Jeroen de Valk
Author of Chet Baker: His Life and Music
About the Author
Works by Jeroen de Valk
Associated Works
Tagged
Common Knowledge
- Canonical name
- Valk, Jeroen de
- Other names
- Valk, J. de
- Birthdate
- 1958
- Gender
- male
- Occupations
- journalist
- Nationality
- Netherlands
- Birthplace
- Rotterdam, Netherlands
- Associated Place (for map)
- Rotterdam, Netherlands
Members
Reviews
"Chet Baker his life and Music" offers a comprehensive account of the life and music of Chet Baker. It is written in a conversational style rather than a standard linear biography. It is incredibly well researched and features excerpts from interviews with Baker, other musicians, his family and friends. de Valk provides a complete account of Baker's on going health and drug issues and how they impacted on his performance and life. The book includes a wonderful collection of very personal show more photos and a handy (and surprisingly long) discography. An interesting account of a man whose work I admire greatly. One for fans. show less
Jeroen de Valk heeft met Herinneringen aan een lyrisch trompettist een zeer toegankelijke biografie geschreven over de Amerikaanse trompettist Chet Baker (1929-1988).
Misschien weet u het nog, zijn overlijden was in 1988 groot nieuws. Baker viel uit een hotelraam in Amsterdam, waarschijnlijk na het gebruik van drugs en overleed daar. Er waren geruchten over opzet of zelfmoord, maar De Valk ontkracht dat in zijn boek.
Baker is bekend om zijn trompetspel én om zijn vocale kwaliteiten, met name show more om de vertolking van zijn lijflied, My Funny Valentine. Beide kwaliteiten kennen vurige aanhangers en tegenstanders. Als trompettist is hij voor mij één van de groten. Ik houd van die ijle klanken en dat zachte spel. Hij zal niet het maximale uit alle registers halen, in de registers waarin hij wel speelt weet hij hele werelden op te roepen. Met zijn zang heeft hij mij moeten veroveren, maar ik heb mij door Jules Deelder laten overtuigen. Die houdt niet van zang in jazz, voor Baker maakt hij een uitzondering. Ik heb veel van Baker beluisterd als zanger en ben inmiddels helemaal om.
Het is me ook een levensverhaal. Baker pakt een trompet op als hij dertien jaar is en is volledig autodidact. Later leert hij een klein beetje noten lezen, maar vaak heeft hij geen idee in welke toonsoort hij begint en verwacht hij van de rest dat ze hem volgen.
Na schuchtere pogingen met een eigen kwintet viert hij eerste successen met het kwartet van baritonsaxofonist Gerry Mulligan. De mannen respecteren elkaars kwaliteiten maar persoonlijk botert het niet en Baker formeert een eigen kwartet, met pianist Russ Freeman als vaste basis.
Baker gaat heroïne gebruiken en dat is het begin van een lang verhaal aan arrestaties in binnen-, maar vooral het buitenland. Hij is vaak in Europa te vinden en in Italië zit hij zelfs vijftien maanden vast als hij betrapt wordt. Ook in Duitsland is hij lange tijd niet welkom. Zijn gebruik kent ook praktische problemen, want hij wordt in elkaar geslagen. Waarschijnlijk toen hij drugs wilde kopen en het gevolg is een afgebroken tand. Voor een trompettist is dat een probleem en Baker worstelt lang met embouchureproblemen. Dat zijn gebit überhaupt in slechte conditie is helpt ook niet echt.
Zijn verblijf in Europa komt ook door het feit dat hij daar veel meer succes heeft dan in de Verenigde Staten. Hij is met zijn ingetogen spel te weinig ‘showbizz’. Verder heeft hij zijn verslaving én zijn huidskleur tegen. In die tijd viert het zwarte nationalisme hoogtij en Baker voldoet daar niet aan. In Europa kan hij overal optreden, is drugs redelijk goed verkrijgbaar én kan hij plaatopnames maken op allerlei kleine labels.
Dan de man zelf. Baker leeft voor de muziek en niet voor zijn gezin. Hij trouwt drie keer en hij heeft vier kinderen, maar hij is een vader op afstand. Bovendien houdt hij er de nodige vriendinnen op na. De Valk wijdt een heel hoofdstuk aan zijn persoonlijkheid. Baker kan uiterst wisselvallig zijn in zijn humeur. Soms wordt hij woest over niets, wordt kwaad op het toneel als iemand hem niet kan volgen, maar er zijn ook genoeg getuigenissen van artiesten die altijd plezierig met hem samenwerken. Tegen het publiek is hij uiterst voorkomend. Hij gaat altijd op de foto of deelt een handtekening uit.
Baker leeft wel met de dag, zo blijkt uit het boek. Hij is vaak onvindbaar en De Valk beschrijft goed hoe lastig het is om zaken te regelen voor een concert. Baker vergeet afspraken, is nogal eens zijn instrument kwijt en als zijn auto het niet doet (hij is gek op Alfa Romeo’s), dan laat hij die gerust achter aan de kant van de weg.
Het gaat gelukkig ook veel over de muziek. Over de vroege samenwerking met Gerry Mulligan en zijn eigen kwartet met de pianisten Russ Freeman en de jonggestorven Dick Twardzik. Het gaat over zijn moeilijke samenwerking met Stan Getz, maar ook over zijn succesvolle tournee door Japan met de Nederlandse drummer John Engels en de eveneens Nederlandse bassist Hein van de Geyn.
Van de Valk geeft zo een compleet beeld van de mens en de muzikant én geeft in een uitgebreide discografie een overzicht van zo’n 250 albums, waarin hij aangeeft waarom ze wel of niet de moeite waard zijn. Een absolute meerwaarde van dit boek.
Tenslotte, u bent gewend dat ik wat citaten geef in mijn bespreking, maar in dit geval wil ik afsluiten met een citaat van drummer John Engels, die misschien de essentie van wie Chet Baker was prima weergeeft;
John Engels: ‘Ik hoor wel eens zeggen: hij maakt fouten, hij kan niet zingen, en zo. Daar kan ik me dood aan ergeren. Dan denk ik: heb je dan geen oren aan je hoofd? Hoor je niet dat die man een verhaaltje staat te vertellen? Wie creatief is, gaat af en toe op z’n bek. Hoe iemand de mist ingaat en er dan weer uitkomt, dat kan fascinerend zijn. Je wist nooit waar je met hem aan toe was. Repeteren? Nooit. Hij zette een stuk in en wij volgden hem. Je speelde altijd met tweehonderd procent concentratie. Door hem ben ik anders over muziek gaan denken, ben ik ook anders gaan spelen. Die vogel speelde met een intensiteit die je alleen bij de allergrootsten aantreft. Bij Billie Holiday, bij Lester Young. Hij speelde met warmte en liefde. Als het goed ging, was ik de gelukkigste mens ter wereld. Het klinkt plechtig maar Chet heeft bij mij iets los gemaakt. Hij ging dieper dan wie ook. En dáár gaat het om, die intensiteit. Chet kwam van een andere planeet. Hij was hierheen gestuurd om zijn boodschap te brengen. Nu is hij weer terug op de planeet waar hij vandaan kwam. show less
Misschien weet u het nog, zijn overlijden was in 1988 groot nieuws. Baker viel uit een hotelraam in Amsterdam, waarschijnlijk na het gebruik van drugs en overleed daar. Er waren geruchten over opzet of zelfmoord, maar De Valk ontkracht dat in zijn boek.
Baker is bekend om zijn trompetspel én om zijn vocale kwaliteiten, met name show more om de vertolking van zijn lijflied, My Funny Valentine. Beide kwaliteiten kennen vurige aanhangers en tegenstanders. Als trompettist is hij voor mij één van de groten. Ik houd van die ijle klanken en dat zachte spel. Hij zal niet het maximale uit alle registers halen, in de registers waarin hij wel speelt weet hij hele werelden op te roepen. Met zijn zang heeft hij mij moeten veroveren, maar ik heb mij door Jules Deelder laten overtuigen. Die houdt niet van zang in jazz, voor Baker maakt hij een uitzondering. Ik heb veel van Baker beluisterd als zanger en ben inmiddels helemaal om.
Het is me ook een levensverhaal. Baker pakt een trompet op als hij dertien jaar is en is volledig autodidact. Later leert hij een klein beetje noten lezen, maar vaak heeft hij geen idee in welke toonsoort hij begint en verwacht hij van de rest dat ze hem volgen.
Na schuchtere pogingen met een eigen kwintet viert hij eerste successen met het kwartet van baritonsaxofonist Gerry Mulligan. De mannen respecteren elkaars kwaliteiten maar persoonlijk botert het niet en Baker formeert een eigen kwartet, met pianist Russ Freeman als vaste basis.
Baker gaat heroïne gebruiken en dat is het begin van een lang verhaal aan arrestaties in binnen-, maar vooral het buitenland. Hij is vaak in Europa te vinden en in Italië zit hij zelfs vijftien maanden vast als hij betrapt wordt. Ook in Duitsland is hij lange tijd niet welkom. Zijn gebruik kent ook praktische problemen, want hij wordt in elkaar geslagen. Waarschijnlijk toen hij drugs wilde kopen en het gevolg is een afgebroken tand. Voor een trompettist is dat een probleem en Baker worstelt lang met embouchureproblemen. Dat zijn gebit überhaupt in slechte conditie is helpt ook niet echt.
Zijn verblijf in Europa komt ook door het feit dat hij daar veel meer succes heeft dan in de Verenigde Staten. Hij is met zijn ingetogen spel te weinig ‘showbizz’. Verder heeft hij zijn verslaving én zijn huidskleur tegen. In die tijd viert het zwarte nationalisme hoogtij en Baker voldoet daar niet aan. In Europa kan hij overal optreden, is drugs redelijk goed verkrijgbaar én kan hij plaatopnames maken op allerlei kleine labels.
Dan de man zelf. Baker leeft voor de muziek en niet voor zijn gezin. Hij trouwt drie keer en hij heeft vier kinderen, maar hij is een vader op afstand. Bovendien houdt hij er de nodige vriendinnen op na. De Valk wijdt een heel hoofdstuk aan zijn persoonlijkheid. Baker kan uiterst wisselvallig zijn in zijn humeur. Soms wordt hij woest over niets, wordt kwaad op het toneel als iemand hem niet kan volgen, maar er zijn ook genoeg getuigenissen van artiesten die altijd plezierig met hem samenwerken. Tegen het publiek is hij uiterst voorkomend. Hij gaat altijd op de foto of deelt een handtekening uit.
Baker leeft wel met de dag, zo blijkt uit het boek. Hij is vaak onvindbaar en De Valk beschrijft goed hoe lastig het is om zaken te regelen voor een concert. Baker vergeet afspraken, is nogal eens zijn instrument kwijt en als zijn auto het niet doet (hij is gek op Alfa Romeo’s), dan laat hij die gerust achter aan de kant van de weg.
Het gaat gelukkig ook veel over de muziek. Over de vroege samenwerking met Gerry Mulligan en zijn eigen kwartet met de pianisten Russ Freeman en de jonggestorven Dick Twardzik. Het gaat over zijn moeilijke samenwerking met Stan Getz, maar ook over zijn succesvolle tournee door Japan met de Nederlandse drummer John Engels en de eveneens Nederlandse bassist Hein van de Geyn.
Van de Valk geeft zo een compleet beeld van de mens en de muzikant én geeft in een uitgebreide discografie een overzicht van zo’n 250 albums, waarin hij aangeeft waarom ze wel of niet de moeite waard zijn. Een absolute meerwaarde van dit boek.
Tenslotte, u bent gewend dat ik wat citaten geef in mijn bespreking, maar in dit geval wil ik afsluiten met een citaat van drummer John Engels, die misschien de essentie van wie Chet Baker was prima weergeeft;
John Engels: ‘Ik hoor wel eens zeggen: hij maakt fouten, hij kan niet zingen, en zo. Daar kan ik me dood aan ergeren. Dan denk ik: heb je dan geen oren aan je hoofd? Hoor je niet dat die man een verhaaltje staat te vertellen? Wie creatief is, gaat af en toe op z’n bek. Hoe iemand de mist ingaat en er dan weer uitkomt, dat kan fascinerend zijn. Je wist nooit waar je met hem aan toe was. Repeteren? Nooit. Hij zette een stuk in en wij volgden hem. Je speelde altijd met tweehonderd procent concentratie. Door hem ben ik anders over muziek gaan denken, ben ik ook anders gaan spelen. Die vogel speelde met een intensiteit die je alleen bij de allergrootsten aantreft. Bij Billie Holiday, bij Lester Young. Hij speelde met warmte en liefde. Als het goed ging, was ik de gelukkigste mens ter wereld. Het klinkt plechtig maar Chet heeft bij mij iets los gemaakt. Hij ging dieper dan wie ook. En dáár gaat het om, die intensiteit. Chet kwam van een andere planeet. Hij was hierheen gestuurd om zijn boodschap te brengen. Nu is hij weer terug op de planeet waar hij vandaan kwam. show less
In a mellow tone van Jeroen de Valk beschrijft het levensverhaal van de Amerikaanse tenorsaxofonist Ben Webster (1909-1973). Het is geen allesomvattende biografie want het is slechts 169 pagina’s dik, maar het geeft een aardig overzicht van het leven en de carrière van Ben Webster. De nadruk ligt daarbij op de Europese en dan speciaal zijn Nederlandse belevenissen. Webster woonde de laatste jaren van zijn leven in Amsterdam en Kopenhagen.
Het boek begint echter in de Verenigde Staten, waar show more Webster opgroeit in Kansas City in Missouri, waar hij door zijn moeder en een oudtante wordt opgevoed. Zijn vader is zo goed als niet aanwezig. Hij ruikt even aan de viool naar heeft een hekel aan dat ding. De piano is interessanter, daar is hij vaak achter te vinden. Die liefde blijft maar hij ontdekt ook de saxofoon en met name het spel van Coleman Hawkins die in het beroemde orkest van Fletcher Henderson speelt. Dat wordt het richtpunt en uiteindelijk wordt Ben Webster ook door Henderson aangenomen.
Het boek leest prettig door omdat biografische gegevens worden afgewisseld met anekdotes, zoals wanneer Webster de saxofonist Lester (‘Prez’) Young én diens broer van de verdrinkingsdood in de Rio Grande redt. Webster is een grote en sterke vent en met een redelijke drankzucht en een opvliegend karakter gaat dat niet altijd goed. Hij raakte regelmatig in vechtpartijen verzeild en heeft Billie Holiday , waarmee hij een oppervlakkige affaire had, wel eens een blauw oog bezorgd.
Muzikaal gezien wilde hij uitgedaagd worden en zo kwam hij bij Duke Ellington terecht. Dat betaalde slechter maar muzikaal was dat veel beter. Hier ontwikkelde hij zijn eigen stijl en maakte zich los van zijn voorbeeld Coleman Hawkins. De Valk daarover;
Webster ging minder noten spelen. Hij werd meer en meer een melodische solist. Hij dacht ‘horizontaal’, in frases dus, in plaats van als een ‘verticale’ blazer alle akkoordovergangen door te spelen. Zijn vormgevoel werd sterker. Hawkins had wel eens moeite zijn improvisaties tot een bevredigend einde te brengen. Websters beste soli klinken echter als composities.
Zoek het nummer Cotton Tail maar eens op Youtube op waarin Webster soleert bij Duke Ellington, dat is heerlijk om te horen. Uiteindelijk verlaat hij de band van Duke Ellington omdat hij naam had gemaakt als solist. Jazz-journalist Whitney Balliet omschrijft zijn stijl;
‘Zijn stijl is behaaglijk, magistraal en beschermend; het omhelst de luisteraar. Veel jazzmusici laten door verlegenheid, gebrek aan techniek of domweg vaagheid de luisteraar veel van het werk opknappen; Webster, een echt gezelligheidsmens, komt zijn publiek al driekwart van de weg tegemoet.’
Hij neemt verschillende platen op maar financieel gaat het niet best. Webster vertrekt naar Europa en belandt via Londen in Kopenhagen. Dat is de eerste tijd zijn uitvalsbasis voor verschillende concerten in Europa. Dat was niet altijd een succes;
Hadden zijn Amerikaanse medemusici in de jaren vijftig en zestig een nog op zijn minst acceptabel niveau, op sommige Europese platen van Ben zijn bassisten en drummers te horen die echt niet door de beugel kunnen.
Het blijft niet bij gratuite opmerkingen, de auteur legt uit om welke albums het gaat en welke albums juist wel de moeite waard zijn, het boek kan dus prima als luistergids dienen ook. De drank blijft wel een factor, want Webster verknalt er ook optredens mee, zoals de beruchte mislukking in Berlijn.
In Nederland was zijn reputatie nog redelijk onbedorven en Webster ging daar zijn geluk zoeken. Hij kwam terecht bij hospita Hartlooper. Die verdient veel credits, want zij nam Webster helemaal onder haar hoede en zorgde voor hem, hoe raar zijn fratsen ook waren af en toe. Webster kende nog een fiasco in het Concertgebouw, maar ook mooie optredens bij de concerten van Hans Dulfer in Paradiso.
Webster had redelijk conventionele ideeën over muziek. Filmmaker Johan van der Keuken was fan van Archie Shepp, die volgens hem redelijk in de traditie van Webster speelde. Hij liet het Webster horen door Ellingtons In A Sentimantal Mood af te spelen met Shepp op saxofoon;
Ik zette de plaat op en na drie noten zei hij : “Stop!” Hij ging naar achteren, naar zijn kamertje, hij kwam terug met zijn saxofoon – wat dus nóóit gebeurde, thuis raakte hij dat ding vrijwel niet aan – en zei: “Zet die plaat nog eens op.”
Ik zette hem op en na de eerste noot zei hij: “Stop!” Hij nam z’n saxofoon en speelde die eerste noot. “Zó word je geacht dat te spelen.” Eén noot. “Die knaap is gek.” Toen bracht hij zijn tenor weer weg. Daarmee had Shepp voor hem afgedaan.
Ben Webster komt naar voren als een man met twee gezichten. Vaak dwars en norsig, zeker als er drank in het spel was, maar ook zeer vriendelijk, beleefd en amicaal. Ik ben liefhebber van zijn spel, zijn vroege, robuuste werk bij Ellington maar zeker ook de ballads die hij later meer en meer zou spelen (niet in het minst door adem tekort voor het snellere werk). Hij werd erg zwaar en zijn lever functioneerde op den duur slecht vanwege de alcohol. Hij zou uiteindelijk in Amsterdam sterven en in Kopenhagen gecremeerd worden.
Zijn instrument is een verhaal apart. Toen Webster op sterven lag zei hij tegen zijn Nederlandse vriend, de schilder Steven Kwint:
“Steff, you take care of Ol’ Betsy and let nobody play her.”
Er waren er genoeg die op zijn saxofoon wilden spelen, maar dat had niet eenvoudig geweest. Het was een antiek instrument die Webster in 1938 ooit had aangeschaft. Hij speelde er onafgebroken op. Wilden de kleppen niet meer of begaven de polsters het dan liet hij het instrument helemaal reviseren. Nieuwere instrumenten waren makkelijker te bespelen maar hadden niet dat zware geluid van zijn instrument. Verder had hij een wijd open mondstuk en een heel dik riet erop zitten. Jazz-muzikant Willem Breuker zag dat instrument en zei;
‘Daar valt helemaal niet op te spelen voor tegenwoordige muzikanten.’ Zó’n ouderwetse saxofoon, een loodzwaar ding, en dan ook nog zo zwaar bespeelbaar.
Ben Webster kon het wel en hij heeft er prachtige muziek mee gemaakt. Dit boek geeft in ieder geval aanleiding om daar veel van te beluisteren. Steven Kwint heeft overigens woord gehouden, Ol’ Betsy is nooit meer bespeeld en wordt tentoongesteld in het Jazz Institute van de Rutgers University in Newark, New Jersey. show less
Het boek begint echter in de Verenigde Staten, waar show more Webster opgroeit in Kansas City in Missouri, waar hij door zijn moeder en een oudtante wordt opgevoed. Zijn vader is zo goed als niet aanwezig. Hij ruikt even aan de viool naar heeft een hekel aan dat ding. De piano is interessanter, daar is hij vaak achter te vinden. Die liefde blijft maar hij ontdekt ook de saxofoon en met name het spel van Coleman Hawkins die in het beroemde orkest van Fletcher Henderson speelt. Dat wordt het richtpunt en uiteindelijk wordt Ben Webster ook door Henderson aangenomen.
Het boek leest prettig door omdat biografische gegevens worden afgewisseld met anekdotes, zoals wanneer Webster de saxofonist Lester (‘Prez’) Young én diens broer van de verdrinkingsdood in de Rio Grande redt. Webster is een grote en sterke vent en met een redelijke drankzucht en een opvliegend karakter gaat dat niet altijd goed. Hij raakte regelmatig in vechtpartijen verzeild en heeft Billie Holiday , waarmee hij een oppervlakkige affaire had, wel eens een blauw oog bezorgd.
Muzikaal gezien wilde hij uitgedaagd worden en zo kwam hij bij Duke Ellington terecht. Dat betaalde slechter maar muzikaal was dat veel beter. Hier ontwikkelde hij zijn eigen stijl en maakte zich los van zijn voorbeeld Coleman Hawkins. De Valk daarover;
Webster ging minder noten spelen. Hij werd meer en meer een melodische solist. Hij dacht ‘horizontaal’, in frases dus, in plaats van als een ‘verticale’ blazer alle akkoordovergangen door te spelen. Zijn vormgevoel werd sterker. Hawkins had wel eens moeite zijn improvisaties tot een bevredigend einde te brengen. Websters beste soli klinken echter als composities.
Zoek het nummer Cotton Tail maar eens op Youtube op waarin Webster soleert bij Duke Ellington, dat is heerlijk om te horen. Uiteindelijk verlaat hij de band van Duke Ellington omdat hij naam had gemaakt als solist. Jazz-journalist Whitney Balliet omschrijft zijn stijl;
‘Zijn stijl is behaaglijk, magistraal en beschermend; het omhelst de luisteraar. Veel jazzmusici laten door verlegenheid, gebrek aan techniek of domweg vaagheid de luisteraar veel van het werk opknappen; Webster, een echt gezelligheidsmens, komt zijn publiek al driekwart van de weg tegemoet.’
Hij neemt verschillende platen op maar financieel gaat het niet best. Webster vertrekt naar Europa en belandt via Londen in Kopenhagen. Dat is de eerste tijd zijn uitvalsbasis voor verschillende concerten in Europa. Dat was niet altijd een succes;
Hadden zijn Amerikaanse medemusici in de jaren vijftig en zestig een nog op zijn minst acceptabel niveau, op sommige Europese platen van Ben zijn bassisten en drummers te horen die echt niet door de beugel kunnen.
Het blijft niet bij gratuite opmerkingen, de auteur legt uit om welke albums het gaat en welke albums juist wel de moeite waard zijn, het boek kan dus prima als luistergids dienen ook. De drank blijft wel een factor, want Webster verknalt er ook optredens mee, zoals de beruchte mislukking in Berlijn.
In Nederland was zijn reputatie nog redelijk onbedorven en Webster ging daar zijn geluk zoeken. Hij kwam terecht bij hospita Hartlooper. Die verdient veel credits, want zij nam Webster helemaal onder haar hoede en zorgde voor hem, hoe raar zijn fratsen ook waren af en toe. Webster kende nog een fiasco in het Concertgebouw, maar ook mooie optredens bij de concerten van Hans Dulfer in Paradiso.
Webster had redelijk conventionele ideeën over muziek. Filmmaker Johan van der Keuken was fan van Archie Shepp, die volgens hem redelijk in de traditie van Webster speelde. Hij liet het Webster horen door Ellingtons In A Sentimantal Mood af te spelen met Shepp op saxofoon;
Ik zette de plaat op en na drie noten zei hij : “Stop!” Hij ging naar achteren, naar zijn kamertje, hij kwam terug met zijn saxofoon – wat dus nóóit gebeurde, thuis raakte hij dat ding vrijwel niet aan – en zei: “Zet die plaat nog eens op.”
Ik zette hem op en na de eerste noot zei hij: “Stop!” Hij nam z’n saxofoon en speelde die eerste noot. “Zó word je geacht dat te spelen.” Eén noot. “Die knaap is gek.” Toen bracht hij zijn tenor weer weg. Daarmee had Shepp voor hem afgedaan.
Ben Webster komt naar voren als een man met twee gezichten. Vaak dwars en norsig, zeker als er drank in het spel was, maar ook zeer vriendelijk, beleefd en amicaal. Ik ben liefhebber van zijn spel, zijn vroege, robuuste werk bij Ellington maar zeker ook de ballads die hij later meer en meer zou spelen (niet in het minst door adem tekort voor het snellere werk). Hij werd erg zwaar en zijn lever functioneerde op den duur slecht vanwege de alcohol. Hij zou uiteindelijk in Amsterdam sterven en in Kopenhagen gecremeerd worden.
Zijn instrument is een verhaal apart. Toen Webster op sterven lag zei hij tegen zijn Nederlandse vriend, de schilder Steven Kwint:
“Steff, you take care of Ol’ Betsy and let nobody play her.”
Er waren er genoeg die op zijn saxofoon wilden spelen, maar dat had niet eenvoudig geweest. Het was een antiek instrument die Webster in 1938 ooit had aangeschaft. Hij speelde er onafgebroken op. Wilden de kleppen niet meer of begaven de polsters het dan liet hij het instrument helemaal reviseren. Nieuwere instrumenten waren makkelijker te bespelen maar hadden niet dat zware geluid van zijn instrument. Verder had hij een wijd open mondstuk en een heel dik riet erop zitten. Jazz-muzikant Willem Breuker zag dat instrument en zei;
‘Daar valt helemaal niet op te spelen voor tegenwoordige muzikanten.’ Zó’n ouderwetse saxofoon, een loodzwaar ding, en dan ook nog zo zwaar bespeelbaar.
Ben Webster kon het wel en hij heeft er prachtige muziek mee gemaakt. Dit boek geeft in ieder geval aanleiding om daar veel van te beluisteren. Steven Kwint heeft overigens woord gehouden, Ol’ Betsy is nooit meer bespeeld en wordt tentoongesteld in het Jazz Institute van de Rutgers University in Newark, New Jersey. show less
Jan 22, 2024Dutch
You May Also Like
Associated Authors
Statistics
- Works
- 5
- Also by
- 1
- Members
- 59
- Popularity
- #280,812
- Rating
- 3.4
- Reviews
- 3
- ISBNs
- 9
- Languages
- 2



