Picture of author.

Johan Anthierens (1937–2000)

Author of Jacques Brel de passie en de pijn

23 Works 299 Members 6 Reviews

About the Author

Includes the names: J Anthierens, Anthierens Johan

Works by Johan Anthierens

Tagged

Common Knowledge

Members

Reviews

6 reviews
Het laatste nog ongelezen boekje van Johan Anthierens dat ik in mijn boekenkasten had, is bij deze gelezen. Met de bespreking van Vlerk in Vogelvlucht – een Vlaamse gaai op de voorpagina, bij ons beter bekend als Hamse wuiten – sluit ik dan ook (minstens voorlopig) de besprekingen van Anthierens’ werken af. En ik heb genoten van Vlerk in Vogelvlucht zoals ik genoten heb van Onder anderen https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/01/onder-anderen-johan-anthierens.... en De show more flauwgevallen priester op mijn tong https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/04/de-flauwgevallen-priester-op-mi.... De boterhammen van de bakkerin https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/05/de-boterhammen-van-de-bakkerin-... en Het Belgische domdenken – smaadschrift https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/04/het-belgische-domdenken-smaadsc... waren iets minder, maar three out of five ain’t bad.

Het boek, uitgegeven in Amsterdam bij uitgeverij Allert de Lange https://nl.wikipedia.org/wiki/Allert_de_Lange in 1981, mikt duidelijk op de Nederlandse lezer – op de achterflap begint de introductie met “Johan Anthierens is een balorige Belg en een vlerk van een Vlaming” – en bevat “een twintigtal zelfportretten” die eerder verschenen in De Volkskrant (in de jaren 1979 tot en met 1981), “aangevuld met een novelle geïnspireerd op frivole opstellen die hij voor het weekblad ‘Knack’ bedacht”, De getelde dagen van Bella Bimba.

Plus een fragment uit het gedicht Oiseaux de Passage (Trekvogels) van Jean Richepin, aan wie dit boek aldus Anthierens een hulde is. Het gedicht van Richepin kan u hier https://www.poetica.fr/poeme-1686/jean-richepin-oiseaux-de-passage/ lezen, maar ik geef u graag mee wat Anthierens er over weet te melden: “Jean Richepin (1849-1926), de poëtische Franse geus en anarchist, huldigt in ‘Oiseaux de Passage’ (‘Trekvogels’) de enkele vermetelen die zich boven het rondscharrelend pluimvee verheffen om hoogvliegers te zijn, avonturiers van het leven, waaghalzen van de liefde, bezeten van-wat-feitelijk-niet-kan. Grenzeloos gedreven overzeilen zij ravijnen, pikken in de einder en storten neer, met bloedende snavel, tesamen met scherven van een bijna waar gemaakte luchtspiegeling. … In vogelvlucht schijten zij op de koppen van de gedeisden, de monarchisten, de vaderlanders, de burgers die deugden als hormonen verwerken en mettertijd zo tam zijn dat zij hun vleugels gebruiken om de schouders op te halen.” Het doet vermoeden dat Vlerk in vogelvlucht bijtend zal zijn als Het Belgische domdenken – smaadschrift, maar dat is het niet: Vlerk in vogelvlucht is Anthierens op z’n best, poëtisch, met woorden spelend, (zelf)relativerend. “Ik ben een vreemde eend die nimmer in de ganzepas loopt”, schrijft Anthierens aan het einde van zijn voorwoord, en dat klopt. Zélfs niet in de ganzepas van de zelf geschapen verwachtingen.

Maar, zoals gezegd: die poëzie! Die woordspelingen! Eigenlijk moet je dit boek tig keer lezen om ze allemaal gezien te hebben en sowieso kan je ze nooit allemaal citeren. Z’n teksten bulken van de dichterlijke staaltjes en de taalvondsten buitelen er over mekaar heen. Alsof het allemaal maar Spielerei is, alsof hij het zo uit zijn mouw schudde. Ik beperk me dus tot hier en daar een zinnetje als ik daarvan getuigenis probeer af te leggen:

– “De vezels van de pelerine lagen bloot, de zakken (onderduikadres voor handen) rafelden en de kraag glom zonder dat de malchanceuse dichter er een halszaak van maakte.” (uit Weemoed in Vogelvlucht)

– “Over twee uur moet ik de deur uit om, grijs van de slaap, naar Schaarbeek te scheuren om deze regels aan een mij onbekende Boliviaanse te overhandigen. Alsof vrouwen al geen regels genoeg krijgen.” (uit Met Ronkende Zinnen)

– “Ze heet Pilàr en is te herkennen aan blauwglimmende kabelvlechten en aan honderd jaar eenzaamheid in de oogopslag.” (ook al uit Met Ronkende Zinnen; en ja, zelfs ik herken de titel van het boek van Gabriel García Márquez https://nl.wikipedia.org/wiki/Gabriel_Garc%C3%ADa_M%C3%A1rquez, terwijl ik het nooit gelezen heb; geen idee overigens of Anthierens zich er van bewust was dat Márquez Colombiaan was, geen Boliviaan)

– “Ik kus graag, zij het met mondjesmaat. Pilàr draait zich om en verdwijnt, voor een roodhuid niet als een pijl uit de boog (…)” (eveneens uit Met Ronkende Zinnen)

– “Vier jaar geleden, toen zeventien soorten beleg de tongen losmaakten en saucijsjes onder een zilveren stolp in speekselbellen van heet vleesnat knisperden, kon je hier volmondig toetasten. Die tijd is voorbij, surrogaat en zijn ouwe moer maken de dienst uit, op een warme plaat versterven koffie en thee, dienende medemensen van uitheems coloriet verstaan de kunst je wenken te ignoreren. Toen ging ik opgeruimd van tafel, nu zit ik ermee in mijn maag.” (over het ontbijt in het toenmalige American Hotel https://americanhotel.com-amsterdam.com/en/ in Hollands Weekend (2): Voor een verre Princess)

– “Om tien uur (ginds, om die hoek, verbijt Lies haar lippenrood, proeft plankenkoorts) monstert broer Raphaël aan, uitgerust voor de strijd tegen de badkamer die in staat van hygiënische ongenade verkeert, een vervuiling waar wij schoon genoeg van krijgen. Op ons verzoek zet Raf, van huize uit tuinder maar gepatenteerd klusjesman, er de beuk in. Voor de zoveelste zaterdag loopt hij storm tegen het sanitair, met tegenslagend resultaat: de muur stoot de wasbakken af die hij met veel kwinkslagen en godslasteringen aanhechten wil. Aan werktuigen geen gebrek, alom alaam, maar de Engelse sleutel blijft doof voor zijn Vlaamse instructies.” (uit Zoeklicht op Zaterdag)

– “September, de maand dat de vulpen in je binnenzak een druiper krijgt, de schoolmaand, de maand van krijtrotsen en inktzwarte nachten. Ik draag deze augustus-ballade op aan de twaalfjarige Benjamin die in september terug naar school gaat en treurt omdat hij het slijmspoor van slak missen zal en niet treuren mag. Hij moet uit zijn blote zomervoeten stappen en schoenen aantrekken, een onaantrekkelijk gebeuren dat hij zich aantrekt. Benjamin begrijpt niet waarom hij de vruchten des velds moet achter laten voor de vierkantswortel die door mensen werd bedacht, een bedenkelijke gedachte.” (uit Pluspunt voor Benjamin)

– “(…) godsdiensten moet je op hun erewoord geloven, niet tegenspreken: overal ter wereld paraderen militaire kapellen” (uit Bier met Bloesem)

– “In mijn eerste frans (sic) sinds weken gil ik: ‘Monsieur, vous oubliez mon bien!’, vrij vertaald ‘Mein Herr, ik hab doch keine (sic) koffer (sic) in Berlin! Ik kan mij niet in iedere Europese stad laten beroven en uitkleden (…)” (uit Cannes prolongeren; ik ga er van uit dat u de, hoewel in belabberd Duits geschreven, verwijzing naar het nummer Ich hab noch einen Koffer in Berlin https://www.youtube.com/watch?v=1xnHeeN0E-I van Aldo ‘von’ Pinelli, onder andere gezongen door Hildegard Knef, zelf al gezien had; in dezelfde tekst verwijst Anthierens trouwens voor een tweede keer naar Berlijn: “Een kwartier later paradeer ik op de Croisette, Cannes’ Fifth Avenue, Unter die Palmen (…)”)

– of, ten slotte, “Het lijkt op Iers hongerstaken, binnenste buiten gekeerd.” (over het vetmesten van ganzen in Ganzeveer en Hellevuur)

Terwijl al die taalkundige schoonheid toch niet wil zeggen dat Anthierens zijn scherpte niet zou etaleren. Dat doet hij bijvoorbeeld in de drie stukken die hij wijdt aan het moordenaarsduo Freddy Horion en Ronald Feneulle (waarin hij afrekent met de wreedheid van het publiek, de balk in het eigen oog bij het zien van de splinter in die van een ander), maar ook onder andere – zonder dat er doden vallen – in Hollands Weekend (1): Houten Koorts, waarin hij onder andere verhaalt van een ontmoeting met Renate Rubinstein https://nl.wikipedia.org/wiki/Renate_Rubinstein op een Feestavond tegen de Lelijkheid van Nederland in het Amsterdamse Paradiso https://nl.wikipedia.org/wiki/Paradiso_(Amsterdam): “Renate taxeert mij denigrerender dan een jaar geleden, toen ik op het BRT-scherm haar eigendunk over de lelijkheid van huwelijksverdriet aankaarten mocht. Ze merkt op dat ik het in ‘de Volkskrant’ bestaan heb de goeroe van de stukjesschrijvers, keuvelende Simon Kronkel [Simon Carmiggelt, noot van mij: ‘Kronkel’ was zijn pseudoniem], aan te tasten maar hij mij per kerende kolom lik op stuk gaf. Kort geleden zag zij Carmiggelt, die het zaakje ter sprake bracht, moraliserend dat je bij de minste poging tot contestatie ‘er de wind onder moest houden’. Voorwaar een autoritaire reflex voor een beschrijver van de bescheiden existentie. Zijn reprimande was doeltreffend, noteert Rubinstein, je hebt geen kik meer gelaten. Gnuift zij, of stel ik mij dat voor? Braaf luister ik naar de mens achter het lava-kapsel, vind nu ook geen repliek. Bovenaan de hitladder van de schuine literatoren staat Carmiggelt in wijde goeroe-jurk, met in lagere rangorde zijn naschrijvers die de ogen zedig neerslaan. Voor mijn ogen schemert een oktobernummer van de ‘Haagse Post’, met de mond-op-mond lof van alle cursivisten voor elkaar. Rubinstein die Kees van Kooten wil zijn en Koot die zwijmelt voor Carmiggelt en de maëstro zelf die zich als een in plakjes publicerende Willem Elsschot ziet. Een incestueuze escalatie, een door elkaar kronkelen van darmparasieten.”

Dat ze niet alleen dóór elkaar kronkelden, maar ook mét elkaar, heeft Anthierens wellicht nooit geweten: Rubinstein onthulde pas in haar in 1991 postuum verschenen boek Mijn beter ik dat ze er van 1977 tot eind 1978 een relatie op nahield met Carmiggelt – iets waar Carmiggelts echtgenote zich, aldus Wikipedia, zeer aan “stoorde”, waarop hij een punt achter de relatie zou gezet hebben – en vervolgens opnieuw vanaf 1980 tot zijn dood in 1987. Een mens wil eigenlijk niet weten wie het nog meer met wie doet in de schrijvende Nederlanden.

En een mens wil er wellicht niet aan denken hoe weinig er de jongste decennia ten goede is veranderd (als er al werkelijk iets ten goede is veranderd). Uit De resten van de mens: “Bij een te kort bezoek aan mijn ouders, zes zondagen geleden, vertelden zij over de lichtjaren die zij voetstoots doorliepen, want zij groeiden op in Brugge, in de jaren tien van deze eeuw, toen de brouwer zich met hoefgetrappel aandiende en een trekhond met lange tong rammelende melkbussen versleepte. Armoe was overal, armoe was democratisch; je kon in je blote kont op straat, een scheur in je broek was schering en inslag en iedere lotgenoot leende je grif zijn nagel, om te krabben waar het jeukte. Het leven was een harde noot om te kraken, herinneren mijn ouders zich, maar een mensenhand was gauw gevuld; brood smaakte naar koren, aardappelen smaakten naar de aarde en boter smolt op je tong. De ouderen stierven jonger, maar binnen de familiekring, kinderen annexeerden moeders rokken. Vandaag sterven bejaarden met een visitekaartje aan hun grote witte teen in de dodengang van het rusthuis; hummeltjes kruipen rond in een crèche, moeder zit op fabriek of kantoor heimwee te versnutten naar de uitbestede snotneus.” En verder: “De wereld is een speelgoedkamer vol knoppen en lichtjes die op wenken flitsen en opereren, accuraat tot in het waanzinnige. Maar in het stadium van electrisch aangedreven tandenborstels vertrouwt de mens zijn macht niet langer: het tweebenige wezen ligt tussen andersoortige wandelstokken op een hoop gegooid, bij de kaduke voorwerpen. Alles is massaal, collectief, sectair-communicatief. Het individu als kapotte paraplu, de enkeling als drenkeling. Alle samenlevingen, de communistische op kop, zijn als de dood voor de Sterveling; op ‘jezelf zijn’ staat uitwijzing, uitstoting, vergetelheid; in meer dan een land betekent het afzondering gevolgd door opsluiting en beschadiging. Politie is de herdershond die de kudde in de flank begeleidt en de buitenbeentjes bijt.”

Maar die scherpte slaat weer helemaal om in poëzie, zelfs dromerigheid in het laatste deel van het boek, De getelde dagen van Bella Bimba – Kort geheugenverlies met ornament, aldus de achterflap “een dag uit het leven van prostituée Bella Bimba, waarin niet alleen de bakker en de postbode verschijnen, maar ook Albert Speer, Leopold de tweede en Franco”. Nog een paar mensen méér ook en Bimba lijkt “het” om allerlei redenen te doen (groenten en fruit, champagne, aanbidding), maar het verhaal lijkt nooit over een hoer te gaan. Wel over de wisseling van de maanden en seizoenen, ook in een mensenleven; over de trouweloosheid van politici (zij worden in het verhaal de hoer ontrouw, ruilen haar in voor een jonger meisje); over leeuwen die op Einstein lijken en postbodes die twee keer bellen (nóg een verwijzing, inderdaad); over Louis-Paul Boon (“gejammer, gemekker van een sexueel gefrustreerde, miskramerij van een Vlaams proleet van de liefde”; “in documentaires is Louis een koning, in de eigen ontboezemingen een manke zielepoot, waar hij op speelt”); over geheelonthoudende fascisten; over Ezra Pound https://nl.wikipedia.org/wiki/Ezra_Pound en Oriana Fallaci https://nl.wikipedia.org/wiki/Oriana_Fallaci; over John Lennon (“John heeft nu vleugels, net als zijn neus”); over Maigret, Miss Marple, Watson en de Hound of the Baskervilles. Een schatkamer om uit de putten, een soort dwaaltocht door de geheugenflarden van Johan Anthierens, een waardige afsluiter van dit boek en voor mijn serietje boekbesprekingen over Anthierens’ werken.
show less
Ik heb in dit boekje (amper 74 bladzijden, uitgegeven bij Kritak in 1986) eerlijk gezegd zowel dingen tevéél gevonden als dingen gemist. Om met die laatste categorie te beginnen: Johan Anthierens zelf. Of toch de Anthierens van het eerder besproken Onder Anderen (https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/01/onder-anderen-johan-anthierens.html) en de bundel OOGGETUIGEN-verslagen De flauwgevallen priester op mijn tong show more (https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/04/de-flauwgevallen-priester-op-mijn-tong.html). Niet dat iemand anders dan genoemde dit boekje heeft geschreven, maar de verbetenheid wint het in dit werkje met zó veel voorsprong van de dichterlijkheid dat het niet mooi meer is.

Goed, er zijn ook in dit boek weer een aantal knappe woordspelingen te vinden: een bank “waar de maffia safe zit”, accreditatiebewijzen voor een pausbezoek die “pausse-partouts” genoemd worden, of een commentaar op het – ook toen al – zo ongeveer algemene verbod om waar dan ook in Vlaanderen te schaatsen: “IJs bij ons hoort thuis in het diepvriesvak, dient in de zomer om aan te likken.” Die woordspelingen, die vondsten verzuipen echter in het taalkundig geweld waarmee de schrijver te keer gaat tegen iets wat in de jaren tachtig nog een laatste opflakkering kende … vooraleer als een kaarsvlam uit te gaan: een zekere verbinding tussen het katholicisme en de belgische staat. De CVP-staat, zeg maar. In Het Belgische domdenken – smaadschrift gaat Anthierens in het verweer – koleirig, nijdig, nauwelijks nog tot een humoristische noot in staat – tegen paus, katholiek onderwijs, Wilfried Martens, koning Boudewijn, De Standaard, kortweg iets wat toen (als je kwaad genoeg was) één muur kon lijken, één conglomeraat, maar al lang op weg was het niet meer te zijn.

Datgene waar Johan Anthierens tegen storm loopt, is met andere woorden een (minstens voor mij) ver-van-mijn-bedshow geworden. Een show waar ik me bovendien met de beste wil van de wereld nauwelijks kan in inleven. Wellicht omdat ik noch uit een katholiek noch uit een atheïstisch nest kom, omdat godsdienst geen rol speelt in m’n leven (ook niet die van de boeman), of omdat ik een groter probleem heb met mensen die zich wel bekennen tot een of andere godsdienst, maar er de poten van onder proberen te zagen, dan met die godsdienst zelf (ik ben van oordeel dat je serieuze dingen als geloof niet halfslachtig moet benaderen).

Wat niet wil zeggen dat er geen citerenswaardige stukjes te rapen vallen uit de zeven stukken (De opgezette Belg, Una settimana particolare, Miet en Manschappij, De Jan Bardi-democratie, Mad(e) in Belgium, Het ontwaken van Laken en En eeuwig bloeien de begonia’s) die dit boek bevat. In Una settimana particolare (verwijzend naar de film met Sophia Loren en Marcello Mastroianni, Una giornata particolare) bijvoorbeeld: “Ter opluistering van de visite [van de toenmalige paus, noot van mij] en bij wijze van goedgunstige confetti strooit een Koninklijk Besluit met strafvermindering. Boeven van banaal allooi boeten er twee maanden cel bij in, zondaars met een gunstig civiek certificaat – oud-strijders, verzetslui – komen vier maanden vroeger dan voorzien op vrije voeten.” Of: “Een voor Rome verblijdend mirakel is dat Maria zich in elk verschijningsoord transfigureert van Moeder der Armen tot Melkkoe der Kerk. Wonderlijk om zien hoe deze betoverende caissière kapitalen slaat uit de armzalige zakken van blinde zienden.”

Of in De Jan Bardi-democratie – Over de corpulentie van de Belgische geest, zonder meer het beste stuk uit dit boekje: “België een natie onder natte narcose, een maatschappij met spieruitval. Niemand gaat vrijuit want niemand gaat voluit, noemt de kat bij de naam. Wij verhullen bij het leven, spreken met een kapotje rond de tong. Emoties worden afgebleekt, hartstochten op een kier gezet. Wij lebberen als vlinderhondjes maar kússen met mondjesmaat en als men te nadrukkelijk op onze tenen staat schieten wij in een Fránse colère. Voor bochel geboren en als voetnoot gewiegd, leert de Belg verlegen gedrag en valse bescheidenheid als nationale deugden te omhelzen. Wij sluipen door het leven, drukken onze snor en vergenoegen ons met een figurantenrol in het eigen bestaan. Moed is ons niet toevertrouwd, deemoed des te meer. Vrees is een biologische constante en achterdocht een tweede natuur ; om vier uur ‘s middags ratelen in België de rolluiken naar omlaag, dan verbeidt de burger het schemeruur en verschanst zich tussen vier muren achter een bord warme prak en een proefbuis televisievoer. Bang als nationale impuls ; bij elke sneeuwbui rukken huisvaders en huismoeders en hun kinderen uit met spatels en bezems en ander grof gerief om de stoep te ontbloten zodat geen passant een slalom op het plekje trottoir op de familie kan verhalen. Neerdwarrelend wit wordt vanachter tulen gordijnen bespied als een mogelijke smet op het verzekeringsblazoen.”

En (dus) toch af en toe ook zaken die niet méé met de tijd waarover ze oorspronkelijk handelden achterhaald geraakten: “Zestienjarigen weten per definitie niét wat een frank waard is. Wat denkt het jeugdbeschermingscomité van dit inpakken [bankreclame gericht op jongeren, noot van mij], hoe reageert een jeugdrechter op monetaire pornografie, wie waarschuwt pubers voor de opzichtig gespannen geldfuik ?” Of: “Om te beginnen verschijnen in Vlaanderen, op De Morgen na [intussen ook al niet meer, noot van mij], alleen regeringskranten. De vier jaar die aan 13 oktober voorafgingen werd het beleid dag in dag uit goedgepraat door een dozijn katholieke dagbladen en twee liberale titels, Het Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet. Een wanverhouding qua voorlichting waar president Marcos op de Filippijnen slechts van dromen kon ; een voortdurende brainwashing in gevorderde staat van volmaaktheid.”

Maar eindigen wil ik deze boekbespreking graag met een auteur waarvan minstens één boek fungeerde op de verplichte leeslijst van weet-ik-veel welk jaar van de middelbare school: Jos Vandeloo. Of toch met Anthierens’ mening over ‘s mans vertaalwerk: “Waarom wordt domheid aangemoedigd in plaats van afgestraft ? De veel gevierde en met prijzen gelauwerde literaire domoor Jos Vandeloo vermoordde in vertaling de voortreffelijke Franstalige auteur André Baillon. Van diens boek ‘Un homme si simple’ maakte Vandeloo een Nederlands wrak, een literaire puinhoop. In het januarinummer van De Nieuwe Maand klaagt Joris Note de verminking aan met als bewijsvoorbeeld de vernederlandsing van ‘nous y fûmes ensemble’, waar wij samen waren. Daar maakt de Antwerpse kroegtijger van: ‘we hebben er samen zitten roken’. Vandeloo op het niveau van de Franstalige debiel die ooit de Duitse film ‘So lange du da bist’ vertaalde als ‘Solange, es-tu là?’. Iemand die in een museum een kras over een doek trekt wordt in de gevangenis gezet of psychiatrisch verpleegd, Vandeloo kreeg ná die schanddaad de prijs voor Nederlandse letterkunde van Sabam, de Belgische vereniging van auteurs, componisten en uitgevers. En de grote publicist Julien Weverbergh (Manteau) gooit deze dronken aanslag zonder verpinken op de markt.”

Voor de duidelijkheid: Een doodeenvoudig man was niet het leeslijst-boek in kwestie. De aanslag ook niet, want dat is van Harry Mulish, al stond het ook op die lijst. Het gevaar daarentegen wel. En da’s dan weer een bijnaam die Anthierens voor zover ik weet nooit gekregen heeft, in tegenstelling tot “het geval”. Niet geheel onterecht kennelijk, want zelfs dit voorjaar nog was er op de openbare omroep, in de regimekranten én in internetpublicaties allerhande nog discussie over dat geval. Vooral onder mensen die hem voor hun eigen kamp wilden opeisen, maar onderling van de grootst mogelijke aversie blijk geven. Een nalatenschap Anthierens waardig, en dat los van dit boekje.

Björn Roose
show less
Mijn vaste lezers, in zoverre ik die heb, weten onderhand wel dat ik flink wat boeken in huis heb van Godfried Bomans en Simon Carmiggelt (allemaal gelezen, al heb ik de meeste daarvan hier nooit besproken). Johan Anthierens is qua stijl a different ball game, maar nu ook niet zo totally dat zijn boeken niet in hetzelfde deel van mijn bibliotheek zouden te vinden zijn: bij de cursiefjes, de stukkies, enfin, de boeken met verhaaltjes die zo kort zijn dat ze niet eens een kortverhaal zijn. show more Ideaal spul om uit voor te lezen, zeker als je minstens één aandachtige luisteraar hebt, en die heb ik in het weekend. Dezer weken passeert dan ook na Bomans en Carmiggelt de eerste in het alfabetische klassement de revue: Anthierens. En na de bespreking van Onder anderen (https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/01/onder-anderen-johan-anthierens.html) van een tijdje terug krijgt u nu die van De flauwgevallen priester op mijn tong, ofte – zoals de boventitel luidt – Vijftien op prijs gestelde OOGGETUIGE-kronieken, kronieken die Anthierens schreef voor Knack (https://www.knack.be/nieuws/).

Anthierens aan u voorstellen heb ik in de vorige boekbespreking gedaan, dus kan ik de plichtplegingen deze keer achterwege laten en rechtstreeks naar de inhoud van het boek gaan. En, eerlijk gezegd, die is wat minder dan die van Onder anderen. Niet dat Anthierens minder virtuoos schrijft, minder associaties maakt, of dat z’n stijl over het algemeen minder is, maar dat in het vet drukken van alle namen (ik neem aan op zijn verzoek) wekt een beetje héél erg de indruk dat hij voor Knack aan name dropping moest doen, en de stukken halen ook gewoon niet het algemene niveau van die in Onder anderen.

En toch, een paar pareltjes. Uit Werda? Weihnachten! bijvoorbeeld: “de graadvette kapitein” of de “schaapachtig” kijkende herders. Uit Vaarwel Veronika: “Aan in de kieuw smoren hebben ze nog niet gedacht, maar vroeg of laat komt het tot kruisigingen en zijn de vissen vogels voor de kat”. Uit Isabel au doight dormant: “een verlate vleermuis wordt verrast door het bedwelmende geweld, struikelt over zijn vleugels en belandt bovenste onder in zijn schuilplaats”. Of, ten slotte, uit Het aanmatigende bruin: “straalhard schijnt de zon, een aanstekelijke steekvlam, een verschroeiend gat in het blauw gestreken hemelgewaad”.

Van de stukjes als geheel beviel me dan weer Pallieter, een uitdaging het meest. Een stuk over de dag dat Anthierens, samen met een hele hoop andere cultuurjournalo’s, de film Pallieter in avant-première mocht gaan zien. Ikzelf heb de film jaren après-première gezien en hij beviel me voor geen meter. En wie nog meer het boek gelezen heeft, het passeren van de seizoenen geproefd heeft uit de pen van Felix Timmermans (https://nl.wikipedia.org/wiki/Felix_Timmermans), kan ik alleen maar aanraden die film uit 1976 uit de weg te blijven. Zoals Anthierens dat duidelijk óók vond (vette woorden in de originele tekst, noot van mij):

“De skabreuze passages die in het boek te begrijpen zijn, Pallieter die zich bukt en een wind laat in het aanschijn van een hautaine graaf en de man die na een schranspartij met zijn blote bips in de rijstpap wordt geprojekteerd, komen hier linnengrof over. De klank is kloote en het beeld flou, de blauwe hemels die bij onze held horen als peper bij zout zijn korrelgrijs, het lijkt wel of de celluloid nog in het cellofaan verpakt zit. Dat Eddy Brugman, de filmpallieter, ooit een akteur zal zijn, betwijfel ik, in de film straalt hij evenveel levensvreugde af als een diepvriesforel. Hij kan niet uitbundig zijn, niet meeslepend, hij is een melancholieke hark die in een hoek een potje moet mogen zitten pruilen. De Pallieter van Felix Timmermans is geen domme dijenkletser maar zijn làch, blij, sardonisch, sarrend, en verliefd, mag uit zijn brutale kop niet weg te denken zijn. Nu en dan explodeert hij van vulkanische vreugde, hij is De Man die god schept, uit dronken dankbaarheid tegenover de natuur, uit puur genot voor wat hij rondom hem ziet en voelt en met de tong en vingers strelen kan. Pallieter is een éénmansfanfare die nu en dan de klaroen steekt, de brains van Uilenspiegel en de maag van Goedzak, vergeet het als u naar de kreatie van Verhavert en Claus gaat kijken, Verhavert is een zondagsschilder die Bruegel schoffeert, pretentie zonder potentie is een hemelschreiende handicap. Marieke, die Pallieters Nele moet zijn, teder en warmbloedig, zijn lijfstraf in het bruisende koren, Pallieters Maria-boodschap, de stralende paradoks achter een voorgrond van eters en zweters, Marieke is in de film nergens. Jacqueline Rommerts, Amsterdams fotomodel, poseert gewonnen verloren, ze is nog stommer dan Pallieters doofstomme vriend de schilder, ze komt niet tot leven, niet met haar lichaam niet met haar lippen, camera-blind staart ze langs die Vlaamse hoempa-ambians.”

En dan zijn er natuurlijk ook de van verwijzingen aan mekaar hangende verhaaltjes als Het oude geweer (Voor Toon van den Eynde), De solo-vlucht van Solange Soledad [een Robinsonate] (Voor Ulrike Meinhof), Het aanmatigende bruin (Voor Jef die mij leerde jrijven), of Toen ik Wilfried was van Hongarije (Voor Wilfried van Cauwelaert). Maar los daarvan is dit dus niet het soort boek dat ik per se wil houden. En toch … ga ik dat doen. Waarom? Wel, omdat er op het “wit vel” achter in het boek, aldus de inleiding van Anthierens “een verkoopstunt. Tot 31 december 1976 mag u mij aanklampen om op die pagina alleen voor u een handgeschreven mini-ooggetuige te improviseren”, effectief een handgeschreven boodschap mét handtekening staat van de schrijver. Gedagtekend op 28/10/1976 en daarmee uiteraard niet gericht aan mij (ik was toen een goede drie jaar oud), maar op een of andere boekenbeurs geschreven voor ene Guy: “Ze schuiven maar aan en ze schuiven maar aan en tot de pauze moet ik met verkrampte vingers uit eigen stijf werk voorlezen. Voor Guy, met hartelijk saluut.” Ik ben geen handtekeningenjager (ik heb tientallen stripbeurzen afgelopen op zoek naar albums die ik nog niet had en heb daar zelfs niet één keer in de rij gestaan voor een tekeningetje), maar dit is wél het soort ontdekkingen (die ik pas tijdens het lezen deed, overigens) dat van een boek voor mij een blijvertje maakt.

Björn Roose
show less
Nóg een boek(je) van Johan Anthierens. Alhoewel … Op een paar regels na is álles erin, inclusief het voorwoord, geschreven door Johan Anthierens, maar de eigenlijke auteur is Gerd de Ley https://nl.wikipedia.org/wiki/Gerd_De_Ley.

De Ley – van wie ik tot ik het net ging opzoeken altijd gedacht had dat hij Nederlander was, maar een Gentenaar blijkt te zijn – is/was acteur, schrijver van toneelstukken, dichter, maar is vooral bekend als … verzamelaar van citaten. Dat is ook wat hij in show more dit boekje gedaan heeft: citaten van Anthierens verzameld. Uit het hier eerder besproken De flauwgevallen priester op mijn tong https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/04/de-flauwgevallen-priester-op-mi..., uit het dito Onder anderen https://bjornroosebespreekt.blogspot.com/2021/01/onder-anderen-johan-anthierens...., uit teksten verschenen in Snoeck’s https://www.snoecks.be/, Yang 69, De Krant, De Post en Knack-magazine https://www.knack.be/nieuws/. Zoals Anthierens het zelf omschrijft in zijn voorwoord: “Als ik de gordijnen open schuif zie ik de Ley over mijn taaltuin gebukt staan schoffelen en harken. Hij waadt door het letterbed en wiedt een zin van tussen de overlast, houdt hem tegen het magere zonlicht, taxeert hem langdurig en bergt de aanwinst op in zijn rugzak die wemelt van woordvondsten. Gerd is de kruimeldief van warme woordenbakkers denk ik appreciërend en strijk over mijn stoppelkin. Wat ons tussen neus en lippen ontvalt vangt hij tussen duim en wijsvinger en zet de postzegelvlinder bij in de verzamelkast van een onoplettend uitgever.”

In dit geval dus Uitgeverij Publiboek/Baart te Amsterdam/Borsbeek, jaargang 1980. Alhoewel (weerom) … Op een aantal zaken na is dit geen “originele” uitgave. Zoals Gerd de Ley in die eerder genoemde “paar regels” schrijft – de Verantwoording op het einde van het boekje: “In 1977 verscheen De lange weg tot mezelf (geen taalfout maar een fragment uit het aforisme : Het is een lange weg om tot jezelf te komen) bij Orion te Brugge. Déze bundel is een geheel herziene en aangevulde herdruk.”

Hoe dan ook een boekje – vijftig bladzijdjes met citaten, een viertal per bladzijde, met zéér veel witruimte tussen – dat je op twintig minuten gelezen hebt. Dat ook niet meteen verrassingen bevat als je het werk van Anthierens een beetje kent (of recent gelezen hebt, zoals ondergetekende). Dat ook een nadeel heeft ten opzichte van vele andere citatenboeken (al dan niet van Gerd de Ley): je weet van wie ze komen, je kent de auteur, je kan je niet meer bezighouden met een en ander over die auteur op te zoeken, de pareltjes te koppelen aan nieuwe info.

Beetje saai dus ondanks het feit dat het wel degelijk om pareltjes gaat. Anthierens was immers een woordkunstenaar en je zou een veel omvangrijker werk dan dit nodig hebben als je ook z’n grotere “woordkunsten” zou willen citeren. Bovendien besef je hier, zoals ook het eerste citaat aangeeft: “Een uit zijn verband gerukte zin bloedt dode letter.” Je wéét immers dat Anthierens er niet af en toe iets dergelijks tussengooit, maar dat hij soms halve bladzijden (en dan veel “dikker” gedrukt dan die in dit boekje) op deze manier aan het werk is.

Nu goed, toch een paar … citaten uit dit citatenboekje. De eerste vier ook in serie na mekaar gedrukt: “Zuid-Arika: ruwe bolsters mèt een blanke pit”. “Alle Apartheid ten spijt zie ik de toekomst van Zuid-Afrika zwart in.” “Erotisch hoogtepunt: als een negerin lippendienst bewijst.” “Een neger is het summum van een moedervlek.” In politiek correcte tijden als de onze zou Anthierens zich misschien hebben moeten excuseren voor het gebruik van de woorden “negerin” en “neger”, in minder politiek correcte tijden kon je die woorden duidelijk gebruiken zonder het pasklare verwijt “racist” over je heen te krijgen (een verwijt overigens dat zeker niet van toepassing was op Anthierens).

En dan nog een paar aparte (zonder link met de “apartheid” hierboven): “Een Vlaamse: Jan met de Pet volgt zijn leiders klakkeloos.” (nog steeds van toepassing, zij het meer dan ooit klakkeloos); “Begin en Dayan hadden een gesprek onder drie ogen.” (voor wie de geschiedenis van Israël enigszins bekend is); “Ook het excuus van de jager is een dooddoener.” (Anthierens had het, zoals ondergetekende, geenszins voor jagers); “Tegen jeuk. Krabsla”; en ten slotte “Hoe lang duurt de helft van de eeuwigheid ?” Met dat wiskundig raadsel - waarvan het antwoord bij benadering op “een eeuwigheid” neerkomt, vermoed ik - sluit ik deze boekbespreking graag af.

De boterhammen van de bakkerin is een hebbedingetje. Niet iets om speciaal naar op zoek te gaan, maar ook niet iets wat je per se moet laten liggen als je het tegenkomt. Trouwens, het is uitgegeven in Amsterdam en Borsbeek (geen idee hoe ik me dat moet voorstellen eigenlijk), gezet in Wommelgem, typografisch “verzorgd” in Deurne, en gedrukt in Bilbao. Het is dus zeker niet blijven liggen vooraleer het in handen van de lezer terechtkwam …

Björn Roose
show less

You May Also Like

Statistics

Works
23
Members
299
Popularity
#78,482
Rating
½ 3.5
Reviews
6
ISBNs
26
Languages
1

Charts & Graphs