als dat al vreemd is; Pat Hare zou dit later daadwerkelijk zelf uitvoeren en de rest van zijn leven in de gevangenis slijten.
Death Row als subthema wilt u ook niet overslaan. Het uitgelichte nummer van Steve Earl, Ellis Unit One is al prachtig en dat gaat over de dodelijke injectie, verteld vanuit het perspectief van de gevangenbewaarder. Maar ik werd van mijn stoel geblazen door het nummer The Mercy Seat van Nick Cave. Stoffer;
Een relatief rustig begin en een paniek die op een gegeven moment de kop opsteekt, dat is ook de manier waarop Nick Cave te werk gaat. De geruststelling, dat de dood niet het echte einde zal zijn, hoor je langzaam omslaan in een onbeschrijfelijke twijfel en angst. De intensiteit is bijna niet te harden. Zelden een band zo strak volledig uit de bocht horen vliegen als The Bad Seeds hier.
Stoffer maakt aannemelijk dat Cave geïnspireerd moet zijn door het nummer 25 Minutes To Go van Johnny Cash (te horen onder hetzelfde subthema Death Row). Johnny Cash zou later het nummer The Mercy Seat van Cave weer coveren.
Verder weet ik een beetje humor ook altijd wel te waarderen en ook van die markt is Stoffer thuis. Over het gitaarspel van Les Paul in zijn nummer Johnny Is The Boy For Me;
Niet alleen een briljant gitarist…maar ook experimenteerde hij er lustig op los in de studio door zijn gitaar op halve snelheid op te nemen waardoor je bij het op normale snelheid afspelen het geluid krijgt van twee achterelkaar aanrennende balalaika’s in een badkamer.
Om er vervolgens in een voetnoot aan toe te voegen dat de bron voor dit nummer een Roemeens volksliedje is, de humor komt dus ook nog niet zomaar uit de lucht vallen.
U begrijpt, met dit soort verhalen en een waslijst aan prachtige muziek kunt u aan de bak. Er staan QR-codes in het boek per speellijst dus u hebt de nummers snel gevonden. In een enkel geval staat het nummer niet op Spotify, dan kunt u het op YouTube terugvinden.
Verder geeft Stoffer nog een keur aan tips, ook met QR-codes, naar interessante video’s, interviews, websites en andere achtergrondinformatie waardoor u zichzelf nog beter op de hoogte kunt stellen. U begrijpt dat ik nog lang niet klaar ben met dit boek, het is de aanschaf zeker waard. show less
Wellicht weet u dat ik boeken over muziek, waarin mensen met kennis van zaken over muziek vertellen, maar moeilijk kan laten liggen. Martijn Stoffer was programmamaker voor de VPRO van 1984 tot 2009 en schreef voor muziekkrant OOR, dus met die kennis zit het wel snor.
Stoffer bedacht dat het leuk was om ‘Playlists’ te maken rondom wat thema’s en daar iets over te vertellen. Hij heeft toen vijf thema’s bedacht, te weten Liefde 1, Liefde 2, The Blues, Comics, Good Morning Judge, Wat moet ik met mijn leven? en Op zoek naar troost. Zitten daar dan die ‘Playlists’ bij? Neen. Dit was nog iets te algemeen, dus per hoofdthema zijn er nog vijf subthema’s bedacht en daar zitten per thema dan zo’n twintig tot dertig nummers bij, goed voor een flinke cd aan luistertijd.
Die subthema’s zijn om te smullen. Ik ga ze niet allemaal benoemen, maar onder The Blues staat een subthema als Chain Gang, met daaronder 21 nummers over het gevangeniswezen en aanverwante zaken. Nummers als Chain Gang van Sam Cooke natuurlijk, Slave Driver van Bob Marley, Freedom van Charles Mingus enzovoort.
Een ander subthema onder Wat moet ik met mijn leven? is Johnny. U krijgt 29 nummers over Johnny. Is dat leuk? Jazeker! Johnny Remember Me van Johnny Leyton, Johnny One show more Note van Anita O’Day, Johnny B. Goode van The Sex Pistols, Johnny van Hallo Venray, Johnny Lui Dit Adieu van Johnny Halliday en ga maar door.
Als u bovenstaande opsomming ziet, merkt u dat Stoffer niet eenkennig is. Hij haalt zijn muziek uit de pop- en rockmuziek, jazz, Frans- en Nederlandstalige muziek. Er staan ook covers tussen als dat interessanter of gewoon een keer leuker is dan het origineel.
Nog even over de opzet van het boek. Zeven hoofdthema’s dus, per hoofdthema vijf subthema’s en per subthema een speellijst. Bij ieder nummer vertelt Stoffer een kort verhaal waarom dit nummer voor hem van belang is. Bij ieder subthema wordt er één nummer uitgelicht waar hij een langer verhaal over schrijft. Vervolgens wordt het subthema afgesloten met een prachtige tekening door een keur aan Nederlandse illustratoren met speciale aandacht voor de in 2015 overleden illustrator Peter Pontiac, die meerdere illustraties verzorgde.
Dan de inhoud. Stoffer spreekt met grote kennis van zaken én met enthousiasme en dat maakt het voor de liefhebber tot een feest om te lezen. Zo schrijft hij over het nummer van Lester Young, Down To The River (onder het bijna gelijknamige subthema Down by the River) het volgende;
Het is 1966. Lester gaat op weg naar de rivier om zijn vriendin op heterdaad te betrappen. Eerst gaat die klootzak eraan, haar laat hij nog op haar blote knieën smeken voor hij haar afknalt en al die omstanders die besmuikt staan te lachen zullen er ook aan moeten geloven. Een kleine twee minuten blinde, paranoïde woede en een dubbelloops doorgeladen geweer.
Dan wil ik zo’n nummer horen en in dit geval volgen er nog 24 nummers waarin mensen op weinig plezierige wijze met de rivier kennis maken. Maar het zijn sublieme speellijsten.
Zo wilt u het verhaal over de doowop lezen, waarin gangs met elkaar strijden. Niet op leven en dood, maar in de metrostations om hun harmonieën scherper te krijgen. Ook het verhaal over Robert Johnson en de blues is prachtig. Stoffer vertelt over een reis die hij onderneemt naar de geboortegrond van Johnson en geeft zijn indrukken weer;
‘Gospelsingers know they’re not alone, blues singers know they are, ‘had ik onderweg al op een muur zien staan.
U wilt het verhaal lezen over de folkzanger Jackson C. Frank, die wij terugvinden onder subthema Get Rhythm (when you get the blues), met het nummer Blues Run The Game. Een prachtig nummer met een nog indrukwekkender verhaal dat Stoffer uitgebreid toelicht.
Hij laat u ook met nieuwe ogen kijken naar oude nummers. Al die junglenummers als Monkey Man en Ape Man, daar zouden we nu wellicht genuanceerder tegenaan kijken, maar een vergelijkbaar nummer als Stranded In The Jungle was niet alleen de eerste van dit soort nummers, maar bovendien een volledig zwarte creatie. Soms zijn dingen niet wat ze op het eerste gezicht lijken.
Nog zo’n boeiend subthema is Here Comes the Judge. Hier vinden we onder meer zanger Pat Hare met zijn nummer I’m Gonna Murder My Baby. Een apart nummer waarin de hoofdpersoon aan de rechter komt vertellen wat hij van plan is. Als dat al vreemd is; Pat Hare zou dit later daadwerkelijk zelf uitvoeren en de rest van zijn leven in de gevangenis slijten.
Death Row als subthema wilt u ook niet overslaan. Het uitgelichte nummer van Steve Earl, Ellis Unit One is al prachtig en dat gaat over de dodelijke injectie, verteld vanuit het perspectief van de gevangenbewaarder. Maar ik werd van mijn stoel geblazen door het nummer The Mercy Seat van Nick Cave. Stoffer;
Een relatief rustig begin en een paniek die op een gegeven moment de kop opsteekt, dat is ook de manier waarop Nick Cave te werk gaat. De geruststelling, dat de dood niet het echte einde zal zijn, hoor je langzaam omslaan in een onbeschrijfelijke twijfel en angst. De intensiteit is bijna niet te harden. Zelden een band zo strak volledig uit de bocht horen vliegen als The Bad Seeds hier.
Stoffer maakt aannemelijk dat Cave geïnspireerd moet zijn door het nummer 25 Minutes To Go van Johnny Cash (te horen onder hetzelfde subthema Death Row). Johnny Cash zou later het nummer The Mercy Seat van Cave weer coveren.
Verder weet ik een beetje humor ook altijd wel te waarderen en ook van die markt is Stoffer thuis. Over het gitaarspel van Les Paul in zijn nummer Johnny Is The Boy For Me;
Niet alleen een briljant gitarist…maar ook experimenteerde hij er lustig op los in de studio door zijn gitaar op halve snelheid op te nemen waardoor je bij het op normale snelheid afspelen het geluid krijgt van twee achterelkaar aanrennende balalaika’s in een badkamer.
Om er vervolgens in een voetnoot aan toe te voegen dat de bron voor dit nummer een Roemeens volksliedje is, de humor komt dus ook nog niet zomaar uit de lucht vallen.
U begrijpt, met dit soort verhalen en een waslijst aan prachtige muziek kunt u aan de bak. Er staan QR-codes in het boek per speellijst dus u hebt de nummers snel gevonden. In een enkel geval staat het nummer niet op Spotify, dan kunt u het op YouTube terugvinden.
Verder geeft Stoffer nog een keur aan tips, ook met QR-codes, naar interessante video’s, interviews, websites en andere achtergrondinformatie waardoor u zichzelf nog beter op de hoogte kunt stellen. U begrijpt dat ik nog lang niet klaar ben met dit boek, het is de aanschaf zeker waard. show less
Jan 9, 2026Dutch
Miss O'Dell. My Hard Days and Long Nights with The Beatles, The Stones, Bob Dylan, Eric Clapton, and the Women They Loved by Chris O'Dell
Je kan maar op het goede moment op de goede plek zijn. Chris O’Dell was dat en die schrijft daar vervolgens een onderhoudend boek over met de omslachtige titel Miss O’Dell. Hard Days and Long Nights with The Beatles, The Stones, Bob Dylan, and Eric Clapton. Dat is een mondvol en brengt u weinig verder maar ik ga het toelichten.
Chris O’Dell is druk bezig in Los Angeles een regulier leven te leiden als ze door een vriend wordt uitgenodigd voor een etentje. Daar is ook Derek Taylor aanwezig, die toevallig de publiciteitschef is van het net opgerichte Apple, de platenmaatschappij van The Beatles. Dat klikt prima tussen die twee en Chris wordt uitgenodigd om naar Londen te komen; er zal vast wel een baantje voor haar zijn bij Apple.
Ze trekt de stoute schoenen aan en meldt zich bij Apple. Daar maakt zij zich zo nuttig mogelijk tot ze een vaste waarde wordt en zowaar The Beatles ontmoet, die natuurlijk met enige regelmaat komen binnenwaaien.
Na enige tijd weet ze zelfs een opname bij te wonen en laat dat net Hey Jude zijn. Daar is een koortje voor nodig en Paul McCartney kijkt eens om zich heen;
“Come on, Chris, you can help,” he said. “We need as many voices as we can get.”
Sing on a Beatles track? The thought sent a little thrill of fear through me…But I was caught. Paul had asked me to join in and he was the boss.
I stood at the microphones with The Beatles and perhaps thirty members of the orchestra, clapping my hands and singing along with the refrain.
Dan gaat show more het hard. Door een toeval belandt ze als een van de weinigen op het dak van het Apple-gebouw als The Beatles daar hun beroemde optreden geven. Ze is goed in regelen en als Bob Dylan optreedt op het eiland Wight wordt ze met een helikopter ingevlogen omdat Bob hier en nu mondharmonica’s nodig heeft.
Dan komt Leon Russel naar Londen om op te nemen. Ook hij komt binnen bij Apple en is weg van Chris. Ze houdt de boel een beetje af want heeft haar werk in Londen en hoeft niet met Russell terug naar Amerika. Maar dan schrijft hij een nummer speciaal voor haar, Pisces Apple Lady. Ze valt voor hem en vertrekt met hem naar Los Angeles.
Maar Russell is wie hij is en gaat vreemd en ze gaat terug naar Londen, een illusie armer. George Harrison vraagt of ze zijn assistent kan worden en ze gaat met hem en zijn vrouw Pattie wonen in zijn huis. Gaat u zelf vooral lezen wat ze daar allemaal meemaakt, maar op een gegeven moment zit ze weer in Londen, bij Apple en heeft ze een relatie met Jim Gordon. Dat is een drummer met gebruiksaanwijzing, zoals u hier kunt lezen en Chris ontsnapt maar net aan zijn waanzin.
Ze regelt zaken voor de tournee van Eric Clapton en wordt dan voor The Rolling Stones gevraagd. Die gaan opnemen en wonen in Amerika en hebben assistentie nodig. Hun manager licht even de werkzaamheden toe;
You’ll need to find nice houses for them, take care of their daily business, book the recording sessions, attend to their personal needs, and there’s the album to worry about: getting the cover designed, lining up photographers, the whole fucking thing. Charlie and Bill will be in town now and then, too, and they’ll need hotel rooms, limos, cash, dry cleaning, that kind of stuff…Can you handle all that?
En dat kan ze. Zo belandt ze ook met haar foto als ‘mystery woman’ op de cover van het Stones-album Exile On Main Street en mag ze mee op tournee. Lees vooral het verhaal waarin ze voor Keith Richards een partijtje drugs in een andere stad moet ophalen. Riskant, maar ze doet het.
Als de tournee voorbij raakt ze in een dal. Ze heeft altijd meegedronken met de artiesten, gebruikt inmiddels cocaïne en zinkt soms aardig diep. Ze spaart zichzelf ook niet in dit boek.
Ze is inmiddels bevriend met Pattie, de vrouw van George Harrison (die trouwens het nummer Miss O’Dell over haar schrijft), maar die gaat een relatie aan met Eric Clapton. Chris flirt zelf met Ringo Starr en dat zorgt voor complicaties met Maureen, de vrouw van Ringo. Het is gossip natuurlijk, maar op het hoogste niveau en toch boeiend om te lezen.
Maar, Chris O’Dell is goed in wat ze doet en ze wordt gevraagd voor een tournee met Crosby, Stills, Nash and Young. Dat zijn een stel verwende kinderen (behalve Neil Young, die houdt zich overal buiten) met David Crosby voorop;
David was the baby. When he was upset about something, which was often several times a day, he’d rant and rave, grow red in the face, puff and pout, blow and wheeze, but as soon as he got what he wanted, he’d settle down, happy as could be.
De tournee met Bob Dylan is ook interessant. Daar gaat een jongen mee waar ze een oogje op heeft, maar dan blijkt ze ineens de concurrent van Joni Mitchell. Beiden vangen bot, Joni Mitchell is Joni Mitchell en schrijft er een nummer over en zo is Chris O’Dell ineens ‘the woman down the hall’ in het nummer Coyote van Mitchell.
Het is een wonderlijk leven. O’Dell heeft vanwege haar kwaliteiten werk genoeg. Ze werkt samen met John Denver, Linda Ronstadt, Jeniffer Warnes, Phil Collins, Queen, Fleetwood Mac, Led Zeppelin, Grateful Dead, Electric Light Orchestra, Frank Zappa en Santana. Toch kent ze ook dieptepunten, met name als haar verslavingen de overhand dreigen te nemen.
Uiteindelijk trouwt ze met een Engelse aristocraat en krijgt een zoon, William. Tot op de dag van vandaag is ze goed bevriend met Pattie Boyd, de ex van inmiddels George Harrison en Eric Clapton en chat ze er af en toe mee op haar eigen YouTube-kanaal. U kunt ook haar site bezoeken voor wat meer informatie. Een lezenswaardig boek met veel informatie uit de ‘inner circle’ van een hoop beroemdheden uit de rockmuziek. show less
Chris O’Dell is druk bezig in Los Angeles een regulier leven te leiden als ze door een vriend wordt uitgenodigd voor een etentje. Daar is ook Derek Taylor aanwezig, die toevallig de publiciteitschef is van het net opgerichte Apple, de platenmaatschappij van The Beatles. Dat klikt prima tussen die twee en Chris wordt uitgenodigd om naar Londen te komen; er zal vast wel een baantje voor haar zijn bij Apple.
Ze trekt de stoute schoenen aan en meldt zich bij Apple. Daar maakt zij zich zo nuttig mogelijk tot ze een vaste waarde wordt en zowaar The Beatles ontmoet, die natuurlijk met enige regelmaat komen binnenwaaien.
Na enige tijd weet ze zelfs een opname bij te wonen en laat dat net Hey Jude zijn. Daar is een koortje voor nodig en Paul McCartney kijkt eens om zich heen;
“Come on, Chris, you can help,” he said. “We need as many voices as we can get.”
Sing on a Beatles track? The thought sent a little thrill of fear through me…But I was caught. Paul had asked me to join in and he was the boss.
I stood at the microphones with The Beatles and perhaps thirty members of the orchestra, clapping my hands and singing along with the refrain.
Dan gaat show more het hard. Door een toeval belandt ze als een van de weinigen op het dak van het Apple-gebouw als The Beatles daar hun beroemde optreden geven. Ze is goed in regelen en als Bob Dylan optreedt op het eiland Wight wordt ze met een helikopter ingevlogen omdat Bob hier en nu mondharmonica’s nodig heeft.
Dan komt Leon Russel naar Londen om op te nemen. Ook hij komt binnen bij Apple en is weg van Chris. Ze houdt de boel een beetje af want heeft haar werk in Londen en hoeft niet met Russell terug naar Amerika. Maar dan schrijft hij een nummer speciaal voor haar, Pisces Apple Lady. Ze valt voor hem en vertrekt met hem naar Los Angeles.
Maar Russell is wie hij is en gaat vreemd en ze gaat terug naar Londen, een illusie armer. George Harrison vraagt of ze zijn assistent kan worden en ze gaat met hem en zijn vrouw Pattie wonen in zijn huis. Gaat u zelf vooral lezen wat ze daar allemaal meemaakt, maar op een gegeven moment zit ze weer in Londen, bij Apple en heeft ze een relatie met Jim Gordon. Dat is een drummer met gebruiksaanwijzing, zoals u hier kunt lezen en Chris ontsnapt maar net aan zijn waanzin.
Ze regelt zaken voor de tournee van Eric Clapton en wordt dan voor The Rolling Stones gevraagd. Die gaan opnemen en wonen in Amerika en hebben assistentie nodig. Hun manager licht even de werkzaamheden toe;
You’ll need to find nice houses for them, take care of their daily business, book the recording sessions, attend to their personal needs, and there’s the album to worry about: getting the cover designed, lining up photographers, the whole fucking thing. Charlie and Bill will be in town now and then, too, and they’ll need hotel rooms, limos, cash, dry cleaning, that kind of stuff…Can you handle all that?
En dat kan ze. Zo belandt ze ook met haar foto als ‘mystery woman’ op de cover van het Stones-album Exile On Main Street en mag ze mee op tournee. Lees vooral het verhaal waarin ze voor Keith Richards een partijtje drugs in een andere stad moet ophalen. Riskant, maar ze doet het.
Als de tournee voorbij raakt ze in een dal. Ze heeft altijd meegedronken met de artiesten, gebruikt inmiddels cocaïne en zinkt soms aardig diep. Ze spaart zichzelf ook niet in dit boek.
Ze is inmiddels bevriend met Pattie, de vrouw van George Harrison (die trouwens het nummer Miss O’Dell over haar schrijft), maar die gaat een relatie aan met Eric Clapton. Chris flirt zelf met Ringo Starr en dat zorgt voor complicaties met Maureen, de vrouw van Ringo. Het is gossip natuurlijk, maar op het hoogste niveau en toch boeiend om te lezen.
Maar, Chris O’Dell is goed in wat ze doet en ze wordt gevraagd voor een tournee met Crosby, Stills, Nash and Young. Dat zijn een stel verwende kinderen (behalve Neil Young, die houdt zich overal buiten) met David Crosby voorop;
David was the baby. When he was upset about something, which was often several times a day, he’d rant and rave, grow red in the face, puff and pout, blow and wheeze, but as soon as he got what he wanted, he’d settle down, happy as could be.
De tournee met Bob Dylan is ook interessant. Daar gaat een jongen mee waar ze een oogje op heeft, maar dan blijkt ze ineens de concurrent van Joni Mitchell. Beiden vangen bot, Joni Mitchell is Joni Mitchell en schrijft er een nummer over en zo is Chris O’Dell ineens ‘the woman down the hall’ in het nummer Coyote van Mitchell.
Het is een wonderlijk leven. O’Dell heeft vanwege haar kwaliteiten werk genoeg. Ze werkt samen met John Denver, Linda Ronstadt, Jeniffer Warnes, Phil Collins, Queen, Fleetwood Mac, Led Zeppelin, Grateful Dead, Electric Light Orchestra, Frank Zappa en Santana. Toch kent ze ook dieptepunten, met name als haar verslavingen de overhand dreigen te nemen.
Uiteindelijk trouwt ze met een Engelse aristocraat en krijgt een zoon, William. Tot op de dag van vandaag is ze goed bevriend met Pattie Boyd, de ex van inmiddels George Harrison en Eric Clapton en chat ze er af en toe mee op haar eigen YouTube-kanaal. U kunt ook haar site bezoeken voor wat meer informatie. Een lezenswaardig boek met veel informatie uit de ‘inner circle’ van een hoop beroemdheden uit de rockmuziek. show less





























