Picture of author.

About the Author

Includes the name: Menno samenstel. Wigman

Works by Menno Wigman

Verzamelde gedichten (2019) 25 copies, 1 review
De wereld bij avond (2006) 24 copies
Mijn naam is Legioen (2012) 17 copies
Dit is mijn dag (2004) 13 copies, 1 review
Het gesticht : drie maanden Den Dolder (2007) 8 copies, 1 review
Red ons van de dichters (2010) 6 copies

Associated Works

Leesliefde in 100 & enige gedichten (2002) — Contributor — 22 copies
Vlaanderen & Co : poëten in het parlement : bloemlezing 2002 (2002) — Contributor, some editions — 3 copies

Tagged

Common Knowledge

Canonical name
Wigman, Menno
Other names
Gauthier, Judith
Birthdate
1966-10-10
Date of death
2018-02-01
Gender
male
Occupations
poet
Awards and honors
Jan Campert-prijs (2002)
Gedichtendagprijzen (2002)
A. Roland Holst Prijs (2015)
Nationality
Netherlands
Birthplace
Beverwijk, Netherlands
Place of death
Amsterdam, Netherlands
Burial location
Begraafplaats Zorgvlied, Amsterdam, Netherlands
Associated Place (for map)
Amsterdam, Netherlands

Members

Reviews

5 reviews
mooie logjes,
translated title: Laks with Happiness
Je kon de afgelopen tijd niet om de Verzamelde Gedichten van Menno Wigman (1966 – 2018) heen. Hoog opgestapeld in de winkel en zowaar boek van de maand bij een populair televisieprogramma. Ik had het boek direct na publicatie al in huis gehaald dus ik was de hype net voor. Ik had mij eerder al geërgerd aan oneigenlijk gebruik van Wigman’s gedichten door een politicus in de Tweede Kamer en ik vond het hoog tijd zijn werk zelf maar eens goed door te nemen.

Wat een feest was dat. Talloze show more aantekeningen heb ik gemaakt, de ene zinsnede nog mooier dan de ander. Nu ben ik een vrij opportunistische poëzie-liefhebber. Ik heb weinig verstand van de techniek dus ik zal niet uitweiden over binnenrijmen en vijfvoetige jambes, maar ik kan wel aangeven wat ik mooi vind. Ik lees de gedichten ook achter elkaar door. Dat wordt niet altijd aangeraden, maar dat bevalt mij omdat ik dan in het idioom blijf en eventuele overlappingen of andere zaken mij eerder opvallen.

Wigman staat er om bekend dat de dood prominent aanwezig is in zijn werk en daar kom ik op terug. Er zijn nog wel meer thema’s die opvallen namelijk. Sympathiek aan de man vond ik dat hij nauw betrokken was bij het project Eenzame uitvaart, waarbij dichters een vers voorlezen aan het graf van een verder door iedereen verlaten dode. Het gedicht Eindafschrift is daar een voorbeeld van, waarvan hier een gedeelte;

…en onbevangen tot het duister treedt.
Straks stuurt de ING een eindafschrift.
Uw diepste angsten zijn allang gewist.

De ING in een gedicht. Wigman was, wat je zou kunnen noemen, een dichter van de stad. Geen natuurlijke overpeinzingen voor hem. Als hij het al over de natuur heeft, dan steekt hij kevers dood en noemt zich de Mengele van machteloze mieren. Elders schrijft hij “O sleep me uit dit groene braaksel weg.”

Wigman is dus van de bebouwde kom. Hij heeft het over de Burger King, de V&D, de H&M, bibliotheken, zebrapaden, winkelstraten, vinexwijken en, wat mooi, de droefenis van copyrettes. Dat is dus een thema bij hem. Nu staan er 188 gedichten in dit boek en ik heb eens gelet op welke thema’s er vaak voor komen. Ik heb dus wat geturfd. De dood, zoals gezegd, is belangrijk en komt als woord, aanverwant woord (graf) of onderwerp minstens 68 maal voor. Een goede tweede is de kroeg of aan drank verwante woorden (zoals wijn, bier, katers, drinken en zuipen); maar liefst 46 maal. Daarna hartstocht en sex; 28 maal. Opvallend vond ik het gebruik van spiegels, ramen en ruiten in zijn gedichten, dat kom ik 16 maal tegen. Ook vervoermiddelen als metro, tram, auto en taxi spelen een belangrijke rol. Om een voorbeeld van dat laatste te geven, ik vind het begin van Ondergrondse, één van de mooiste openingszinnen die ik ken, dan heb je mij meteen;

De metro ramt de voorkant van de dag.
Ochtendvrees en gangpadvee. Een man
hoest of zijn ziel vol gaten zit.
Herfst in zijn broek. Het diepe door,
de onderzee van blauw verlichte schimmen.

Als we op zijn gedichten moeten afgaan was Wigman geen groot vriend van zichzelf. De samenstellers van de bundel, Neeltje Maria Min en Rob Schouten, menen dat we inderdaad op zijn werk mogen afgaan. Het was geen pose. Zij hebben recht van spreken want zij waren goede vrienden van de jong gestorven Wigman en kenners van zijn werk. Ook de poëzie biedt niet altijd uitkomst, getuige het gedicht Misverstand;

Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Een bijzonder gedicht is het werk met de titel Harba lori fa. Ook Cees Noteboom heeft een gedicht met die titel geschreven en de term komt uit een minnelied van Jan I, hertog van Brabant (1253 – 1294). Het is niet bekend wat het precies betekent maar Wigman gebruikt het als volgt;

Ik hoorde van twee dichters die, jawel,
een botsing kregen – zaten ze te spreken,
geld, vrouwen, Elba, god mag weten, bloed

Tegen de voorruit maar hun voorhoofd heel.
Zo moest het gaan. Zo moeten daar
harba lori fa drie vrouwen hebben gestaan.

Er valt veel te zeggen over zijn gedichten. De vijf gedichten gedichten bij oude politiefoto’s zijn erg mooi, met Sluipwesp als uitschieter voor mij. Veel mooie zinnen als Hij zat zijn dood te voeden in de kroeg of ik wil in zestigduizend hoofden ruisen gaan vaak vooraf aan een fijne twist zoals

Voor ik de weg van alle boeken ga
en roemloos bij De Slegte sta

Menno Wigman besteedde veel aandacht aan zijn werk, aan de cadans en het ritme. Dat blijkt ook. Ik heb de gedichten meerdere malen gelezen inmiddels, soms hardop, en het leest vloeiend. Zoals dat gaat met poëzie hier, het boek zal regelmatig nog uit de kast worden gehaald.
show less
Drie maanden lang verbleef Menno Wigman als ‘artist in residence’ op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve, een inrichting voor psychiatrische patiënten in Den Dolder. Hij hoopte er nieuwe gedichten te schrijven en op zoek te gaan naar gedichten van de bewoners van de kliniek. Ook oude patiëntendossiers wilde hij doornemen om teksten te vinden die het waard waren gepubliceerd te worden en om meer te weten te komen over het verblijf van de dichter Gerrit Achterberg daar in 1933. De show more dagboekachtige aantekeningen over die drie maanden zijn een boek geworden met een aantrekkelijke vormgeving, een mooie typografie en intrigerende foto-illustraties uit heel verschillende bronnen. Wigman beschrijft wie en wat hij tegenkomt in Den Dolder: de stilte die er ogen lijkt te hebben, patiënten en een zonderling die op het terrein in boshutten woont. Hij citeert teksten die hij er heeft gevonden, diept literaire herinneringen op uit zijn lectuur, denkt na over het schrijven, o.m. voor eenzame uitvaarten, en herinnert zich dat hij altijd in zijn leven al iets gehad heeft met verwarde geesten. Ontmoetingen op straat en in de punkscène, bizarre briefjes vastgeprikt aan bomen in Amsterdam, zijn jeugd dicht bij de inrichting Santpoort. “In Santpoort woonde een man die soms liggend op straat in rioolputjes schreeuwde – naar later bleek een eerste stuurman die de stokers in het vooronder opdrachten zat te geven”. Of nog: “Op het perron vertelde een beeldschone verpleegster me ooit over haar eerste werkdag: tijdens de pauze kwam er een oude, kale sater aan haar tafel zitten, keek haar een minuut lang in de ogen en propte toen alle peuken uit de asbak in zijn mond”. Wigman voelt aan den lijve, op zichzelf teruggeworpen in die leegstaande lokalen, hoe dun de grens is tussen normaliteit en waanzin. De zoektocht naar Achterberg levert weinig op, de poëzie van de patiënten blijkt vaak ontgoochelend zwak: “Vogels, vlinders en wolkenhemels waren niet van de lucht en het woord ‘eenzaamheid’ betekende ook echt eenzaamheid”. Maar hij schrijft er een aantal sterke gedichten, onder meer een geïnspireerd door het zwembad voor zwakzinnigen in het aanpalende Dennendal [eventueel ter illustratie: ‘Zwembad Den Dolder’ bijgevoegd]. Zijn aantekeningen blijven fragmentarisch, springen van de hak op de tak, zijn nauwelijks gestroomlijnd. Dat, samen met de glasheldere taal waarin ze zijn geschreven (geen woord te veel), maakt ze authentiek. De verwarring, het andere, vaak machteloze denken zet een voet over de drempel, zonder dat de auteur modieus met de waanzin koketteert. In feite gaat het boek over de broosheid die alle mensen verbindt, de zucht naar liefde en lust, de pijn, de angst voor de dood. Samenhorigheid en isolement, twee kanten van een medaille. Het gesticht past niet in een gangbaar discours, tenzij in wat Deleuze en Guattari de ‘kleine literatuur’ noemen. Het is een bundel aantekeningen om stil van te worden, een boodschap uit een andere wereld, diep in ons. Goed schrijven houdt bij Wigman de kunst van het goed citeren in. Bijvoorbeeld uit de afscheidsbrief van Virginia Woolf: “We kennen onze eigen ziel niet, laat staan de ziel van een ander. Mensen gaan niet hand in hand de hele weg tot aan het einde. Er is een maagdelijk woud in ieder van ons; een sneeuwveld waarop zelfs een vogel zijn afdruk niet heeft achtergelaten. Daarin lopen we alleen, en dat willen we ook liever”. Wie niet bang is voor die waarheid, moet dit verslag uit Den Dolder lezen. show less
De gedichten van Menno Wigman ogen heel klassiek: vaak hebben ze een ‘ik ‘als onderwerp, zijn lichaam en zijn gevoelens. Brokstukken van een grote belijdenis? Daarvoor zijn ze te geconstrueerd, in een strakke vorm, met halfrijm, binnenrijm en afgemeten versregels. “Had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen”, verzucht de dichter, “Liefde. Hemel. Liefde. Ziekte. Dood.” Oude thema’s dus. Maar ze duiken op in een nieuwe, grootstedelijke context – in het geciteerde vers “de show more droefenis van copyrettes”. In een ander gedicht blijkt het ik toe te behoren aan een afgedankt tv-toestel, dat kritisch zijn kijker heeft bekeken. ‘Calamitas’ opent met de vraag “Waar was je toen het WTC?” Het heimwee naar een grootser en intenser leven doorzindert deze bundel, die tegelijk getuigt van een illusieloos realisme. Vandaar wellicht de klemtoon op het lichaam, het bevleesde skelet als tijdelijke behuizing waarmee de dichter het moet doen. Een paar keer stelt hij zich voor alsof hij uit de dood terugkeert in het leven: “Toen ze me wekten was mijn hand bevleesd”. Op een hermetischer reeks gedichten geschreven bij oude politiefoto’s – stalen van sterke inleving – volgt een gedicht waarin een moord ongedaan wordt gemaakt: “Een jongen, kostbaar als een kever, trok / galant zijn mes uit iemands ribbenkast”. De poète maudit van de vorige bundels lijkt gevoeliger en iets burgerlijker te zijn geworden. De kracht van de vorm, een beheerste zangerigheid die aan Nijhoff herinnert, houdt buitensporige gevoelens in toom. Een liefdesverklaring stoot op de grenzen van de formulering: “Proost me toe en neem me mee”. Alleen de herinnering aan een vervlogen liefde doet de dichter weer zingen, maar de betoverend erotische strofen waar ‘Nichtje’ mee begint slaan om in ontnuchtering. De dood is als thema ook aanwezig in een paar vredige in-memoriams van ‘de oudste zoon’ voor zijn vader en enkele gedichten die geschreven werden voor eenzame uitvaarten. Paul Valéry noemde het de taak van de literatuur steeds (op)nieuw het oude te zeggen. Dat kan Wigman als geen ander. Speektaal wordt melodieus, de gewoonste zinnetjes krijgen ritme en spankracht. Zo keert de gebonden taal van de poëzie begin 21e eeuw weer. show less

Awards

You May Also Like

Associated Authors

Lex ter Braak Introduction
Charles Baudelaire Contributor
Ephraïm Mikhaël Contributor
Jules Tellier Contributor
Adolphe Retté Contributor
Germain Nouveau Contributor
Alphonse Rabbe Contributor
Pierre Louÿs Contributor
Arthur Rimbaud Contributor
Charles Cros Contributor
Léon Bloy Contributor
Aloysius Bertrand Contributor
Jean Lorrain Contributor
Jules Laforgue Contributor
Marcel Schwob Contributor
Remy de Gourmont Contributor
Paul Verlaine Contributor
Kok Korpershoek Cover designer

Statistics

Works
24
Also by
4
Members
254
Popularity
#90,186
Rating
3.2
Reviews
4
ISBNs
31
Languages
3

Charts & Graphs