Picture of author.

Karel Jonckheere (1906–1993)

Author of Speels ABC der Nederlanden

78+ Works 296 Members 5 Reviews

About the Author

Works by Karel Jonckheere

Speels ABC der Nederlanden (1962) — Editor — 27 copies
54 Vlaamse verhalen (1971) — Editor — 20 copies
Breviarium der Vlaamse lyriek (1979) 18 copies, 2 reviews
Vandaag 5 (1958) — Editor — 7 copies
Poëzie is overal : van bijbel tot eskimo (1960) — Composer — 6 copies
Vraag me geen leugens (1986) 6 copies
Spiegel der zee 5 copies
Miniaturen (1979) 5 copies, 1 review
Vandaag 6 — Editor — 5 copies
België (1965) 4 copies
Poëtische inventaris (1973) 4 copies
De overkant is hier (1982) 3 copies
Reinaart de vos (1981) 2 copies
Das ist Belgien — Author — 2 copies
Recht op Da Capo (1988) 2 copies
Tierra Caliente 2 copies
Wuiven naar gisteren (1987) 2 copies
De man met de ruiker (1977) 2 copies
Filter uw Dag 2 copies
Ogentroost 2 copies
De poëziemuur doorbreken (1958) 2 copies
Herinnering aan Ensor (1985) 1 copy
In gesprek met... — Contributor — 1 copy
Beeld en verbeelding — Editor — 1 copy
Poèmes 1 copy
April 1 copy
Tita vlucht 1 copy

Associated Works

The Travels of Marco Polo (1298) — Translator, some editions — 5,907 copies, 69 reviews
De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten (1979) — Contributor, some editions — 208 copies, 1 review
De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen (2005) — Contributor — 79 copies, 2 reviews
Herinneringen aan Godfried Bomans (1972) — Contributor — 50 copies
De wandelende Jood (1906) — Introduction, some editions — 43 copies, 3 reviews
Voor wie dit leest : proza en poëzie van 1920 tot heden (1959) — Contributor — 25 copies
Dichters van deze tijd (1977) — Contributor — 24 copies
Leesliefde in 100 & enige gedichten (2002) — Contributor — 22 copies
Twee weken Holland (1893) — Translator, some editions — 20 copies
Instrumentarium voor een winter : gedichten 1955-1960 (1986) — Introduction — 10 copies
Vlaamse dichtkunst van deze tijd — Contributor — 3 copies, 1 review
De Vlaamse Helicon (1928) — Introduction — 3 copies
Ay, al es nu die winter cout — Translator — 1 copy

Tagged

Common Knowledge

Canonical name
Jonckheere, Karel
Legal name
Jonckheere, Carolus Johannes-Baptista
Birthdate
1906-04-09
Date of death
1993-12-13
Gender
male
Occupations
vertaler Frans - Nederlands
Nationality
Belgium
Birthplace
Oostende, Belgium
Place of death
Rijmenam, Belgium
Burial location
Rijmenam, Belgium
Associated Place (for map)
Belgium

Members

Reviews

9 reviews
Van Karel Jonckheere besprak ik halverwege 2023 al Miniaturen https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2023/07/miniaturen-karel-jonckheere.htm... en ook uit die bespreking kon u al afleiden (zonder daartoe enige zin voor deductie nodig te hebben overigens) dat de in 1993 overleden Oostendse auteur niet zomaar literair adviseur van het (toen nog belgisch) Ministerie van Cultuur en – dixit Wikipedia – “dé ambassadeur van de Nederlandstalige letteren in het buitenland” was geweest. show more “Ook”, schrijf ik wel degelijk, want die gevolgtrekking kan eveneens gemaakt worden na (en tijdens) lezing van Leer mij ze kennen… de Vlamingen, een boek dat in 1969 verscheen bij A.W. Sijthoff (in 1989 gefusioneerd met Uitgeverij Luitingh tot Luitingh-Sijthoff en in de jaren daarna samen met een hele hoop andere uitgeverijen terechtgekomen bij de Veen Bosch & Keuning Uitgeversgroep, die in mei 2024 dan weer overgenomen werd door de Amerikaanse uitgeverij Simon & Schuster) in een serie waarin andere auteurs de lezer ook al kennis laten maken hadden met “de Amsterdammers”, “de Brabanders”, “de Drenten”, “de Friezen”, “de Groningers”, enzovoort. Waar het in Miniaturen al namen regende van, vooral, toen nog levende schrijvers, doet het dat in Leer mij ze kennen… de Vlamingen van niet alleen dié, maar ook – en vooral – van massa’s dode schrijvers, dode schrijvers waarvan Jonckheere de werken en daarmee hun belang in het leven weet te roepen, dode schrijvers die je daardoor bijna stuk voor stuk óók wel eens zou willen (her)lezen, dode schrijvers waarvan helaas geen register voorzien is.

Waarmee meteen op de, mijns inziens, enige contra van dit honderdveertig bladzijden dikke boekje is gewezen: wie niet tíjdens de lezing ervan heeft genoteerd wat ie zo allemaal eens zou moeten (her)lezen, die moet op het einde het boekje zélf herlezen om dat alsnog te doen. Mogelijk behoorde het plaatsen van een register niet tot de stijl van de serie, mogelijk vond Jonckheere dat zelf niet zinnig, maar zo’n register ware een bijzonder nuttige bijdrage aan de geschiedenis der Nederlandstalige letteren geweest, een geschiedenis die Jonckheere uitdrukkelijk niét wenst te schrijven, maar waaraan hij wel de geschiedenis van Vlaanderen ophangt. Het Cruydeboek van Rembert Dodoens, de Uytspraeck van de Weerdicheyt der Duytse Tael van Simon Stevin, de Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden van Jan Verlooy, genoemd in het eerste hoofdstuk, Waar plant ik mijn ezel?, zijn immers niet meer dan de kopgroep van werken en auteurs die in deze sterk samengebalde geschiedenis van Vlaanderen, van de Zuidelijke Nederlanden de rode draad vormen.

Een samengebalde geschiedenis geschreven ten behoeve van een Nederlands, een Noord-Nederlands dus, publiek, waaraan ook de steeds verder ontworteld rakende Vlaming van tegenwoordig (vijfenvijftig jaar na het verschijnen van dit boekje) veel kan hebben, een geschiedenis waaruit ook de Vlaming die meent dat hij nog wél stevig verworteld is (want hij eet frieten en drinkt bier in plaats van kebab en Franse wijn) veel kan leren, een geschiedenis die Jonckheere, niet gespeend van enige humor, aldus begint: “Een dode Vlaming wil ik niet wekken, evenmin een kunstmatige verwekken. De volkenbeschrijvers zijn het niet oneens de Vlaming tot de klasse van de mensen te rekenen. Laten we dit oordeel bijtreden, hoewel het ons tot verplichtingen noopt. We worden automatisch aan gemeenschappelijke feiten herinnerd, aan hoedanigheden die mogelijk een Vlaming sieren. Eenmaal de Vlaming tot mens gebanalizeerd rijst de vraag op waarom hij ons verder zou boeien. Planeet aarde ijkt ons tot lotgenoten. Geen redelijk wezen maakt nog een onderscheid tussen Jafetieten, Semieten en Chamieten. De geschiedenis van elk volk komt steeds op hetzelfde neer, geleefd hebben, leven en hopen te zullen leven. Een aardrijkskundig klimaat zorgt voor niets anders dan een paar bonte gewoonten. De moderne verkeers- en uitdrukkingsmiddelen gooien dichte en verre geheimen onder de vertrouwde lampen: krant, radio, televisie, telefoon, openbaar kontakt. Waar ademt in onze eeuw nog een zuiver ras? Waar werd traditie geen opgekrikte folklore? In welke naam taande de oorspronkelijke kern niet tot begoocheling? In deze tijd van neo-nationalisme leveren we een achterhoede-gevecht om deze oorspronkelijkheid te redden. Minder onze typologische dan onze politieke en ekonomische. Hoe meer wij pogen onze ‘grens’ te vrijwaren des te meer worden we aangelokt om ze op te geven. Eilanden raken uit de mode.”

Een korte samenvatting van wat ‘geschiedenis’ in onze nog quasi louter uit heden bestaande tijden lijkt te betekenen, een samenvatting waar Jonckheere zich zelf echter niet bij neerlegt: “Of spelen wij zo maar het spel van de edele, wazige wereldsolidariteit? Voeren wij de taktiek van de egelstelling naarmate we door anderen worden gebombardeerd, als atoom worden gesplitst? Zodat gevaar voor ontpersoonlijking ons de drang ingeeft de eigenheid te vrijwaren? Waarom ons eigenlijk niet in onze essentie terugtrekken? Vrienden van vandaag kunnen morgen vijanden zijn. Onze inspanningen om grond uit zee te winnen, zelfstandigheid te betrachten onder golven van bezetting, met eigen hand gesmede bestaansmogelijkheden te behouden, met hart en geest woeling en bezinning uit te beelden, de taal tot instrument en mechanisme te sublimeren tot ontginning en vastleggen van onze bewustwording, wij kunnen dit alles niet klakkeloos vergeten of opgeven. De natuur verzet er zich tegen, ook onze eer. Is zelfrespekt uit te roeien? Kunnen wij kunstmatig afzonderen wat het bloed eeuwenlang in ons liet bezinken? Is ons ‘genie’ minder waard dan dat van anderen? Bestaan er kleine beschavingen? Valt een volstrekt onderscheid in waarde te maken tussen talen met ruim afzetgebied en die ontgonnen door enkele miljoenen?” ‘Neen’, is het duidelijke antwoord van Jonckheere, ook niet nu we ‘toch al zover zijn gekomen’, nu we – en ten tijde van het verschijnen van dit boekje was het nog zover niét – als door belgië gedefinieerde ‘Vlamingen’ een eigen regering hebben, een deelstaat, een stukje autonomie (de tegenspraak tussen dat ‘stukje’ en ‘autonomie’ alleen al): “Ten slotte roert zoveel vertroebelde politiek in de Vlaamse pot dat oppervlakkigen, omzichtigen en gemakzuchtigen allergisch reageren op de soms niet te doorziene gedragingen van ware of vermeende ‘beroeps-Vlamingen’. Zonder te vergeten dat de bemoeizucht van bezettingen heel wat schade berokkende aan de Vlaamse zaak. Wat, na het vertrek van de duistere bewerkers, de globaal-gelijkgezinden verdeelde en het land achterliet vol tijdbommen. De ene idealist moest op gronden van wettelijkheid de andere uitschakelen. Wrok en koppigheid vergiftigen langer dan nodig de dronk op dezelfde zegepraal. Laten we niet argeloos zijn. De massa kan altijd leep bevingerd worden tot kunstmatige geestdrift. Maar velen zouden zich vergissen als ze menen dat de Vlaamse Beweging zo’n artificiële verwekking was. Zij betekent en blijft een zuivere ontwaking. Eerst taalkundig en politiek, daarna ekonomisch en kultureel. Vandaag dit alles bijeen plus meer vrijzinnigheid en vrijzedigheid, wat niets te maken heeft met het Sermoen op de Berg. (…) De Vlaming was aanwezig geweest toen de demokratie in Europa werd geboren, vandaag zeshonderd jaar geleden. Belforten en hallen getuigden ervan. Lange tijd bleef innerlijk branden gedoofd, nooit uitgedoofd. Wat buitenlanders hadden afgenomen, wilde de Vlaming opnieuw veroveren daar het vaderland het hem niet spontaan schonk. Vlaanderen voelde zich als een eik, boom die langer dan andere zijn overjaarse droge blaren behoudt, de indruk geeft dat hij, omgeven door vlugger groen, morsdood is. Tot de wachtende sappen zeker worden van hun kans en uitbarsten met onvermoede vitaliteit. Vandaag is het weer zo ver.”

Geef toe, na het lezen van zo’n inleiding moet je toch al een ontzettende beuzak zijn om niet verder te willen lezen? Ook al omdat ná die inleiding pas datgene komt wat echt leuk om lezen is, zijnde de hoofdstukken Vlaming, ra, ra, wat is dat?, Veelarmige kandelaber, Zeg mij wie uw graaf is en…, Vlaanderen maakt zich zelf, Brabant, Harba lorifa, en Limburg onder de linde, de vroege geschiedenissen van de onderscheiden regionen die naderhand het belgische Vlaanderen zouden gaan uitmaken dat we nu kennen. Beginnend met de oorsprong van het woord ‘Vlaanderen’ (zeer meervoudig verklaarbaar), tussendoor even passerend via Kongo, en eindigend in Antwerpen: “Zelfs onder de Bourgondiërs is te Antwerpen niets bijzonders gebeurd. Zijn naam komt van ‘anda’ (tegen) en ‘werpum’ (aangeworpen land). Een aanwas dus. Maar ééntje dat zal uitgroeien tot hoofd.” Fijne humor vanwege Oostendenaar Jonckheere, het soort humor waarmee al de genoemde hoofdstukken doorspekt zijn, al houdt dat de diepzinnigheid nooit weg: “Alles wel beschouwd is deze afkomst niet bijster oorspronkelijk tegenover die van de stammen benoorden het Zwin. We hebben dezelfde lentes en herfsten meegemaakt, dezelfde vis gegeten, dezelfde mede gedronken, dezelfde ganzen gekweekt, dezelfde vossen verjaagd, dezelfde kinderen zien verdrinken, dezelfde goden vereerd. De tranen van onze vrouwen hadden een gelijk zoutgehalte en elke voet op zee gewonnen teeltgrond heeft hetzelfde zweet gekost. Wie, wat zou ons van elkaar hebben vervreemd? De politiek? Wat voor volstrekte waarde aan dit spel gehecht? De godsdienst? Het huis des Vaders heeft veel kamers maar niet meer dan één keuken. Doe even de poort open op uw Zuiden”, richt hij zich tot zijn Nederlandse publiek.

En dan al die literatuur en literatoren…: Dante die in zijn La Divina Commedia “Zoals door Vlamingen, waar Brugge ligt / tot Kadzand, dat de zee niet overstrome, / een wering tegen vloed is opgericht” schreef; de onbekende monnik die in de rand van een boek “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase ic anda thu, wat unbidan we nu?” noteerde; Willem met zijn Reinaert de Vos; Meester Nivardus (een ‘nie-waard’ lijkt zijn naam in het Westvlaams te willen zeggen) met zijn Ysengrinus; Karel ende Elegast van een onbekende Brabander; Reinout van Montalbaen; Waleweyn van de Westvlaming Penninc; Ferguut van een onbekende Oostvlaming; Jacob van Maerlants Spieghel Historiael en Brabantse Yeesten; Hadewijchs Brieven en Vizioenen; Marieken van Nieumeghen; Elckerlyc; Lanceloot van Denemarken; Esmoreit; Gloriant; Anthonis de Roovere’s Vander Mollenfeeste; Cornelis Cruls Tweespraak van den rycken Ghierighen; … Nog maar het begin trouwens van die berg interessant leesvoer die ook in de volgende hoofdstukken opduikt, zelfs al lag de productie in Vlaanderen gedurende eeuwen van vreemde bezetting zeer laag: “Stellen wij ons voor wat de vitalistische Vlaming had kunnen verwezenlijken door de Renaissance, deze terugslag naar het aardse, als hij zich zelf had mogen blijven zoals de Noord-Nederlander. De regeerders waren vreemdelingen die de eigen kultuur poogden binnen te brengen, de rust werd verstoord door velerlei beroerten, de energie opgeslorpt om het lijf in veiligheid te brengen. In zoverre iets werd geschreven, rilde het van de onzekerheid van de maker, beefde van onbeheerste toorn.” “Vlaanderen verloor tweemaal zijn hoofd. Op het schavot of door de vlucht. Het is de grootste intellektuele bloedaftapping die het ooit heeft ondergaan. De ouders van Vondel, de vrouwen van Hooft, de moeder van Huygens, de drukker Elsevier, de jonge Frans Hals, om er enkelen te noemen, betekenden daarentegen een sterke geestelijke transfusie voor het Noorden. De voorvaders van Beethoven kwamen uit Mechelen, die van Daniel Defoe (Defauw), auteur van Robinson Crusoe, verkozen vrijheid in ballingschap boven knevelarijen en de eed aan katoliek Spanje. Uit Antwerpen alleen namen 80.000 mensen de wijk. Het waren niet de minsten, wel de interessantsten met een persoonlijke overtuiging, betrekkelijk of sterk ontwikkelden, kortom de kruim van het volk. Dat er avonturiers onder hen liepen is geen leugen. Tenzij wie gebroodroofd werd avonturier moest worden. In elk geval werd Vlaanderens reliëf op tragische wijze voor vele jaren uitgehold. Nooit was de kulturele integratie Noord-Zuid zo groot – maar uitsluitend op Noord-Nederlands grondgebied.”

1815-1830 bracht geen verbetering, dixit Jonckheere, al is hij wel iets té kritisch voor onze goede koning Willem. “We werden eerder als kolonie beschouwd dan als staatgenoten”, kan geklopt hebben met betrekking tot de gedachten van een aantal mensen in het Noorden, maar het was voorzeker niét de ingesteldheid van Willem zelf, noch van al zijn ambtenaren, nog los van het feit dat ook zij uiteraard moesten wennen aan de nieuwe situatie (de Nederlanden waren uiteindelijk al láng uit mekaar aan het drijven geweest). Als die láng genoeg had kunnen duren, hadden de Vlamingen in ieder geval niet moeten wennen aan een situatie waarin ze nog voor meer dan een eeuw absolute tweederangsburgers in hun eigen land zouden blijven. Met Hendrik Conscience werd, zoals Jonckheere aangeeft, “de moeizame tocht naar de bron (…) ingezet” en “Toen de standaard begon te wapperen, de leeuwenvlag, mocht aan de volgende fase gedacht [worden]: de verkenning van de Vlaming in zijn milieu”, maar net zoals alle andere Vlamingen – Jonckheere gebruikt de schrijvers dan ook ter illustratie van het algemeen ‘lot’ – zouden de Vlaamse auteurs nog zeer hard moeten ploeteren. “De open, vranke geest van Multatuli gaf Amand de Vos (Eksaarde 1840-Gent 1906) de moed zijn autobiografie als vlaamsgezind legerarts te publiceren, Een Vlaamse jongen (1878). Een schandaal-protest tegen de verminking van de Vlaming in het leger, waaruit hij met klank ontslag nam. De burger-intellektueel begon ontembaar de partij van het onmondige volk te kiezen.” “Sentimenteel en mannelijk traden zowel dames als heren in het strijdperk. De gezusters Loveling (Rosalie en Virginie, - wat een gedinstingeerde [sic] voornamen uit die tijd -), vertrouwd met dorp en stad, schreven een aandoenlijk psychologisch en sociaal landschap uit, met de volle inzet van hun beheerste waarachtigheid.” “Guido Gezelle (Brugge 1830-1899) zou bewijzen dat met een ontfranst, een nog niet verhollandste ‘Vlaams’, de subtielste en hoogste uitdrukking van het letterkundig genie kon verwezenlijkt.” “Driemaal zou Vermeylen het evangelie van de moderne Vlaming schrijven.” “Als het buitenland, met Frankrijk en Duitsland aan het hoofd, Streuvels vertaald heeft achtte het de taalrijkdom, de vorm eendrachtig verbonden met de inhoud. Nederlanders die grinniken dat Streuvels en andere Vlamingen in… het Nederlands dienen omgezet zijn eenvoudig luie, oppervlakkige lezers.” “De Gentenaar Karel van de Woestijne (1878-1929) is een even boeiende kaleidoskoop.” “Wie om een elektrische Vlaming vraagt vindt zijn gading bij de Brusselaar Herman Teirlinck (1879-1967). Uit alle kultuurlagen heeft hij zijn werk betrokken en opgetrokken.”

Waarna het van die Nederlandstaligen naar de Franstaligen gaat. Franstaligen die, veelal in tegenstelling tot vele van hun politici, Vlaanderen en zijn inwoners goed gezind zijn. Henri Moke, bijvoorbeeld, geboren in Le Havre in 1803 en overleden in Gent in 1862, leraar Frans tijdens de regering van Willem I in Brugge, die vijf historische romans over Vlaanderen schreef, maar wel in het Frans. Victor Joly (een Franstalige Brusselaar) die in 1835 een drama wijdde aan Jacques d’Artevelde. Leon Wocquier die negen bundels in zijn moedertaal publiceerde, plots Conscience ontdekte, en zich vervolgens nog uitsluitend ging bezighouden met het vertalen van die laatste in het Frans. Charles Decoster wiens La légende de Thyl Ulenspiegel et de Lamme Goedzak nog vaak voor een van oorsprong Nederlandstalig verhaal gehouden wordt. Georges Rodenbach, auteur van Bruges-la-Morte. Eugène Demolder, die zijn toga van vrederechter over de haag smeet om zich te gaan wijden aan Franstalige boeken over Vlaanderen en de Nederlanden in het algemeen. Paul Spaak, vader van Paul Henri Spaak, onder andere verantwoordelijk voor Kaatje en A Damme en Flandre. En dan de Vlamingen zelf die in het Frans schreven: Emile Verhaeren, geboren in Sint-Amands hier (Moerzeke) schuin tegenover, als bekendste wellicht, maar ook Françoise Mallet-Joris, Guy Vaes, Marie Gevers, Paul Willems, Michel de Ghelderode (uiteraard), enzovoort. “We moeten niet argeloos of sceptisch staan tegenover deze zachte of wilde manie van franssprekenden die om misschien louter estetische redenen Vlaanderens uiterlijke charmes uitbaten maar onverschillig blijven voor de Vlaamse mens”, vervolgt Jonckheere. “Bewonderd worden is een goede aanloop tot begrip, al worden wij soms wel als aardig speelgoed bekeken. Zoals Indianen in hun reservaat. Keer of draai het naar ge wilt, Vlaanderen, de Vlamingen zijn steeds een boeiend verschijnsel geweest.”

Ook voor Godfried Bomans, zou ik zeggen, al werd die – zoals wel meer gebeurde onder Vlaamse schrijvers – mijns inziens verkeerd begrepen door Jonckheere. Als Bomans het in zijn boek Denkend aan Vlaanderen in een hoofdstukje Vlaamse flaters heeft over – dixit Jonckheere – “de domme bespreking in een Vlaams blad van een gedurfde lezing van Marnix Gijsen”, noemt Jonckheere dat “Flauwe buit” en stelt hij dat Bomans “beter zelf een geestrijk verslag [had] uitgebracht over Gijsens toespraak”. “Nu telt hij alleen maar vliegenscheten op een spiegel”, voegt hij daar aan toe, snerend dat “zijn Hollandse lezers zullen gnuiven”. Dat kan zijn en ik gnuif zelf ook regelmatig bij het lezen van Bomans (Wat zeg ik? Ik schaterlach regelmatig bij het lezen van Bomans.), maar Bomans heeft zelf een aantal jaren na het verschijnen van Denkend aan Vlaanderen, met name in Een Hollander ontdekt Vlaanderen (een titel waaruit alleen al blijkt dat Bomans zichzelf op z’n minst óók niet serieus neemt), een vraaggesprek met Gijsen afgenomen en dat is behalve in boekvorm ook als tv-uitzending gepubliceerd. En dat boek, dat begint Bomans met een stukje over de Moerdijkbrug waaruit ik dít haal: “(…) nochtans ligt in dit antwoord de tragiek van België besloten: een verscheurd land, bewoond door een verdeeld volk. De helft daarvan zijn onze broers. We hebben eenmaal onder hetzelfde dak gewoond. Daarna ging ieder zijn eigen weg. De weg van de Vlamingen is een moeilijke geweest. Hij liep vlak naast de afgrond van de totale vernietiging. Toch hebben ze het gehaald, zij ‘t op het kantje af. Het is een wonder dat ze nog bestaan, als je ziet wat ze hebben meegemaakt. Vernederd, vertrapt en telkens door een andere heerser overweldigd, zijn ze toch overeind gebleven. Een Hollander gaat ze nu bezoeken. Niet anekdotisch, zoals ik deed in mijn boek ‘Denkend aan Vlaanderen’, maar met de ernst en de liefde waarmee men een oudere broer hoopt terug te zien. Want hij is ouder dan wij, Nederland is jonger. We kunnen van hem leren.” Los van het feit dat Bomans in de inleiding tot het boek ook nog schrijft dat het hem “telkens getroffen [heeft] hoeveel de Vlamingen van hun land houden en hoe dit hen toch niet belet om de vinger op de wonde te leggen wanneer ze een kwetsuur duidelijk zien”, had het dus misschien aanbeveling verdiend als Jonckheere zélf eens het gesprek aangegaan was met Bomans, kwestie dat ik denk dat Bomans, als ‘buitenlander’, niet minder van Vlaanderen hield dan al die Franstalige auteurs die Jonckheere wél hoog heeft zitten.

Maar goed, we zullen aannemen dat dat, net zoals de verwijten aan het adres van onze goede koning Willem, een schoonheidsfoutje is, geen bewust verkeerd opnemen, geen lange tenen, geen vlugge gekwetstheid vanwege Karel Jonckheere. Meer dan een vlekje op het blazoen van dit ook in de niet nader genoemde hoofdstukken (trouwens afgewisseld met foto’s van het toén ‘moderne’ Vlaanderen, vaak voorzien van het soort humoristische commentaren die net zo goed hadden kunnen geleverd zijn door… Bomans) meer dan interessant om lezen zijnde boekje is het niet. Het zou een update verdienen (er is toch nogal wat gebeurd de jongste vijfenvijftig jaar), maar te vrezen valt dat die in de handen van een andere auteur dan Jonckheere niet noodzakelijk hetzelfde soort boek zou opleveren.

Björn Roose
show less
Karel Jonckheere, te Oostende geboren in 1906 en te Rijmenam (nabij Mechelen) begraven in 1993, was wat door Schrijversgewijs aangeduid wordt als een “veelzijdig letterwerker”: “dichter, criticus, journalist, medewerker van radio en televisie (noemenswaardig is zijn deelname aan Hou je aan je woord, met o.a. Godfried Bomans en Harry Mulisch), conferencier, bloemlezer en vertaler.” Deze Miniaturen lijken ook dán nog niet in het rijtje te passen, maar kunnen mijns inziens het beste show more omschreven worden als tranches de vie gecombineerd met taalkundige spitsvondigheden. Het eerste hoofdstuk, Vogels zonder kooi, eindigt met twee stukjes (geen cursiefjes, voor de duidelijkheid), volgepropt met Invallen en uitvallen, het derde hoofdstuk, Nacht? zei de zon, nooit van gehoord! is ook van die aard, en het laatste hoofdstuk, Ook ik, zelfs gij, vooral wij is dat eveneens, maar de rest van dit boek, het grootste deel van Vogels zonder kooi dus, maar ook de hoofdstukken Ik heb eens… en Ik had die man kunnen zijn, zijn in essentie korte stukjes autobiografie, maar dan gebracht in een – hij was per slot van rekening in de eerste plaats dichter – zeer poëtische stijl en voor een groot deel ook handelend over een ander.

Welke ander? Nogál wat anderen. Wie er zijn levensloop https://schrijversgewijs.be/schrijvers/jonckheere-karel-2/ op Schrijversgewijs eens op naslaat, komt daarin onder andere Paul Van de Woestijne (zoon van Karel), René Verbeeck, Caesar Gezelle (neef van Guido en kozijn van Stijn Streuvels), Paul van Ostaijen, Carlo Loontiens, Raymond Brulez (van wie ik eerder Diogeentjes https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/07/diogeentjes-raymond-brulez.html besprak), Gaston Duribreux, Edmond Vandercammen, Jack Godderis, Adolf van Glabbeke (na de Tweede Wereldoorlog achtereenvolgens belgisch minister van Binnenlandse Zaken, Justitie, Openbare Gezondheid, Openbare Werken en Wederopbouw), Marc Sleen, August Vermeylen, J.C. Bloem, Jan Greshoff, N.P. Van Wijk Louw, Dirk Opperman, Bert Decorte, Clara Haesaert, Maurice Roelants, Erik Van Ruysbeek, Amaat Burssens, Renaat van Elslande (achtereenvolgens belgisch onderstaatssecretaris voor Culturele Zaken, minister van Cultuur en adjunct voor Nationale Opvoeding, minister van Europese Zaken en Nederlandse Cultuur, van Binnenlandse Zaken, van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, en ten slotte van Justitie), Marnix Gijsen (zie mijn bespreking van diens De diaspora https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2023/06/de-diaspora-marnix-gijsen.html), en Emile Degelin tegen. Allemaal mensen die hij persoonlijk kende of leerde kennen, mensen die hij beroepsmatig tegenkwam (hij werkte als stadsambtenaar, als leraar, schooldirecteur, rijksinspecteur van de Openbare Bibliotheken, ambtenaar en vervolgens adviseur bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur), mensen met wie hij de wereld afreisde (“de aarde is rond maar klein”): naar Cuba, Mexico, de Verenigde Staten, Belgisch-Congo, Zuid-Afrika, India, Roemenië, Joegoslavië, Spanje, Brazilië, Rwanda, Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, Israël, Portugal, Hongarije, Bulgarije, Tsjecho-Slovakije, Marokko, Tunesië, Venezuela, en heel West-Europa tussendoor. Mensen ook die zeker niet de enigen waren die konden vermeld worden, maar Schrijversgewijs beperkte zich duidelijk tot inwoners van de Lage Landen.

Zij, en vele buitenlandse kennissen en vrienden (die ik niét zal opsommen omdat u na bovenstaande zonder twijfel al opsomming genoeg achter de kiezen heeft), bevolken dan ook al die korte stukjes leven die in dit boek terechgekomen zijn. Stukjes leven die Jonckheere ondanks, of net dankzij, volgende overwegingen in het inleidende stuk van Vogels zonder kooi wél aan de wereld kond heeft gedaan (ook in andere van zijn boeken trouwens): “Alles is kooi. Ook een boek. Eenmaal de schrifturen van een mens gedrukt (let op de oorspronkelijke betekenis van drukken), zit hun inhoud vast, gevangen binnen de tralies van geprente regels. (…) Het wondere is nu dat een uitgever zorgt voor duizenden exemplaren van het natuurcuriosum. Alle zijn identiek; zelfs de kooien zijn gruwelijk dezelfde. Voor de auteur althans. Want voor de liefhebbers is niets gelijk. Niemand van ons leest een boek op gelijkwaardige wijze. De ene lijkt de gekooide zanger iets doodgewoons, een tweede een mirakel, een derde een intieme vriend.”

Een “gekooide zanger” die zich overigens volgens Jonckheere, ondanks diens verre van “gewestelijk” taalgebruik, absoluut niet moet schamen als hij zich niet van het zuiverste Nederlands bedient: “Vooreerst is een beschaafde uitspraak nog geen norm van volwaardig Nederlands. Iemand, die op een klavier een toets zuiver kan aanslaan, is daarom nog geen vertolker van Mozart. Hugo Verriest stond dichter bij het Nederlands taalgenie, waar hij zijn West-Vlaams sprak, dan honderd leraars en onderwijzers, die zich elke morgen vóór de spiegel oefenen om de weerbarstige h fonetisch aan de man te brengen en twaalf uur per dag besteden om iedereen met wie ze spreken wijs te maken dat wij moeten zeggen constateren in plaats van vaststellen. Belachelijk hoog van staartbeen is ook hij, die vies is van kloeke en schone Vlaamse uitdrukkingen en spitsvondigheden gaat opzoeken uit een Hollands snobbargoens.” Een standpunt waarmee Jonckheere toen (want intussen is het Vlaams ‘zelfbewustzijn’ helaas wel zeer zwaar in de andere richting gaan hangen) wellicht bijna zo alleen stond als toen hij “in één van de eerste nummers van het Gentse weerstandersblad Belfort (1944) (…) zo vrij [was] aan iedereen, die in het bevrijde land een bloemlezing zou maken, voor schoolgebruik of voor volwassenen, te vragen literatuur en politiek uit elkaar te houden en ons letterkundig patrimonium niet te verminken door het gebeurlijk weglaten van goede schrijvers, die slechte patriotten waren geweest.” “Wie er niets voor voelt om b.v. Guido Gezelle in een bloemlezing te laten dienen als profeet voor Vlaams-nationalisme of als propagandist voor een kerkelijke begrafenis, vindt andere gedichten genoeg om het dichterlijk genie van de auteur van de Kleengedichtjes [zie mijn bespreking https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2023/03/kleengedichtjes-ii-guido-gezell... van deel 2 daarvan, noot van mij] te illustreren. Bilderdijk kan gerust vertegenwoordigd worden in een schoolboek, zonder dat noodzakelijkerwijze zijn Ode aan Napoleon dient opgenomen.”

Jonckheere zou dus wellicht, met bijna zekerheid, geen fan geweest zijn van het ‘cancellen’ dat zo eigen is aan onze tijden, een bezigheid waarvan de bedrijvers vooral niet willen dat ze ook tegen hen ingezet wordt, een mogelijkheid waartegen ze alle mogelijke wapens in het gelid brengen: “Wells [Herbert Georges, auteur van onder andere het door mij eerder besproken De oorlog der werelden https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2022/03/de-oorlog-der-werelden-herbert-..., noot van mij] is een beetje Goethes Toverleerling. Hij is ook het geslaagde prototype van de huidige mentaliteit. Men tracht een kogel uit te vinden, die door alles gaat en terzelfdertijd vorst men uit hoe die kogel toch te stuiten is. Ware het niet beter de kogel in de nevelen van het niet-uit-te-vinden te laten? Wells wordt versleten als de grote profeet van deze tijden. We hebben dit in de jongste jaren meer gelezen, zelfs over kerels als Hitler. Wij bedanken voor dergelijke profeten. Ze zouden zo verstandig moeten zijn een domper op hun ziekelijke verbeelding te zetten en hun talent en hun energie te wijden aan positiever zaken. Absoluut bekeken is er geen onderscheid tussen de uitvinder van de V-bommen en Wells, die de gedachte propageert een stad uit te moorden via de waterleiding. Ze kunnen beiden gerangschikt worden, om het met Anton van Duinkerken te zeggen, onder de ‘apen met een scheermes in de hand’.”

Maar wie van dit boek wil genieten, hoéft absoluut niet uit te zijn op dit soort wijsheden. Alleen al stukjes tekst (in zich héél soms licht herhalende hoofdstukjes) als dit – en het boek zit proppensvol met dat soort prachtige vondsten – maken de lezing ervan volkomen de moeite waard: “Ik geloof een beetje in de symboliek van de muziekinstrumenten. Een hobo is iets voor eenzamen die gaarne langs lis en rietpluimen slenteren. Een bombardon voor schuchteren die thuis niets te zeggen hebben; een trommel voor ruziemakers en kandidaat-diktators.” Of: “(…) omdat hij geen woord Engels kende, taal die men zelfs in Amerika tracht te spreken.” Of, nu ik toch aan het citeren ben: “(…) citeren, ongeneeslijke kwaal voor al wie meer geheugen heeft dan verstand”. Wat bij mij uiteraard niet het geval is, want ik citeer rechtstreeks uit het boek omdát ik een slecht geheugen heb (wat behalve een vloek ook af en toe een zegen is).

Bovendien zijn stukjes zoals Ik heb eens James Ensor langs zijn neus zien fluitspelen, Ik heb eens Alberto Moravia een boot leren besturen, Ik heb eens Tagore niet horen spreken, Ik heb eens Jacques Bloem zien wuiven, of Ik heb eens een Nobelprijswinnaar zien huilen (de Nobelprijswinnaar being Juan Ramon Jiménez) maar op één manier te citeren: in hun geheel. Ze zijn zo mooi geschreven, zo toegespitst op de eigenschappen (details wellicht) van het onderwerp dat je na het lezen ervan de neiging krijgt je te gaan verdiepen in de werken ván dat onderwerp. Geen idee of dat ook de bedoeling was van Jonckheere, die per slot van rekening in die stukjes net zo goed over zichzelf als over die anderen schrijft, maar zelfs indien niét, is dat toch mooi meegenomen. Zeker voor wie, zoals ik, niet de neiging heeft ‘échte’ kunstenaarsbiografieën te lezen.

Björn Roose
show less
Heel korte verhaaltjes, dikwijls met dingen (bril, toneelstuk, onbewaakte overweg) als hoofdpersonage. Soms geestig, soms niet helemaal te begrijpen...
Boekje geschonken door tante Jo's vader en moeder op haar verjaardag 4/11/1957

You May Also Like

Associated Authors

Maurice Roelants Contributor, Editor
Garmt Stuiveling Editor, Contributor
Anthonie Donker Contributor, Editor
Joseph Luns Contributor
Carl Romme Contributor
Hella Haasse Contributor
Harry Mulisch Contributor
Nini Boesman Contributor
Max Euwe Contributor
Adriaan Morriën Contributor
Herman Teirlinck Contributor
Gaston Burssens Contributor
Paul Van Ostaijen Contributor
Maurice Gilliams Contributor
Johan Daisne Contributor
Dick Bruna Cover designer
Hugo Raes Contributor
Frans Smits Contributor
Janine De Rop Contributor
Piet Van Aken Contributor
Clem Schouwenaars Contributor
Hubert Lampo Contributor
Louis Paul Boon Contributor
Willem M. Roggeman Contributor
Felix Timmermans Contributor
Frans De Bruyn Contributor
Jos Vandeloo Contributor
Maurits Sabbe Contributor
Maurice D'Haese Contributor
Gustaaf Vermeersch Contributor
Jef Geeraerts Contributor
Jan Walravens Contributor
Virginie Loveling Contributor
Gerard Walschap Contributor
Paul Snoek Contributor
Roger van de Velde Contributor
Dirk De Witte Contributor
Willem Elsschot Contributor
Tone Brulin Contributor
Fernand Auwera Contributor
Cyriel Buysse Contributor
Hugo Claus Contributor
Jan Emiel Daele Contributor
Hendrik Conscience Contributor
Ward Ruyslinck Contributor
Filip de Pillecyn Contributor
Lode Verhees Contributor
Raymond Brulez Contributor
Daniël Van Hecke Contributor
Julien Weverbergh Contributor
Rosalie Loveling Contributor
René Gysen Contributor
Stijn Streuvels Contributor
Lode Zielens Contributor
Lode Baekelmans Contributor
Ivo Michiels Contributor
Ernest Claes Contributor
Gust Gils Contributor
Marcel Matthijs Contributor
Paul Rogghé Contributor
Jo Landheer Contributor
Robert Franquinet Contributor
Gerrit Achterberg Contributor
Marcel Coole Contributor
Dirk Vansina Contributor
Herwig Hensen Contributor
N.E.M. Pareau Contributor
A. Marja Contributor
Herman Van Snick Contributor
Renaat De Vos Contributor
Aimé Marest Contributor
Marnix Van Gavere Contributor
Blanka Gijselen Contributor
Willy Vaerewijck Contributor
Pol le Roy Contributor
Leroux Karel Contributor
Luc Van Brabant Contributor
Willem Hessels Contributor
Truus Gerhardt Contributor
Marcel Brauns Contributor
Gerrit Kamphuis Contributor
Daan Boens Contributor
Muus Jacobse Contributor
René Verbeeck Contributor
Gabrielle Demedts Contributor
Achilles Mussche Contributor
Hendrik Marsman Contributor
Reimond Herreman Contributor
Wies Moens Contributor
Hendrik de Vries Contributor
Cornelis Jan Kelk Contributor
Richard Minne Contributor
Albe Contributor
S. Vestdijk Contributor
Eric van der Steen Contributor
Theun de Vries Contributor
Jac. van Hattum Contributor
Marnix Gijsen Contributor
Ida G.M. Gerhardt Contributor
Jan Engelman Contributor
Clara Eggink Contributor
Henri Bruning Contributor
André Demedts Contributor
Bert Decorte Contributor
Cola Debrot Contributor
Jan Campert Contributor
Bertus Aafjes Contributor
Gabriël Smit Contributor
Albert Westerlinck Contributor
J. C. Noordstar Contributor
Willem Hussem Contributor
Han G. Hoekstra Contributor
Jan Vercammen Contributor
Julia Tulkens Contributor
Luc Indestege Contributor
Bert Peleman Contributor
Nes Tergast Contributor
Albert Helman Contributor
J. Slauerhoff Contributor
Louis de Bourbon Contributor
Edgar Du Perron Contributor
Martinus Nijhoff Contributor
Maria Vasalis Contributor
Ed. Hoornik Contributor
W.A. Wagener Contributor
R.F. Bordewijk Contributor
A. Koolhaas Contributor
S. Carmiggelt Contributor
Lou Lichtveld Contributor
August Defresne Contributor
H. Koningsberger Contributor
A. van Domburg Contributor
P. Schuitema Contributor
D.A.M. Binnendijk Contributor
Dick van Swol Contributor
Ellen Waller Contributor
Halbo C. Kool Contributor
Jan Wiersma Contributor
Rico Bulthuis Contributor
Karel Beunis Cover designer

Statistics

Works
78
Also by
14
Members
296
Popularity
#79,167
Rating
½ 3.6
Reviews
5
ISBNs
30

Charts & Graphs